Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB2317

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
150142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal van werkgever. Werknemer is aansprakelijk voor alle schade, dus ook voor de opsporingskosten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Burgerlijk Wetboek Boek 6 170
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 661
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 166
JAR 2007, 223
JAR 2007/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 150142 / HA ZA 06-2339

Vonnis van 25 juli 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CSU SECURITY SERVICES B.V.,

gevestigd te Uden,

eiseres,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

advocaat mr. R.G.M. van der Pas te Ulvenhout,

tegen

[gedaagde],

wonende te Driel, gemeente Overbetuwe,

gedaagde,

procureur mr. P.A.C. de Vries,

advocaat mr. J. Schouten te Arnhem.

Partijen zullen hierna CSU en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 maart 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 15 juni 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] was sinds 24 juni 2002 in dienst van CSU als beveiligingsmedewerker. Hij was door CSU te werk gesteld bij sigarettenfabrikant British American Tobacco Manufacturing BV (verder: BAT) te Zevenaar.

2.2 Op 7 en 29 maart en 19 april 2004 heeft [gedaagde] telkens 4 dozen sigaretten ontvreemd uit de fabriek van BAT.

2.3 BAT heeft intern onderzoek uitgevoerd naar de verdwijning van sigaretten. Daaruit is gebleken dat [gedaagde] de dader was. [gedaagde] is vervolgens op 27/28 april door de politie aangehouden en in verzekering gesteld en door CSU op staande voet ontslagen. [gedaagde] is door de politierechter veroordeeld tot 100 uur taakstraf.

2.4 Bij brief van 29 april 2004 heeft BAT CSU als werkgever van [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Bij brief van 2 juli 2004 heeft BAT aan CSU opgegeven dat 2400 pakjes sigaretten à € 4,15 zijn verdwenen, welk totaalbedrag zij heeft afgerond op € 10.000,- . Verder heeft BAT opgegeven (voor onderzoek naar de verdwijningen) personeelskosten te hebben gemaakt, te weten 139 uur eigen medewerkers en 94 uur door een contractor. Zij heeft daaraan toegevoegd:

“Deze uren zijn voornamelijk gemaakt ten gevolge van het installeren van cameradetectie in het betreffende gebouw en het naspeuren van de camerabeelden. De kosten voor de aanschaf van de camerabewaking in dit gebouw zijn niet doorberekend.”

2.5 Uitgaande van deze opgave heeft CSU blijkens een bankrekeningafschrift op 17 juli 2004 een bedrag van € 23.020,- aan BAT betaald. Dat bedrag bestaat uit € 10.000,- voor de sigaretten en € 13.020,- voor de onderzoekskosten. Die onderzoekskosten bestaan uit 94 uur à € 35,- en 139 uur à € 70,-.

3. Het geschil

3.1. CSU vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 21.431,50, vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten volgens Voor-Werk II en onder aftrek van 5 betalingen van telkens € 100,-. De hoofdsom bestaat uit het niet afgeronde bedrag voor de sigaretten ad € 9.960,- en de onderzoekskosten ad € 13.020,-, tezamen € 22.980,- minus een bedrag van € 1.548,50 terzake van [gedaagde] nog toekomend loon c.a.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] heeft bij antwoord primair betwist dat CSU schade heeft geleden omdat verondersteld kan worden dat BAT verzekerd was tegen diefstal en CSU verzekerd was tegen de claim van BAT. Die enkele veronderstelling is echter onvoldoende, in aanmerking genomen dat niet erg voor de hand ligt dat een bedrijf dat zijn schade vergoed heeft gekregen veel moeite zal doen, zoals hier, de ‘schade’ nogmaals te verhalen. [gedaagde] is hierop bij de comparitie ook niet meer teruggekomen, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.

4.2 Wat betreft het subsidiaire standpunt geldt dat [gedaagde] niet betwist aansprakelijk te zijn voor de schade voor zover die de waarde van de door hem ontvreemde sigaretten betreft. De juistheid van het terzake daarvan gevorderde bedrag van € 9.960,- heeft hij evenmin betwist. Niet betwist is ook dat [gedaagde] ten titel van loon c.a. nog een bedrag van € 1.548,50 tegoed heeft. Daarmee ligt voor toewijzing in ieder geval gereed € 9.960,- minus € 1.548,50.

4.3 Wel heeft [gedaagde] betwist het gevorderde bedrag van € 13.020,- voor onderzoekskosten verschuldigd te zijn. Volgens CSU hebben deze kosten op de voet van art. 6:96 lid 2 onder b te gelden als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid. [gedaagde] betwist de redelijkheid van het maken van deze kosten en de redelijkheid van de omvang waarin zij zijn gemaakt, alsook dat de gemaakte kosten volledig als gevolg van zijn gedragingen aan hem toe te rekenen zijn op de voet van art. 6:98 BW.

