Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB1990

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
20-08-2007
Zaaknummer
149801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mededelingsplicht aan verzekeraar van risicoverzwarende verplichtingen (het niet bewoond zijn van een afgebrand kasteel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2010/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 149801 / HA ZA 06-2300

Vonnis van 25 juli 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. B.J.M. van Meer te Arnhem,

tegen

1. de vennootschap onder firma

V.O.F. [gedaagde] ASSURANTIËN & ONROEREND GOED,

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat en procureur mr. K. van der Meulen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 2]den]. genoemd worden. Gedaagde sub 1 zal hi[gedaagde sub 2].O.F.]. genoemd worden, gedaagde sub 2 [gedaagde sub 2] en gedaagde sub 3 [gedaagde sub 3].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 februari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 10 mei 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van een vrijstaand woonhuis (havezathe) met schuren, ondergrond, tuin, erf en weiland aan [woonplaats][adres] te [woonplaats] (gemeente [woonplaats]), kadastraal bekend gemeente [woonplaats] en [woonplaats], sectie D nummer 380 en 333.

2.2. [V.O.F.]. is gedurende enkele jaren de assurantietussenpersoon geweest van [eiser]. Per1 januari 2005 is [V.O.F.]. ontbonden en is haar assurantieportefeuille overgedragen aan Assurantiekantoor [betrokkene] te Winterswijk.

2.3. In een door [V.O.F.]. opgesteld taxatierapport, gedateerd op 26 oktober 2002, is met betrekking tot het pand van [eiser] onder meer het volgende opgenomen: “Het geheel complex verkeert in een slechte staat van onderhoud. Het voormalige woongedeelte (1920-1925) verkeert in een matige staat van onderhoud. Met betrekking tot een enkele schuur is zelfs sprake van instorting”.

2.4. [eiser] heeft via [V.O.F.]. voor zijn pand per 1 december 2002 een particuliere opstalverzekering gesloten met Ymaro Assuradeuren V.O.F. (hierna ‘Ymaro’). Ymaro is opgetreden als gevolmachtigde van de verzekeraars Achmea Schadeverzekering N.V. en Fortis ASR Schadeverzekering N.V. (hierna samen ‘de verzekeraars’).

2.5. Het polisblad van de opstalverzekering (polisnummer 5666-Z800200290012) bevat onder meer de volgende gegevens:

“Verzekerde som: EUR 300.000,00

Eigen risico : EUR 10.000,00 voor brandschade

Voorwaarden : 31 C Brand Algemeen 2002

Opmerking : verzekerde objecten: Kasteeltje en aangebouwde schuur Het pand is thans onbewoond”.

2.6. In de op de verzekeringsovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden van Ymaro (brandvoorwaarden brandverzekering 31C) zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“Artikel 9

De taxatie van de expert(s) zal als schadebedrag aangeven:

a) Gebouw

1) het verschil tussen de herbouwwaarde van het gebouw onmiddellijk voor de gebeurtenis en van het overgebleven deel onmiddellijk daarna;

2) het verschil tussen de verkoopwaarde onmiddellijk voor de gebeurtenis en van het overgebleven deel onmiddellijk daarna.

(…)

Artikel 16

De verzekerde is verplicht de verzekeraar zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 2 maanden schriftelijk in kennis te stellen van elke belangrijke verandering van het risico, waaronder in elk geval wordt verstaan:

(…)

c) leegstand van het gebouw;

d) het buiten gebruik zijn van het gebouw gedurende een aaneengesloten termijn die (naar verwachting) langer dan 2 maanden zal duren:

(…)

Na ontvangst van de kennisgeving van risicowijziging zal de verzekeraar aan de verzekerde mededelen of de verzekering ongewijzigd zal worden voortgezet of dat premie en/of voorwaarden zullen worden herzien. Indien hierover met de verzekerde geen overeenstemming wordt bereikt, zal de verzekering – met inachtneming van een opzegtermijn van 30 dagen – door de verzekeraar worden beëindigd. Elk recht op schadevergoeding vervalt indien de verzekerde niet of niet tijdig de verzekeraar in kennis heeft gesteld van een wijziging als bovenbedoeld, tenzij de verzekerde van het optreden hiervan niet op de hoogte was en dat redelijkerwijs ook niet kon zijn.

