Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB1949

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-08-2007
Datum publicatie
17-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/2076
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Arbeidsinspectie treft in maart 2006 personen aan met de Poolse nationaliteit en legt boete op. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van de opgelegde boete nu sinds 1 mei 2007 geen tewerkstellingsvergunning voor Poolse werknemers meer is vereist. Verzoek tot treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/2076

Uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Champignonkwekerij Wilro BV, verzoekster,

gevestigd te Waardenburg, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Boomaars,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2007 (verder: bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster een bestuurlijke boete wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid en 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 12 april 2007 bezwaar gemaakt.

Op 26 mei 2007 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 juli 2007. Verzoekster is aldaar vertegenwoordigd door A.M. Verburg, bijgestaan door mr. Boomaars, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mrs. M.C. Puister en J.J.A. Huisman.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Vooropgesteld wordt dat verzoekster, gezien de aanzienlijke hoogte van de boete, alsmede de door verzoekster gegeven toelichting op haar financiële situatie, ondersteund door een verklaring van haar registeraccountant, een voldoende spoedeisend belang aannemelijk heeft gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wav draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wav stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt hij het afschrift op in de administratie.

Ingevolge artikel 18 van de Wav wordt, voor zover hier van belang, het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 van de Wav als beboetbaar feit aangemerkt.

In de Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2007 (Stcrt. 2006, 250) is bepaald dat bij de berekening van de boete de normbedragen worden gehanteerd die zijn neergelegd in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen (verder: Tarieflijst). In de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav gesteld op € 8.000. Overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wav wordt beboet met € 1.500 voor ieder vreemdeling ten aanzien van wie de wet niet is nageleefd.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) dient indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan te profiteren.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) worden bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.

Bij ministeriële regeling van 25 april 2007 (Stcrt. 2007, nr. 82, pag. 17), in werking getreden met ingang van 1 mei 2007, tot wijziging van de Uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen behorende bij het Delegatie- en Uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen (verder: de Regeling) is paragraaf 19a “Werving van arbeidsaanbod uit de nieuwe lidstaten van de EU” van de Uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen behorende bij het Delegatie- en Uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen (verder: paragraaf 19a) vervallen. Deze paragraaf behelsde - kort gezegd - de eis van een tewerkstellingsvergunning voor werknemers vanuit acht Midden- en Oost-Europese staten waaronder Polen.

Uit de gedingstukken is het volgende gebleken.

Verzoekster drijft een onderneming die zich onder meer bezighoudt met het kweken van en de handel in champignons en andere paddestoelen. Bij een door de Arbeidsinspectie op 16 maart 2006 uitgevoerde controle op de naleving van de bepalingen krachtens de Wav zijn in het bedrijf van verzoekster te Waardenburg 6 personen met de Poolse nationaliteit aangetroffen, die aldaar oogstwerkzaamheden verrichtten. Voor deze personen was geen tewerkstellingsvergunning afgegeven. Daarnaast zijn in de administratie van verzoekster geen afschriften van de identiteitsdocumenten van de aangetroffen personen aanwezig. De bevindingen van de Arbeidsinspectie zijn neergelegd in een daartoe opgesteld boeterapport, welk rapport verweerder aan het thans bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster onder meer aangevoerd dat door de Regeling de eis van een tewerkstellingsvergunning voor Poolse werknemers is komen te vervallen. Dit heeft tevens tot gevolg dat de artikelen 18 en volgende van de Wav niet (meer) van toepassing zijn. Onder verwijzing naar artikel 15, eerste lid, van het IVBPR en artikel 1, tweede lid, van het WvSr dienen de gunstigste bepalingen te worden toegepast. Dit leidt in onderhavig geval ertoe dat bij het laten verrichten van arbeid zonder tewerkstellingsvergunning geen sprake meer is van overtreding van artikel 2 van de Wav en evenmin van een beboetbaar feit als bedoeld in artikel 18 van de Wav.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dienen bij deze beslissing de belangen van partijen betrokken te worden, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

De voorzieningenrechter stelt vast dat door het vervallen van paragraaf 19a sprake is van een wijziging van het betrokken wettelijk voorschrift. Ingevolge vaste jurisprudentie vindt bij een wijziging van een overtreden wettelijk voorschrift artikel 1, tweede lid, van het WvSr slechts toepassing indien de verandering berust op gewijzigd inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van het feit.

Nu naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet uit te sluiten is dat het vervallen van paragraaf 19a berust op gewijzigd inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van het feit, bestaat er reeds hierom twijfel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, in ieder geval voor zover het ziet op overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

Gelet op het vorenstaande en mede gezien de omstandigheid dat een evident spoedeisend belang bij onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit onvoldoende is aangetoond of aannemelijk gemaakt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter acht voorts termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644, zijnde kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Ten slotte dient de Staat der Nederlanden het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

schorst het bestreden besluit tot zes weken na de datum van verzending van het besluit op bezwaar;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad € 285 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2007.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op: 14 augustus 2007