Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB1603

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-07-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
152990
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bestendig gebruik gemeentegrond door eigenaar van aan gemeentegrond grenzende grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 152990 / KG ZA 07-141

Vonnis in kort geding van 2 juli 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat en procureur mr. A.A. Voets te Druten,

tegen

GEMEENTE DRUTEN,

zetelende te Druten,

gedaagde,

procureur

advocaat mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte tot vermeerdering van eis

- de mondelinge behandelingen op 19 maart 2007 en

25 juni 2007

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota’s van de gemeente.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is sinds ongeveer tien jaar eigenaar van het pand aan de [adres] te [woonplaats], ook wel [naam van pand] genoemd. [eiser] voert in dit pand zijn dierenartspraktijk en voorts verhuurt hij het pand aan drie bedrijven. Er werken ongeveer 25 á 30 mensen in het pand.

2.2. Naast [naam van pand] loopt een pad dat bij verkeersbesluit van 1971 de bestemming fietspad heeft gekregen en sinds die tijd ook als zodanig wordt gebruikt (hierna aan te duiden als het pad) Het pad loopt van de [straatnaam] naar de [straatnaam]. [eiser] maakt vanaf dat hij in het [naam van pand] is gevestigd gebruik van het pad om zijn auto aan de achterkant of zijkant van [naam van pand] te kunnen parkeren, grotendeels op eigen terrein. Ook de overige gebruikers van [naam van pand] doen dat. Aan de zijkant van [naam van pand] staan gemiddeld vijf auto’s geparkeerd. Eens per twee jaar rijdt [eiser] met zijn hoogwerker over het pad om deze hoogwerker achter [naam van pand] te installeren ten behoeve van grootonderhoud aan het pand.

2.3. De gemeente heeft met ingang van 1 januari 2007 in de [straatnaam] de zogenaamde “blauwe parkeerzone” ingesteld, inhoudende dat parkeren in de [straatnaam] nog slechts is toegestaan voor een periode van twee uur. De bewoners die in de blauwe zone wonen dienen van gemeentewege zoveel mogelijk te parkeren op eigen grond.

2.4. Bij brief van 22 februari 2007, verzonden 23 februari 2007, heeft de gemeente aangekondigd het pad te willen herinrichten. Aan dit vonnis is een overzichtskaartje gehecht dat ter zitting van 19 maart 2007 is overgelegd, waarop is te zien hoe de gemeente het pad en de omringende grond wil herinrichten. Het pad en de omringende grond zijn eigendom van de gemeente. Het aanleggen van de groenvoorzieningen is in overeenstemming met het bestemmingsplan.

Door de aanleg van de groenstrook, in het bijzonder het gedeelte langs [naam van pand] met de vorm van een wybertje (hierna aan te duiden als de groenstrook), zal [eiser] minder auto’s aan de zijkant van [naam van pand] kunnen (laten) parkeren.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert na vermeerdering van eis samengevat - dat de gemeente zal worden veroordeeld de geplande werkzaamheden voor zover ze de groenstrook betreffen te staken en gestaakt te houden en, voor zover de gemeente al uitvoering heeft gegeven aan de werkzaamheden, de gemeente zal worden veroordeeld het pad en de omringende grond in de oude staat te herstellen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat de gemeente in strijd handelt met het verbod c.q. gebod.

3.2. [eiser] legt aan deze vorderingen ten grondslag dat hij door de aanleg van de groenvoorzieningen niet meer in staat is met zijn auto, bus met aanhanger (bedrijfsmiddel voor de praktijk) en hoogwerker bij de achterkant van zijn pand te komen, omdat de indraairuimte te krap is geworden. Voorts kunnen er naast [naam van pand] geen vijf auto’s meer worden geparkeerd, doch hooguit drie, terwijl er door het instellen van de blauwe zone vóór [naam van pand] minder parkeerplaatsen te benutten zijn. [eiser] stelt dat hij door de aanleg van de groenstrook zwaar in zijn belangen wordt getroffen, terwijl het belang van de gemeente bij de groenstrook nihil is. [eiser] stelt daarom dat de gemeente met het aanleggen van de groenstrook in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dan wel onrechtmatig jegens hem handelt.

3.3. De gemeente stelt dat zij eigenaar is van de grond en de inrichting daarvan mag bepalen op een wijze die haar voorstaat, mits passend in het bestemmingsplan. [eiser] stelt weliswaar dat hij eerder met vijf auto’s naast [naam van pand] kon parkeren, maar hij stond daarbij wel met de auto’s gedeeltelijk op de grond van de gemeente geparkeerd, aldus de gemeente.

De gemeente stelt voorts wel rekening te houden met de belangen van [eiser] en daarom de groenvoorziening zo aan te willen leggen dat [eiser] nog wel met zijn auto en bus met aanhanger achter [naam van pand] kan komen en ook daarnaast nog met enkele auto’s kan parkeren. Dat [eiser] niet meer met zijn hoogwerker achter [naam van pand] kan komen, acht de gemeente een omstandigheid waarmee zij geen rekening hoeft te houden.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang vloeit voldoende voort uit de stellingen van [eiser], nu hij met name heeft betoogd voor hemzelf en de gebruikers van [naam van pand] ten behoeve van de uitoefening van hun werkzaamheden, de parkeerruimte nodig te hebben die door de aanleg van de groenvoorziening is komen te vervallen.

