Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB2038

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
21-08-2007
Zaaknummer
137791
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2009:BJ3236, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlies arbeidsvermogen na ongeval.

Vaststelling hoogte smartengeld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/169

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 137791 / HA ZA 06-366

Vonnis van 15 augustus 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te Rossum, gemeente Maasdriel,

eiser,

procureur mr. P.M. Wilmink,

advocaat mr. F.A. Verberk-Elich te 's-Hertogenbosch,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te Delwijnen, gemeente Zaltbommel,

2. de naamloze vennootschap

N.V. INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te Tilburg,

gedaagden,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. A.V.M. van Dijk te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1] en Interpolis genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk met [gedaagde 1] c.s. worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 november 2006

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 januari 2007

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 29 januari 2007

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 12 maart 2007

- de rolverwijzing van 2 april 2007

- de conclusie na getuigenverhoor

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

verlies arbeidsvermogen

2.1. Bij vonnis van 1 november 2006 is aan [eiser] opgedragen te bewijzen

a) dat hij vlak voor het ongeval van 22 oktober 1995 vergevorderde plannen had om kort na zijn WAO-herbeoordeling in november 1995 als zelfstandige zonder personeel een onderneming te starten, dat hij tijdens de laatste WAO-herbeoordeling in 1994 enkel nog op psychische gronden arbeidsongeschikt was en dat hij op het moment van het ongeval geen psychische en/of lichamelijke beperkingen meer ondervond om als zelfstandig ondernemer aan de slag te gaan en

b) dat hij vóór het ongeval van 22 oktober 1995 zelf schilder-, stuc- en timmerwerk aan de door hem bewoonde woning verrichte en dat hij toen ook de aanleg en het onderhoud van de tuin zelf deed alsmede dat hij deze werkzaamheden na het ongeval niet meer zelf kan verrichten en die tegen betaling door derden laat verrichten.

Hiertoe heeft [eiser] acht getuigen doen horen en een schriftelijke verklaring van zijn huisarts overgelegd. [gedaagde 1] c.s. hebben afgezien van het horen van getuigen.