Het recht op schadevergoeding blijft echter bestaan voor zover de verzekeraar de verzekering na een kennisgeving ongewijzigd zou hebben voortgezet. Zou de verzekeraar de verzekering slechts hebben voortgezet tegen een hogere premie en/of bijzondere voorwaarden, dan bestaat recht op schadevergoeding met inachtneming van die bijzondere voorwaarden en in verhouding van de bestaande tot de nieuw te sluiten premie. Door wijziging van bouwaard en gebruik van de belendingen wordt de schadevergoedingsplicht van de verzekerde niet beperkt.”

2.7. Op 19 mei 2003 heeft [eiser] contact opgenomen met Joosten. Joosten heeft een notitie gemaakt van dat telefoongesprek met de volgende inhoud:

“Pand wordt miv. heden bewoond (tijdelijk) door kennis van van Aalst.

kunnen verzekerde bedragen worden aangepast.

Dossier bijzoeken en overleggen”

2.8. In een brief van 5 juni 2003 is namens [V.O.F.]. onder meer aan Ymaro bericht: “pand wordt miv. 19-5-2003 (tijdelijk) bewoond, kunnen de verzekerde bedragen worden aangepast. E.e.a. in overleg met [voorletters] [gedaagde sub 2].”

Bij e-mailbericht van 6 juni 2003 heeft Ymaro [V.O.F.]. laten weten dat zij aantekening heeft gemaakt van de bewoning en dat herinspectie zal volgen. Op het uitgedraaide mailbericht is het volgende met de hand bijgeschreven: “besproken 1/7 03 Theo van Aalst Vragen of verhoging naar EUR 500.000,- mogelijk is nu pand is bewoond. Verbouw onder monumententoezicht zal waarschijnlijk medio september beginnen. Wij informeren Ymaro daarover.” Op 2 juli 2003 heeft [V.O.F.]. een mail gestuurd aan Ymaro met verzoek de verzekerde som te verhogen naar EUR 500.000,00 omdat het pand is bewoond. Daarop heeft Ymaro geen actie ondernomen.

2.9. Op 9 juli 2003 heeft [V.O.F.]. ten behoeve van de financiering van het pand van [eiser] een taxatierapport opgesteld.

2.10. Op 15 april 2004 hebben [eiser] en [gedaagde sub 2] telefonisch contact in verband met het verzoek van [eiser] om het verzekerde bedrag onder de opstalverzekering te (laten) verhogen.

De door [gedaagde sub 2] van dit gesprek gemaakte notitie luidt:

“* Aannemer [gedaagde sub 2] is nog niet begonnen

* Dit hangt mede af van verkoop woonhuis (aanvulling secretaresse: in [woonplaats]; rb.)

* Zodra [gedaagde sub 2] begint horen wij

* Pand is wel permanent bewoond door tijdelijke huurder”.

2.11. Eveneens op 15 april 2004 heeft [gedaagde sub 2] een telefoongesprek gehad met Ymaro. [gedaagde sub 2] heeft van dat gesprek de volgende notitie opgemaakt:

“[betrokkene 2] (aanvulling secretaresse: [betrokkene2]; rb.) verzekerd bedrag blijft gehandhaafd, onbewoond / (aanvulling secretaresse: wordt; rb.) bewoond. Verz. bedrag premier risk maken zodat onderverzekering niet meer speelt. Hij zal nog met [betrokkene 3]. kortsluiten en ons berichten.