4.4 Bij de beoordeling moet het volgende worden vooropgesteld. Niet in geschil is dat [gedaagde] door sigaretten van BAT te ontvreemden onrechtmatig jegens BAT heeft gehandeld. Evenmin is in geschil dat CSU voor de gedragingen van [gedaagde] aansprakelijk is op de voet van art. 6:170 lid 1 BW. Aldus zijn CSU en [gedaagde] beiden jegens BAT aansprakelijk voor de door [gedaagde] veroorzaakte schade. De schade is onmiskenbaar het gevolg van opzet van [gedaagde], zodat art. 6:170 lid 3 niet aan regres van CSU op [gedaagde] in de weg staat. Volgens CSU dient [gedaagde] in de onderlinge verhouding met CSU de schadelijke gevolgen van zijn gedragingen volledig te dragen. [gedaagde] heeft dat op zichzelf niet betwist. [gedaagde] betwist in wezen dat BAT op de voet van art. 6:96 lid 2 sub b BW aanspraak had op vergoeding van onderzoekskosten, althans tot het door haar gevorderde bedrag. Uit het systeem van hoofdelijkheid en regres vloeit voort dat waar [gedaagde] niet zelf door BAT is aangesproken, hij dat verweer in het kader van de regresvordering tegen CSU kan voeren.

4.5 Beoordeeld zal dus moeten worden of de door CSU aan BAT betaalde onderzoekskosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan en aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. [gedaagde] meent ten eerste dat het niet redelijk was dat BAT in de gegeven omstandigheden zelf onderzoek is gaan doen naar de vermissing van sigaretten en daarvoor kosten heeft gemaakt. Het had BAT al snel duidelijk moeten zijn dat er sprake was van diefstal en daarvoor had zij de politie kunnen inschakelen. Onderzoek naar en oplossing van de diefstal zou de partijen dan niets hebben gekost. Bij de comparitie heeft de securitymanager van BAT verklaard dat het voor BAT heel belangrijk was zo snel mogelijk het lek in het beveiligingssysteem op te sporen en dat van de politie niet mag worden verwacht dat zij onderzoek naar vermissing van een paar dozen sigaretten voortvarend ter hand zal nemen en nog minder dat de politie een lek in het beveiligingssysteem zal gaan opsporen. Dat is een standpunt dat de werkelijkheid niet lijkt te miskennen en waartegen [gedaagde] ter comparitie niets heeft ingebracht. Mede met het oog op de fraudegevoeligheid rondom het produceren en het in het verkeer brengen van sigaretten als gevolg van hoge accijnzen en de controle daarop moet het redelijk worden genoemd dat BAT zelf voortvarend onderzoek naar de vermissing is gaan doen en daarvoor kosten heeft gemaakt. Dit verweer van [gedaagde] moet dus worden verworpen.

4.6 In het kader van de betwisting van de redelijkheid van de omvang heeft [gedaagde] in twijfel getrokken of de geclaimde uren werkelijk zijn gemaakt. Bij de comparitie is mede naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de raadsman van [gedaagde] van de zijde van CSU uitleg gegeven bij de overgelegde urenstaten. [gedaagde] heeft daartegen verder niets meer ingebracht. Gelet op de verklaring namens CSU bij de comparitie en op de schriftelijke verklaring van [XXX] van 7 juni 2007 moet worden uitgegaan van de juistheid van het gestelde van CSU omtrent de aantallen uren die blijkens de urenstaten aan het onderzoek zijn besteed. Ten aanzien van twee uren [XXX] van 16 maart 2004 wegens ‘access database’ heeft CSU desgevraagd opgemerkt dat het zou kunnen dat die er inderdaad niet bijhoren. De rechtbank zal met die twee uren daarom geen rekening houden, zodat het aantal uren [XXX] niet meer dan 92 bedraagt.