2.2. Er is aanleiding allereerst het getuigenbewijs met betrekking tot het onderdeel van de bewijsopdracht onder a) te bespreken dat ziet op de door [eiser] gestelde vergevorderde plannen kort na zijn WAO-herbeoordeling in november 1995 als zelfstandige zonder personeel (zzp) te beginnen. Van belang daarbij is dat [eiser] daarbij steeds uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij die plannen toen maakte met zijn voormalige collega, de heer [XXX], en dat hij ook twee schriftelijke verklaringen heeft overgelegd van [XXX] ter staving hiervan. [eiser] en zijn echtgenote, [naam echtgenote], hebben dit in de door hen afgelegde getuigenverklaringen nogmaals bevestigd en ook in die verklaringen spelen de samenwerking met [XXX] en de gesprekken die hij daarover met [eiser] zou hebben gevoerd een belangrijke rol. Ook [XXX] is als getuige gehoord. Hij heeft echter verklaard zijn eerdere schriftelijke verklaringen in te trekken, die volgens hem ‘pratend onder een glas bier’ tot stand zijn gekomen. Volgens hem heeft hij eind jaren tachtig wel ooit met [eiser] gesproken zzp te worden maar dat betrof niets concreets; daarna heeft hij daarover niet meer met [eiser] gesproken omdat die in de WAO was beland. [XXX] heeft verder verklaard [eiser] in 1995 eens in het café te hebben gezien, maar toen niets te hebben geweten over een WAO-herkeuring en toen niet met hem te hebben gesproken over het worden van zzp. In zijn getuigenverklaring is [XXX] verder uitdrukkelijk teruggekomen op zijn eerdere schriftelijke verklaring dat hij in 1995 zijn plannen op de lange baan heeft geschoven in afwachting van herstel van [eiser] na het ongeval en ook op die waarin hij schreef dat [eiser] in 1995 zeker goedgekeurd zou worden bij de herkeuring: [XXX] heeft als getuige herhaald dat hij daarover niets wist. Ook van de door [eiser] opgevoerde plannen om in eigen beheer panden te verbouwen en te verhuren heeft [XXX] als getuige verklaard niets te weten. Als verklaring voor het intrekken van zijn schriftelijke verklaringen heeft de getuige [XXX] opgegeven dat hij destijds niet wist wat er allemaal speelde, dat er voor wat betreft zijn aandeel niets van klopt en dat hij al eerder had aangegeven zijn verklaringen te willen intrekken. Naast de al besproken verklaringen is er nog die van de getuige [XXX], een oud-collega van [eiser]. Voor zover thans van belang heeft [XXX] verklaard, samengevat, dat hij [eiser] buiten het werk niet veel zag, dat hij ongeveer in 1995 zelf met [eiser] heeft gesproken over zzp worden, dat die gesprekken meestal op het werk werden gevoerd waarbij ook [eiser] dan aan het werk was en dat gesproken is over met z’n tweeën op pad gaan en elkaar werk toeschuiven. [XXX] heeft verklaard zelf in 1996 zzp te zijn geworden. Van de door de getuige [XXX] afgelegde verklaring is, samengevat, van belang dat hij heeft verklaard in 1994 het huis van de zus van [eiser] te hebben gekocht, dat die zus hem in verband met een te bouwen dakkapel naar [eiser] heeft verwezen, dat hij daarover met [eiser] heeft gesproken, overigens niet in concreto, in de zomer van 1995 en dat hij toen van [eiser] had vernomen dat die in 1996 voor zichzelf wilde beginnen. Na een jaar, anderhalf jaar op [eiser] te hebben gewacht, na diens ongeval, heeft hij een aannemer die dakkapel laten plaatsen, zo heeft [XXX] verklaard, om vervolgens te verklaren dat die dakkapel in 2000 is geplaatst. Ene [XXX] heeft als getuige verklaard, samengevat, dat hij half 1995 met zijn goede kennis [eiser] heeft besproken dat die zijn huis zou verbouwen, na zijn herkeuring, hetgeen uiteindelijk in 1999 is gedaan door anderen. De getuige [XXX] heeft samengevat verklaard dat hij destijds evenals [eiser] in de WAO zat en dat hij met [eiser] over de herkeuring heeft gesproken. Volgens [XXX] zou [eiser] als hij zou worden goedgekeurd niet voor een baas gaan werken, maar voor zichzelf gaan klussen als zzp. De voormalige advocaat van [eiser], mr. J.L. Vissers, is ook als getuige gehoord, over de totstandkoming van de schriftelijke verklaringen van [XXX]. Mr. Vissers heeft, voor zover van belang en samengevat, verklaard dat [eiser] tegen hem heeft gezegd dat hij samen met [XXX] een bedrijf zou zijn begonnen, waarna deze advocaat een aantal malen contact hierover heeft gehad met [XXX].