Een aanvulling van de secretaresse van [gedaagde sub 2] bij de notitie luidt: “ma 19.04.04 9.59 weer overlegt over bovenstaande met [betrokkene 3]r en [voornaam gedaagde sub 2]”

2.12. Bij e-mailbericht van 19 april 2005 heeft [gedaagde sub 2] aan de heer Richter van Ymaro bericht:

“Hierbij bevestig ik het telefoongesprek van hedenmorgen tussen u en de heer [voornaam gedaagde sub 2] [gedaagde sub 2].

* De verzekerde som wordt verhoogd tot: EUR 500.000,-.

* Het pand is thans bewoont.

* Zodra de huidige woning, te [woonplaats], van verzekerde [eiser] is verkocht, start de verbouwing van het pa[woonplaats][adres] te [woonplaats].

* Er zijn reeds contracten gesloten, met Aannemer [gedaagde sub 2] en Monumenten Zaken, om de verbouwing te realiseren.

Wij zullen u informeren zodra de bouwaktiviteiten gaan plaatsvinden.

(…)”

2.13. De opstalverzekering is vervolgens per 19 april 2004 gewijzigd, in die zin dat het verzekerde bedrag is verhoogd van EUR 300.00,00 naar EUR 500.00,00. Op het polisblad wordt verwezen naar de algemene voorwaarden “31 c brand algemeen”. Als bijzonderheid is vermeld “Verzekerde objecten: kasteeltje en aangebouwde schuur”.

2.14. Op 15 juli 2005 is brand uitgebroken in het pand van [eiser]. [eiser] heeft de als gevolg van de brand ontstane schade gemeld aan [gedaagde sub 2], die de brand daarop heeft gemeld aan Ymaro, beide op diezelfde dag. Gebleken is dat de brand is aangestoken door derden. Twee personen hebben bekend het delict te hebben begaan.

2.15. Op verzoek van [eiser] heeft verzekeringsmaatschappij GAB Robins Takkenberg B.V., na taxatie door haarzelf en door Troostwijk Expertises B.V. namens de verzekeraars, twee aktes van taxatie opgemaakt. De aktes vermelden een herbouwwaarde van EUR 332.775,00 en een verkoopwaarde van EUR 220.000,00 na de brand.

2.16. Bij brief van 25 november 2005 heeft Ymaro [eiser] meegedeeld dat de brandschade niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat [eiser] Ymaro niet (tijdig) in kennis heeft gesteld van de leegstand van zijn woning. Na een korte briefwisseling heeft [eiser] een kort geding procedure aangespannen tegen Achmea, Fortis, [V.O.F.]. en [gedaagde sub 2]. [eiser] heeft in die procedure gevorderd dat Achmea en Fortis zou worden veroordeeld tot betaling van een uitkering onder de opstalverzekering en (meer) subsidiair heeft [eiser] gevorderd dat [gedaagde sub 2] zou worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 30 mei 2006 vonnis gewezen onder nummer 139732 / KG ZA 06-235. [eiser] is tegen alle partijen in het ongelijk gesteld.

2.17. De raadsman van [eiser] heeft [gedaagden]. op 16 november 2006 gesommeerd tot, kort gezegd, erkenning van aansprakelijkheid en betaling van schade.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden]. hoofdelijk veroordeelt

1. tot betaling van EUR 129.110,00, althans van EUR 75.866,00, althans van een door de rechtbank nader vast te stellen bedrag, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis,

2. tot betaling van EUR 193.665,00, althans van EUR 113.779,00, althans van een door de rechtbank nader vast te stellen bedrag, binnen vier weken nadat [eiser] alle op de herbouw betrekking hebbende rekeningen heeft overgelegd, met dien verstande dat de totale uitkering nooit meer zal bedragen dan de werkelijk aan herbouw of herstel bestede kosten met als maximum het bedrag op basis van de herbouwwaarde,

3. tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.

