Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB2026

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-08-2007
Datum publicatie
20-08-2007
Zaaknummer
493856 CV Verz. 07-3382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proeftijdbeding. Werknemer niet schadeplichtig als hij ontslag neemt nog voor de arbeidsovereenkomst is ingegaan. Misbruik van bevoegdheid

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 652
Burgerlijk Wetboek Boek 7 676
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/236
RAR 2007, 149
JAR 2007, 236
Prg. 2007, 159

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 493856 \ CV VERZ 07-3382 \ 127 \ pjw

uitspraak van 13 augustus 2007

Vonnis ex artikel 96 Rv

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Oogziekenhuis Nederland BV

gevestigd te Arnhem

eisende partij

gemachtigde mr. C.A.J. Thomkins

en

[gedaagde partij]

wonende te Wijchen

gedaagde partij

gemachtigde mr. J. Schnoor (ARAG)

Partijen worden hierna OZN en [gedaagde partij] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het verzoekschrift met producties van 21 mei 2007

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 21 juni 2007.

De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

Op 19 januari 2007 zijn OZN en [gedaagde partij] een arbeidsovereenkomst aangegaan. [gedaagde partij] zou op basis van die overeenkomst met ingang van 1 maart 2007 bij OZN in dienst komen in de functie van directeur voor 24 uur per week. In de arbeidsovereenkomst is een proeftijdbeding opgenomen.

Begin februari 2007 is [gedaagde partij] benaderd door het Jeroen Bosch Ziekenhuis met het aanbod daar een fulltime managementfunctie te komen vervullen met een breed perspectief tegen een directiesalaris. [gedaagde partij] heeft het aanbod geaccepteerd.

Op 16 februari 2007 heeft [gedaagde partij] één van de bestuurders van OZN, de heer [x], telefonisch in kennis gesteld van zijn besluit om niet bij OZN, maar bij het Jeroen Bosch Ziekenhuis in dienst te treden. Op verzoek van [x] heeft [gedaagde partij] zijn mededeling bij email van dezelfde dag bevestigd.

Bij brief van 3 april 2007 maakt OZN aanspraak op vergoeding van ten minste de kosten van de advertentie naar aanleiding waarvan [gedaagde partij] bij OZN was aangenomen. Ter onderbouwing daarvan stelde OZN onder meer het volgende:

‘De gevolgen van het sluiten van een arbeidsovereenkomst met een andere werkgever, wanpresterend handelen, gebaseerd op een door u, eenzijdig, genomen beslissing, komen dan ook geheel voor uw rekening, risico en verantwoordelijkheid.”

Het geschil

[gedaagde partij] stelt dat, nu zijn arbeidsovereenkomst voorzien was van een proeftijd, hij er ook voor had kunnen kiezen om de werkzaamheden na enige dagen te staken en de arbeidsovereenkomst op te zeggen omdat de werkzaamheden hem niet zouden bevallen. Hij heeft er de voorkeur aan gegeven open kaart te spelen ten opzichte van OZN. Hij meende dat hij bij [x] begrip had ontmoet voor zijn keuze en verkeerde in de veronderstelling dat men in de situatie zou berusten.

Volgens OZN is de proeftijd voor een andere dan de onderhavige situatie bestemd en kan met niet zomaar een aangegaan contract negeren. Zij is van mening dat zij de hierdoor te maken extra kosten van [gedaagde partij] als compensatie dient te ontvangen, zeker nu de impact op haar organisatie aanzienlijk is. [gedaagde partij] ging er ten onrechte vanuit dat OZN in de situatie zou berusten.

Concreet wil OZN dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van de advertentiekosten ten bedrage van € 2.667,51. Dit bedrag is exclusief BTW. [gedaagde partij] is het daar niet mee eens. Partijen verzoeken de kantonrechter gezamenlijk om hun geschil op basis van artikel 96 Rv te beslechten. Zij hebben zich het recht van hoger beroep voorbehouden.

De beoordeling

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Artikel 7:676 lid 1 BW luidt als volgt:

‘Indien een proeftijd is bedongen, is ieder van partijen, zolang die tijd niet is verstreken, bevoegd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.’ Vanwege de formulering: ‘zolang die tijd niet is verstreken’ wordt in het algemeen aanvaard dat bij een proeftijdbeding opzegging al kan plaatsvinden vóór de feitelijke indiensttreding. De kantonrechter sluit zich bij die opvatting aan.

Dit betekent dat de enkele omstandigheid dat [gedaagde partij] de arbeidsovereenkomst nog voor hij dienst is getreden weer heeft opgezegd niet meebrengt dat hij onrechtmatig jegens OZN handelt. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waaronder dit anders kan liggen. Er moet dan sprake zijn van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW.

OZN heeft in dat verband gesteld dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst die partijen bindt, zodat het in strijd is met de eisen van goed werknemerschap dat [gedaagde partij] de arbeidsovereenkomst nog voordat de arbeidsovereenkomst inging heeft opgezegd. Die stelling kan zonder nadere toelichting die ontbreekt niet voor juist worden gehouden, gezien het hiervoor geformuleerde uitgangspunt. Hetzelfde geldt voor de stelling van OZN dat, analoog aan het leerstuk van de precontractuele goede trouw, het [gedaagde partij] niet vrijstond te onderhandelen met een derde nadat hij met OZN had gecontracteerd. Dat is wellicht onfatsoenlijk, maar daarmee nog niet onrechtmatig, zoals OZN stelt. Dat [gedaagde partij] niet meteen toen hij met het Jeroen Bosch Ziekenhuis in gesprek raakte OZN daarover heeft ingelicht, leidt zonder nadere toelichting die ontbreekt niet tot een ander oordeel. De kantonrechter ziet niet in dat [gedaagde partij] in de gegeven omstandigheden door te handelen zoals hij heeft gedaan, misbruik van zijn opzeggingsbevoegdheid heeft gemaakt.

Bij hetgeen hiervoor is overwogen komt dat het OZN kennelijk alleen te doen is om de door haar volgens haar stellingen gemaakte advertentiekosten. Het is maar zeer de vraag of die kostenpost als schade door toedoen van [gedaagde partij] zou kunnen worden aangemerkt, aangenomen dat [gedaagde partij] jegens OZN schadeplichtig is geworden. OZN heeft onvoldoende gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat deze kosten door toedoen van [gedaagde partij] nodeloos zijn gemaakt. Niet aannemelijk is dat deze specifieke kosten zijn gemaakt met het oog op alleen [gedaagde partij]. De kosten zijn gemaakt om in aanraking te komen met potentiële kandidaten, zonder een verplichting voor de reflectanten om daadwerkelijk met OZN te contracteren. Er is daarom bij personeelsadvertenties altijd de kans dat deze niet tot het gewenste resultaat leiden. Dat behoort tot het normale risico van degene die zo’n advertentie plaatst, in dit geval dus OZN.

De conclusie is dat [gedaagde partij] niet schadeplichtig is geworden ten opzichte van OZN doordat hij met een beroep op het overeengekomen proeftijdbeding de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, nog voordat hij feitelijk in dienst trad bij OZN. De vordering van OZN wordt daarom afgewezen. OZN wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

Omdat in deze zin wordt beslist, hoeven de stellingen van partijen voor het overige geen bespreking

De beslissing

De kantonrechter

wijst de vordering van OZN af;

veroordeelt OZN in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde partij] begroot op € 99,50 aan vast recht en € 350,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2007.