2.3. [eiser], die ten tijde van het ongeval in de WAO zat, heeft zijn stelling over zijn hypothetische inkomenssituatie zonder ongeval, in het kader van de beoordeling van het gestelde verlies van arbeidsvermogen, steeds opgehangen aan zijn vergevorderde plannen om samen met [XXX] zzp te worden na zijn herkeuring in november 1995 en de gesprekken die hij daarover het worden van zzp met [XXX] in 1995 heeft gevoerd. Daarom kan bij de beoordeling van het bijgebrachte bewijs het beweerde aandeel van [XXX] in die plannen niet buiten beschouwing worden gelaten. Alleen [eiser] en zijn echtgenote hebben verklaard over gesprekken over en vergevorderde plannen voor samenwerking met [XXX] als zzp. De verklaring van [eiser], die partijgetuige is, heeft beperkte bewijskracht ten aanzien van het op hem rustende bewijs (art. 164 lid 2 Rv). Aan de verklaring van zijn echtgenote, die geen partijgetuige is, kleeft die wettelijke beperking niet, maar bij de waardering van haar verklaring is wel van betekenis dat zij in wezen evenals haar echtgenoot direct belang heeft bij de uitkomst van deze procedure. Tegenover de verklaringen van [eiser] en zijn echtgenote staat de verklaring van de getuige [XXX]. Volgens hem is in 1995 in het geheel geen sprake geweest van vergevorderde plannen om samen met [eiser] zzp te worden, laat staan van gesprekken daarover in 1995. [eiser] heeft bij conclusie na enquête aangevoerd dat de getuigenverklaring van [XXX] vals c.q. meinedig is, hetgeen ook zou blijken uit de getuigenverklaring van mr. Vissers. De verklaring van mr. Vissers zegt naar het oordeel van de rechtbank echter niets over het waarheidsgehalte van de eerdere verklaringen van [XXX] en doet op zichzelf ook niets af aan de reden die [XXX] heeft genoemd voor het intrekken van zijn eerdere verklaringen. Samengevat komt die reden erop neer dat die eerdere verklaringen volgens [XXX] eenvoudigweg niet kloppen, dat die ‘pratend onder een glas bier’ tot stand zijn gekomen en dat hij die onder ede niet wenst te handhaven. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de meest recente verklaring van [XXX], die hij onder ede ten overstaan van de rechtbank en in aanwezigheid van de partijen en hun advocaten heeft afgelegd. In het licht van die getuigenverklaring zijn de verklaringen van [eiser] en zijn echtgenote ongeloofwaardig. De overige getuigen reppen niet van een voorgenomen samenwerking met [XXX] om als zzp aan de slag te gaan. De thans door [eiser] opgevoerde stelling, bij conclusie na enquête, dat er ook concrete plannen waren om met [XXX] als zzp aan de slag te gaan, lijkt - enkel - te zijn ingegeven door de wending die de zaak met de verklaring van [XXX] zou kunnen nemen. [XXX] heeft weliswaar verklaard daarover in 1995 met [eiser] te hebben gesproken en in 1996 ‘die stap toch maar alleen te hebben gezet’, maar aan de juistheid van die verklaring - in elk geval voor wat betreft de periode waarin die gesprekken zouden hebben plaatsgevonden - twijfelt de rechtbank. Uit door [gedaagde 1] c.s. overgelegde stukken blijkt immers dat [XXX] zich pas eind april 1999 feitelijk als zelfstandige in het handelsregister van de kamer van koophandel heeft ingeschreven. Op grond daarvan is niet onaannemelijk dat zijn (beweerde) gesprekken met [eiser] ook veel later - na het ongeval - hebben plaatsgevonden. Verder lijkt de verklaring van [XXX] ook niet te kunnen kloppen waar hij heeft verklaard ongeveer in 1995 steeds op het werk met [eiser] over het worden van zzp te hebben gesproken. [eiser] zat toen immers in de WAO. De verklaringen over het voornemen van [eiser] om als zzp te beginnen van de getuigen [XXX] en [XXX] zijn te vaag om daarin ondersteuning te vinden voor het gestelde vergevorderd voornemen daartoe in 1995. De getuige [XXX], tot slot, heeft in feite enkel verklaard dat [eiser] na zijn herkeuring een verbouwing voor hem zou doen, maar niet dat hij dat als zzp zou doen. Overigens geldt dat de gestelde potentiële klanten van [eiser] - [XXX] en [XXX] - wel heel veel later dan in 1996 de volgens hen door hem te verrichten werkzaamheden aan hun huis hebben laten doen - in 2000 respectievelijk in 1999 - hetgeen de overtuigingskracht van hun verklaringen niet ten goede komt.

2.4. Op grond van al het voorgaande wordt geoordeeld dat [eiser] er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij in 1995 vergevorderde plannen had om na zijn WAO-herkeuring als zzp aan de slag te gaan, laat staan met [XXX]. [eiser] heeft ter onderbouwing van het gestelde verlies van arbeidsvermogen niets anders aangevoerd dan deze stelling. Die is echter niet komen vast te staan. Bij de huidige stand van zaken behoeft in wezen niet (langer) te worden beoordeeld of [eiser] in het verdere bewijs onder a) is geslaagd of niet. Het gestelde verlies van arbeidsvermogen is niet aannemelijk geworden. Dit geldt ook voor zover [eiser] heeft bedoeld dit verlies mede te baseren op inkomsten uit het opknappen en verhuren van daartoe aangekocht onroerend goed. Zijn stellingen daaromtrent zijn vaag gebleven en wisselend gebleken. Uit de getuigenverklaring van [eiser] volgt bijvoorbeeld dat het in het verleden slechts om één pand is gegaan, terwijl voorheen zijn stellingen duidden op meerdere panden. Enkel op grond van zijn eigen verklaring en die van zijn echtgenote - waaraan om hiervoor uiteengezette redenen beperkte bewijskracht toekomt - is niet aannemelijk geworden dat hij voor het ongeval voldoende concrete plannen in die richting had. De vordering ter zake van verlies van arbeidsvermogen zal dan ook worden afgewezen.