3.2. Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt van Aalst dat [gedaagden]. toerekenbaar tekort is geschoten in haar taak als assurantietussenpersoon. Ze heeft niet voldaan aan de zorgplicht die ingevolge artikel 7:401 van het Burgerlijk Wetboek (hierna ‘BW’) op haar rust, door te verzuimen aan de verzekeraars mee te delen dat de woning van [eiser] tijdelijk – met tussenpozen van leegstand – zou worden bewoond. Als ze dat wel zou hebben gedaan zou de woning verzekerd zijn geweest tegen brandschade. De door [eiser] geleden schade bestaat uit het schadebedrag dat hem als gevolg van die toerekenbare tekortkoming niet is uitgekeerd, aldus [eiser].

3.3. [gedaagden]. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagden]. stelt zich op het standpunt dat de door [eiser] ingestelde vorderingen jegens [V.O.F.]. en jegens [gedaagde sub 3] dienen te worden afgewezen. [gedaagden]. voert daartoe aan dat [V.O.F.]. op 1 januari 2005 is ontbonden. [gedaagde sub 3] is bij de in het geding zijnde overeenkomst niet betrokken geweest.

Hetgeen [gedaagden]. stelt ten aanzien van [V.O.F.]. acht de rechtbank juist. Ten aanzien van [gedaagde sub 3] overweegt de rechtbank dat reeds de omstandigheid dat zij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst vennoot was van [V.O.F.]., de opdrachtnemer van [eiser], meebrengt dat het [eiser] als zaakscrediteur vrijstaat [gedaagde sub 3] mede in rechte te betrekken.

4.2. In geschil is of [gedaagden]. toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiser].

Vast staat dat [gedaagden]. niet aan Ymaro heeft meegedeeld dat het pand van [eiser] vanaf medio juli 2004 niet meer werd bewoond en dat het onbewoond is gebleven tot het uitbreken van de brand op 15 juli 2005. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de omstandigheid dat de leegstand van het gebouw niet (tijdig) is gemeld aan Ymaro, heeft meegebracht dat de verzekeraars zich hebben beroepen op het vervallen van het recht van [eiser] op schadevergoeding wegens niet-nakoming van de mededelingsplicht terzake van risicoverzwarende omstandigheden. Hiermee staat het oorzakelijk verband vast tussen het handelen (nalaten) van [gedaagden]. en de schade, welk verband door [gedaagden]. wordt betwist. De rechtbank is, anders dan [gedaagden]. betoogt, van oordeel dat [eiser] de keuze heeft om [gedaagden]., al dan niet naast (de verzekeraar van) de partij(en) die brand heeft/hebben gesticht in de woning, in rechte te betrekken.

4.3. De verzekeraars hebben zich, ter onderbouwing van hun weigering over te gaan tot uitkering van de door [eiser] gevorderde schadevergoeding, beroepen op artikel 16 van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden (zie rechtsoverweging 2.6). Aangezien dat artikel bepaalt dat [eiser] – of voor hem [gedaagden]. – de verplichting had om leegstand van het pand, dan wel het onbewoond zijn van het pand gedurende een aaneengesloten termijn van twee maanden of langer, te melden aan Ymaro (mogelijk) op straffe van verval van het recht op schadevergoeding, staat vast dat de staat van bewoning van het pand relevant was voor dekking onder de opstalverzekering.

4.4. [eiser] stelt dat de vraag naar het al dan niet bewoond zijn van de woning nooit van belang is geweest. De rechtbank overweegt dat echter reeds uit de door [gedaagde sub 2] gemaakte telefoonnotitie van het gesprek van 19 mei 2003 (rechtsoverweging 2.7), waarvan de inhoud door [eiser] niet is betwist, het tegendeel moet worden afgeleid. Zowel uit die notitie, als uit de evenmin weersproken notities van de gesprekken van 1 juli 2003 en van 15 april 2004 tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] (rechtsoverwegingen 2.8 en 2.10), moet worden afgeleid dat [eiser] een koppeling heeft gelegd tussen de bewoonde staat van de woning en de hoogte van de onder de opstalverzekering te verzekeren som.