4.7 Wat de redelijkheid van de aantallen uren en de daarmee gemoeide kosten betreft geldt het volgende. Bij de comparitie heeft de securitymanager van BAT uiteengezet wat het onderzoek heeft ingehouden. Ook is daarvan een beschrijving gegeven door een van de onderzoekers, [XXX], in zijn brief van 7 juni 2007. Dat het een grote klus is geweest om alle (video)registraties van een omvangrijk fabriekscomplex met dito beveiligingssysteem na te speuren is geheel aannemelijk en ook dat dat nodig was om uit te vinden hoe de verdwijning in zijn werk ging. In zoverre staat vast dat het noodzakelijk was de kosten te maken om aansprakelijkheid van [gedaagde] te kunnen vaststellen. Uit de schriftelijke verklaring van [XXX] moet echter worden afgeleid dat niet alle opgevoerde uren noodzakelijk zijn geweest om [gedaagde] te betrappen en dus diens aansprakelijkheid vast te stellen. In die verklaring staat dat op maandag 26 april een aanhouding had plaatsgevonden. Dat moet de aanhouding van [gedaagde] zijn geweest. In de verklaring staat echter ook dat in die week en de week daarna nog 25 uren door [XXX] en 16 uren door [XXX] zijn gemaakt voor afrondende besprekingen c.q. afronding. Het valt zonder nadere toelichting die ontbreekt niet in te zien dat dit nog noodzakelijke uren waren ter vaststelling van aansprakelijkheid en/of ter voorkoming van schade nu [gedaagde] eenmaal was betrapt en gepakt. Deze besprekingen waren wellicht nodig met het oog op het lek in het beveiligingssysteem, maar het is niet redelijk ook die uren nog aan [gedaagde] in rekening te brengen. Aldus moeten de gevorderde kosten worden verminderd met 2 + 16 uren [XXX] à € 35,- = € 630,- en 25 uren [XXX] à € 70,- = € 1.750,-, totaal

€ 2.380,-. Daarmee komen die kosten uit op € 13.020,- - € 2.380,- = € 10.640,-.

4.8 De kosten zijn in verhouding tot de schade dan nog steeds wel hoog uitgevallen, maar het enkele feit dat de kosten hoger uitvallen dan de schade zelf maakt nog niet zonder meer dat de omvang van de gemaakte kosten niet redelijk is. Voor een deel ging het er om vast te stellen wie er achter de verdwijning van de sigaretten zat. In zoverre gaat het werkelijk om kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid (van [gedaagde]). Voor een deel zal het er ook om gegaan zijn, zoals CSU bij dagvaarding op bladzijde 10 zegt, te voorkomen dat er nog meer sigaretten zouden verdwijnen. In zoverre zijn het dan kosten ter voorkoming of beperking van schade als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder a BW. De reële mogelijkheid bestond dat zonder het onderzoek er nog veel meer schade zou ontstaan doordat [gedaagde] door zou gaan met het ontvreemden van sigaretten. In dit licht bezien is het redelijk dat de kosten meer bedragen dan er op het moment van betrapping aan schade was veroorzaakt. Dat het voor een niet onbelangrijk deel erom ging, getuige de verklaring van de securitymanager, het lek in het beveiligingssysteem zo snel mogelijk op te sporen, doet daaraan niet af. Weliswaar is dat een algemener en verder weg gelegen doel dan de vaststelling van aansprakelijkheid of de voorkoming dat juist [gedaagde] nog meer sigaretten zou stelen. Maar het bereiken van die doelen liep tot aan het moment dat duidelijk was dat [gedaagde] de dader was parallel en niets is gesteld of gebleken waaruit afgeleid kan worden dat enkel om [gedaagde] te betrappen met een veel geringer onderzoek of een ander onderzoek tegen veel geringere kosten volstaan had kunnen worden. De rechtbank kan dan ook niet tot een andere conclusie komen dan dat de gemaakte kosten in de gegeven omstandigheden ook qua omvang redelijk zijn. Wat betreft de toerekening op de voet van art. 6:98 daarvan aan [gedaagde] dient rekening te worden gehouden met de aard van de gedraging en van de aansprakelijkheid aan de zijde van [gedaagde], te weten opzettelijk onrechtmatig handelen door een beveiligingsmedewerker die klaarblijkelijk van zijn bijzondere kennis van zaken gebruik heeft gemaakt om ongemerkt een aantal malen sigaretten te ontvreemden. Dat rechtvaardigt om de kosten ad € 10.640,- volledig aan [gedaagde] toe te rekenen.

4.9 Daarmee komt de te vergoeden schade op € 9.960 + € 10.640,- = € 20.600,- minus het bedrag van € 1.548,50 en de 5 betalingen van telkens € 100,-. Dat komt uit op € 18.551,50. In de onderlinge verhouding tussen [gedaagde] en CSU moet dit bedrag geheel door [gedaagde] worden gedragen in aanmerking genomen dat hij opzettelijk in hoedanigheid van beveiligingsfunctionaris sigaretten heeft verduisterd bij het bedrijf waar hij was tewerkgesteld en niet gesteld of gebleken is dat CSU in dit opzicht iets te verwijten valt. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat die ook toewijsbaar is vanaf 17 juli 2004. Datzelfde geldt voor de buitengerechtelijke kosten overeenkomstig rapport Voor-Werk II ad € 904,- die toewijsbaar zijn nu uit de stukken blijkt dat voorafgaande aan deze procedure vele pogingen zijn gedaan tot inning buiten rechte.

4.10 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan CSU te betalen een bedrag van € 18.551,50 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2004 en te vermeerderen met een bedrag van € 904-,- terzake van buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van CSU bepaald op € 584,22 voor verschotten en € 904,- voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2007.