verlies zelfwerkzaamheid

2.5. [eiser] heeft tevens vergoeding gevorderd wegens verlies van zelfwerkzaamheid in en om het huis. Hierop ziet de tweede bewijsopdracht. In het leveren van dat bewijs is [eiser] in zoverre geslaagd dat voldoende aannemelijk is geworden dat hij voor het ongeval zelf schilder-, stuc- en timmerwerkzaamheden aan zijn woning verrichtte en het tuinonderhoud deed, dat hij daartoe na het ongeval nauwelijks meer in staat is en dat hij voor de werkzaamheden aan de woning wel eens derden heeft ingeschakeld. Uit de getuigenverklaring van [XXX], die heeft verklaard dat hij als kennis van [eiser] ongeveer eens per twee maanden bij hem over de vloer kwam en komt, volgt immers dat [eiser] nog wel tot enige zelfwerkzaamheid in staat is, maar ook dat hij voor allerlei omvangrijker verbouwingswerkzaamheden in het nieuwe huis derden heeft moeten inschakelen, terwijl hij dergelijke werkzaamheden en het tuinonderhoud voorheen zelf deed. Met betrekking tot de oude woning hebben de getuigen [XXX] en [XXX] bevestigd dat [eiser] dergelijke werkzaamheden en/of het tuinonderhoud zelf verzorgde. De getuige [XXX] heeft verklaard [eiser] zowel in het oude als in het nieuwe huis ongeveer één a twee keer per maand te hebben bezocht en nog te bezoeken en bij een bezoek aan het nieuwe huis te hebben gezien dat derden daar metselwerk en stucwerk verrichten, terwijl [eiser] zelf niets deed. Voorts heeft [XXX] verklaard dat hij [eiser] voor het ongeval wel maar na het ongeval niet meer in de tuin heeft zien werken en dat zijn vrouw de tuin nu verzorgt. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] na het ongeval kosten heeft gemaakt voor onderhoud aan zijn huis. Anders dan [gedaagde 1] c.s. menen ziet de overgelegde factuur met betrekking tot de keuken blijkens de omschrijving ook op montagekosten, zij het dat niet duidelijk is welk deel van de factuur die montagekosten betreft. Dat geen andere facturen dan de die factuur inzake de montagekosten van de keuken en een factuur inzake stucadoorswerkzaamheden in het geding zijn gebracht noopt niet tot de conclusie dat er verder geen kosten zijn gemaakt, zoals [gedaagde 1] c.s. menen.

2.6. Op grond van het voorgaande zijn [gedaagde 1] c.s. gehouden [eiser] 25% van de kosten wegens verlies van zelfwerkzaamheid te vergoeden. Op zichzelf is juist dat, zoals [gedaagde 1] c.s. hebben betoogd, [eiser] geen bewijs van de hoogte van de schade heeft geleverd, maar de rechter is bij de vaststelling van de schade ook niet gebonden aan de normale regels van stelplicht en bewijslast (HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 196). De rechtbank zal met gebruikmaking van de vrijheid die haar ingevolge art. 6:97 BW toekomt de schade schatten en daarbij onder meer de uitgangspunten van de Aanbeveling Zelfwerkzaamheid van het Nationaal Platform Personenschade betrekken. [eiser] heeft (25% van) een lumpsum van EUR 15.000,00 gevorderd. Dit bedrag is door [eiser] gebaseerd op een jaarschade van EUR 1.500,00 en - dus - op een looptijd van 10 jaar. De door hem gehanteerde jaarschade is hoger dan de jaarschades die op grond van de aanbeveling zouden gelden. Op grond van de getuigenverklaring van onder meer [eiser] en zijn echtgenote is genoegzaam komen vast te staan dat hij tot en met ongeveer 2002 een twee-onder-een-kap huurwoning met tuin bewoonde alwaar hij al het huurdersonderhoud - en meer - deed of zou hebben gedaan. Volgens de aanbeveling geldt voor die situatie een jaarschade van EUR 500,00. Ook staat op grond van de getuigenverklaringen vast dat [eiser] per 2003 naar een eigen woning van hetzelfde type is verhuisd, hetgeen volgens de aanbeveling aanspraak geeft op een jaarlijkse vergoeding van EUR 1.000,00. Rekening houdend met de door [eiser] gehanteerde looptijd van 10 jaar, dus de periode 1996 tot en met 2005, zou het totaalbedrag aan verlies van zelfwerkzaamheid uit komen op EUR 6.500,00 (7 jaren x EUR 500,00 en 3 jaren x EUR 1.000,00). In de gegeven omstandigheden - [eiser] heeft een bescheiden looptijd gehanteerd en was timmerman van beroep, zodat hij meer dan de gemiddelde persoon gewoon en in staat was onderhoud aan zijn woning te verrichten - acht de rechtbank het gerechtvaardigd niettemin van de door hem gestelde lumpsum uit te gaan. De schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid wordt daarom op EUR 15.000,00 begroot en 25% daarvan - dus EUR 3.750,00 - zal worden toegewezen.