4.5. Sterker, uit de betreffende notities maakt de rechtbank op dat [eiser] wist dat bewoning van het pand essentieel was voor het kunnen verhogen van de verzekerde som en voor dekking onder de verzekering. [eiser] heeft [gedaagde sub 2] in die telefoongesprekken immers verzocht om de verzekerde som te laten verhogen (naar EUR 500.000,00) omdat de woning – tijdelijk – werd bewoond.

4.6. De vraag die nu voorligt is of [gedaagden]. is tekortgeschoten jegens [eiser] door hem niet te informeren over mogelijke gevolgen van het onbewoond laten van de woning, zoals [eiser] stelt.

Bij de beantwoording van die vraag heeft als uitgangspunt te gelden dat een (onafhankelijke) assurantietussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever de zorg moet betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Dit brengt mee dat hij erop toeziet dat door of namens de verzekeringnemer aan de verzekeraar tijdig alle mededelingen worden gedaan waarvan hij, als redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon, behoort te begrijpen dat die de verzekeraar ervan zullen (kunnen) weerhouden om een beroep te doen op het vervallen van het recht op schadevergoeding wegens de niet-nakoming van de in de polisvoorwaarden opgenomen mededelingsplicht ter zake van risicoverzwarende omstandigheden. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend horen te zijn. Beschikt de tussenpersoon m.b.t. een hem bekende omstandigheid die mogelijk tot een risicoverzwaring aanleiding kan geven, niet over voldoende gegevens of mag hij niet ervan uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt nog volledig en juist zijn, dan dient hij daarnaar bij zijn cliënt te informeren.” (laatstelijk HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375)

4.7. [gedaagden]. is van mening dat [eiser] de op hem rustende mededelingsplicht niet op haar kan afwentelen. Zij voert aan dat [eiser] heeft moeten begrijpen wat de gevolgen waren van het laten leegstaan van de woning. [eiser] stelt dat [gedaagden]. hem actief had moeten wijzen op mogelijke gevolgen voor dekking onder de (gewijzigde) opstalverzekering maar dat zij dat heeft nagelaten. Integendeel, [gedaagde sub 2] zou [eiser] (meer dan eens) hebben meegedeeld dat het voor de dekking niet van belang was of de woning al dan niet werd bewoond. [eiser] onderbouwt deze stelling in het bijzonder aan de hand van enkele verklaringen van derden. De door [eiser] met oog op de verbouwing aangestelde aannemer verklaart dat [gedaagde sub 2] van mening was “dat de woning als onbewoond was verzekerd” en “[voornaam gedaagde sub 2] [gedaagde sub 2] ging uit van de feitelijke toestand onbewoonde staat”. Ook de aan opvolgend assurantiekantoor [betrokkene] verbonden medewerker [betrokkene 5] heeft verklaard “de al dan niet bewoonde toestand van de woning was volgens hem ([gedaagde sub 2]; rb.) niet van invloed op de verzekerde som”.

4.8. De rechtbank zal [eiser], gelet op het door hem aangeboden bewijs, in de gelegenheid stellen bewijs te leveren van zijn stelling dat [gedaagde sub 2] hem heeft meegedeeld dat het al dan niet bewoond zijn van de woning – onder de per 19 april 2004 gewijzigde verzekering – niet van invloed was op de dekking onder de opstalverzekering.

4.9. Indien [eiser] erin slaagt het hem opgedragen bewijs te leveren leidt dit tot de conclusie dat [gedaagden]. haar zorgplicht heeft geschonden en aldus toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met [eiser]. In dat geval zal vervolgens de omvang van de schadevergoeding moeten worden vastgesteld.

4.10. Indien [eiser] niet slaagt in het leveren van het hem opgedragen bewijs en derhalve niet is komen vast te staan dat [gedaagden]. hem onjuiste informatie heeft verstrekt, is zij aldus niet tekortgeschoten. Dat laat onverlet dat [gedaagden]. alsnog aansprakelijk zou kunnen zijn, ten eerste omdat nog niet vaststaat of [gedaagden]. gelet op de op haar rustende onderzoeksplicht [eiser] actief had moeten wijzen op diens verplichtingen onder de verzekeringsovereenkomst en ten slotte omdat niet vaststaat of [eiser] aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan.