overige materiële schade

2.7. Ter staving van de vordering van (25% van) EUR 1.162,77 wegens door zijn echtgenote opgenomen onbetaalde verlofdagen voor ziekenhuisbezoek en begeleiding heeft [eiser] een verklaring van de werkgever van zijn echtgenote in het geding gebracht en daarmee de omvang van deze schade thans voldoende aangetoond, zoals ook [gedaagde 1] c.s. hebben erkend. Een bedrag van EUR 290,69 zal worden toegewezen. In het vorige vonnis waren reeds de volgende bedragen aan materiële schade toegewezen: EUR 1.105,65 aan reiskosten (rov. 4.7) en EUR 245,00 wegens kosten kleding, schoeisel en leges invalidenparkeerkaart (rov. 4.9). Opgeteld bedraagt het totale bedrag aan toewijsbare materiële schade, inclusief het verlies van zelfwerkzaamheid, EUR 5.391,34.

smartengeld

2.8. [eiser] heeft EUR 17.500,00 (25% van EUR 70.000,00) aan smartengeld gevorderd. Volgens [gedaagde 1] c.s. is een vergoeding van EUR 40.000,00 - dus in het geval van [eiser] EUR 10.000,00 - redelijk. Gebleven wordt bij hetgeen in rov. 4.5 van het vorige vonnis met betrekking tot het smartengeld is overwogen. In verband met de uitkomst van de bewijslevering valt daaraan op zichzelf weinig aan voor de omvang van het smartengeld relevante gezichtspunten toe te voegen, behoudens de gebleken beperkingen van [eiser] bij het onderhouden van zijn woning en tuin. Verder houdt de rechtbank rekening met de leeftijd van [eiser] ten tijde van het ongeval. Gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen en gelet op het feit dat [gedaagde 1] c.s. bereid is een smartengeld van EUR 40.000,00 tot uitgangspunt te nemen, zal de rechtbank 25% daarvan - dus EUR 10.000,00 - toewijzen.

buitengerechtelijke kosten

2.9. Onder verwijzing naar de gevoerde correspondentie inzake de schadeafwikkeling heeft [eiser] een forfaitair bedrag van EUR 2.842,00 aan buitengerechtelijke kosten gevorderd, gebaseerd op het rapport Voor-werk II. [gedaagde 1] c.s. hebben daartegen ingebracht dat [eiser] een rechtsbijstandsverzekering heeft, waardoor hijzelf geen schade lijdt. Ter comparitie heeft [eiser] bevestigd dat hij een rechtsbijstandsverzekering heeft, zonder de gevorderde buitengerechtelijke kosten toe te lichten. Zonder nadere toelichting kan echter niet worden geconcludeerd dat [eiser] zelf ter zake van de kosten van rechtsbijstand een vorderingsrecht heeft, zodat dit deel van de vordering zal moeten worden afgewezen.

wettelijke rente

2.10. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat die over de toewijsbare bedragen zal worden toegewezen met toepassing van de in het lichaam van de dagvaarding genoemde ingangsdata: de dag van het ongeval voor het smartengeld en de dag van dagvaarding voor de overige schade.

proceskosten

2.11. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 15.391,34 (vijftienduizenddriehonderdéénennegentig euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van:

- het bedrag van EUR 10.000,00 vanaf 22 oktober 1995

- het bedrag van EUR 5.391,34 vanaf 15 februari 2006

telkens tot de dag van volledige betaling,

3.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2007.