4.11. Ten aanzien van de gestelde onderzoeksplicht overweegt de rechtbank als volgt. [eiser] stelt dat [gedaagden]. had moeten weten dat bewoning van het pand zo niet geheel onmogelijk, dan toch telkens slechts van korte duur was. [gedaagden]. had mede daarom zelfstandig de overeenkomst moeten (blijven) toetsen aan de feitelijke situatie.

Vast staat dat [eiser] [gedaagde sub 2] op 15 april 2004 heeft meegedeeld dat het pand “permanent (is) bewoond door een tijdelijke huurder” (rechtsoverweging 2.10). De vraag is of [gedaagden]. er op basis van die mededeling van mocht uitgaan dat het pand van [eiser] tot aan de verbouwing – waarna de aannemer het risico dekt door een zogenaamde K-dekking, zo is zijdens [gedaagden]. onweersproken aangevoerd ter comparitie – bewoond zou blijven.

4.12. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden]. er, mede gezien de terecht door haar veronderstelde kennis bij [eiser], van heeft mogen uitgaan dat de huurperiode die inging per 20 maart 2004, zou duren tot de verbouwing die volgens aankondiging van [eiser] binnenkort zou plaatsvinden. [eiser] voert aan dat het [gedaagden]. bekend was dat de woning in “ onbewoonbare staat” verkeerde en dat het pand uitsluitend met tussenpozen van leegstand door tijdelijke huurders werd bewoond. De rechtbank stelt vast dat uit het taxatierapport van 26 oktober 2002 (rechtsoverweging 2.3) volgt dat het woongedeelte van de havezathe in een matige staat van onderhoud verkeerde. Bovendien werd het vrijwel doorlopend verhuurd. Van 19 mei 2003 tot medio juli 2004 is de woning door opvolging van huurders twee maal één maand onbewoond geweest, wat onder de gewijzigde verzekering geen probleem zou hebben opgeleverd. Ook die omstandigheid maakt dat [gedaagden]. er op voorhand niet van hoefde uit te gaan dat de woning na 20 maart 2004 (langer dan twee maanden) leeg zou staan. De onderzoeksplicht van een tussenpersoon gaat in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver dat zij eigener beweging in de loop van 2004 actief navraag had moeten doen bij [eiser]. Per 1 januari 2005, zo staat ten slotte vast, is [V.O.F.]. ontbonden en is de portefeuille overgedragen waarmee ook de onderzoeksplicht van [gedaagden]. tot een eind is gekomen.

4.13. Ten slotte moet, indien [eiser] niet slaagt in het hem opgedragen bewijs, worden vastgesteld of [eiser], zoals hij stelt, [gedaagden]. heeft meegedeeld dat de huurder die op 20 maart 2004 zijn intrek in het pand had genomen, medio juli 2004 zou vertrekken. Nu [eiser] deze stelling, aan de hand van verklaringen van de heer Verheijen, heeft onderbouwd zal gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagden]., aan [eiser] bewijs worden opgedragen. Aangezien deze tweede bewijsopdracht een voorwaardelijke is – immers, afhankelijk van het slagen van de thans voorliggende bewijsopdracht – en aangezien het, als het aankomt op het horen van getuigen, andere getuigen zal betreffen, zal de tweede bewijsopdracht thans nog niet worden gegeven.

4.14. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [eiser] op te bewijzen dat [gedaagde sub 2] hem heeft meegedeeld dat het al dan niet bewoond zijn van de woning – onder de per 19 april 2004 gewijzigde opstalverzekering – niet van invloed was op de dekking onder die verzekering,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 augustus 2007 voor uitlating door [eiser] of hij dit bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken over wil leggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op donderdagen in de maanden augustus tot en met november 2007 direct moet opgeven, waarna dag en uur van behandeling zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.P.C.J. van Bavel in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2007.

coll. EdB