4.2. De gemeente stelt terecht dat zij als eigenaar bevoegd is de inrichting van haar grond te bepalen. Zij kan dit echter niet doen zonder rekening te houden met de belangen van derden, waaronder de gebruikers van haar grond.

4.3. Vast staat dat [eiser] gebruik maakt van gemeentegrond om auto’s te kunnen parkeren aan de zijkant van [naam van pand] en om met zijn bus met aanhanger en zijn hoogwerker aan de achterkant van [naam van pand] te kunnen komen. Door de aanleg van de groenvoorziening kan [eiser] geen gebruik meer maken van deze gemeentegrond, waardoor parkeerplaatsen komen te vervallen en de hoogwerker niet meer aan de achterkant van [naam van pand] kan worden geparkeerd. Dat hij dan tevens niet meer met zijn bus en aanhanger achter [naam van pand] kan komen, acht de voorzieningenrechter echter vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.4. [eiser] stelt dat het gebruik van de gemeentegrond door hem slechts minimaal is en dat niemand daarvan hinder ondervindt, ook de gebruikers van het fietspad niet. Dat er klachten van omwonenden zouden zijn over het gebruik van de gemeentegrond door [eiser] komt volgens [eiser] enkel voort uit het feit dat hij omwonenden niet wil toelaten op deze parkeerplaatsen. Nu zij daarover teleurgesteld zijn, gaan zij klagen, aldus [eiser]. De gemeente stelt dat de klachten zwaarwegend zijn en dat er door het parkeren van de auto’s wel degelijk een gevaarlijke situatie wordt gecreëerd door [eiser].

4.5. Ter zitting zijn foto’s overgelegd met daarop de situatie dat aan de zijkant van [naam van pand] vijf auto’s zijn geparkeerd. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat door die foto’s niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een verkeersonveilige situatie. Echter, de voorzieningenrechter kan wel met de gemeente meegaan in haar stelling dat de wijze waarop de auto’s zijn geparkeerd uit esthetisch oogpunt niet wenselijk is. Nu niet is betwist dat de vijf auto’s ook op andere wijze, namelijk schuin naast elkaar, geparkeerd kunnen worden, kan daarmee tegemoet gekomen worden aan de wens van de gemeente het geheel meer esthetisch verantwoord te laten zijn.

4.6. Vast staat dat de gemeente gedurende een periode van circa tien jaar heeft gedoogd dat [eiser] het fietspad gebruikt als uitrit en een stukje gemeentegrond gebruikt voor het parkeren van auto’s. De gemeente heeft zich er niet eerder op beroepen dat [eiser] niet met motorvoertuigen over het fietspad zou mogen rijden en onrechtmatig gebruik zou maken van haar grond. Ook met het invoeren van de blauwe zone heeft de gemeente [eiser] hierop niet gewezen. De gemeente heeft toen zelfs benadrukt dat aanwonenden van de [straatnaam] zoveel mogelijk op hun eigen terrein moesten parkeren. Hiermee heeft de gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt bij [eiser] dat hij het pad en de parkeerplaatsen mocht gebruiken op een wijze zoals hij deed. Dit impliceert niet dat aan deze situatie, waarin [eiser] zonder een gevestigde erfdienstbaarheid, uitdrukkelijke toestemming en/of vergoeding gemeentegrond gebruikt, nooit rechtsgeldig een einde gemaakt kan worden. Hieromtrent zullen partijen in een bodemprocedure uitsluitsel moeten vragen. In dit kort geding gaat het om de vraag of de gemeente, uit eigen beweging en zonder vooroverleg met [eiser], feitelijk een einde kan maken aan dat bestendig gebruik, of althans dat gebruik in relevante mate kan beperken. Of de gemeente hiertoe kan overgaan dient in dit kort geding te worden beoordeeld op grond van de redelijkheid en billijkheid, waarbij een belangenafweging niet achterwege kan blijven.

4.7. [eiser] heeft vooralsnog voldoende aannemelijk gemaakt grote behoefte te hebben aan het gebruik van het pad en de parkeerplaatsen. Hij verhuurt [naam van pand] aan drie bedrijven. In totaal maken vijfentwintig tot dertig mensen gebruik van het pand, van wie er een groot aantal met de auto naar het werk komt. Voorts is het aantal parkeerplaatsen voor [naam van pand] verminderd door de invoering van de blauwe zone. Hoewel de gemeente stelt dat in de nabijheid van [naam van pand] nog voldoende parkeerplaatsen zijn voor mensen die in [naam van pand] werken, is dit door [eiser] gemotiveerd weersproken. Het parkeren op eigen grond en de toegang via het pad lijken daarmee noodzaak geworden.

4.8. Hoewel de gemeente gemotiveerd heeft betoogd bijzonder belang te hechten aan de situering van groene accenten in en nabij de [straatnaam], heeft de gemeente naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het aanleggen van de groenstrook op dit moment een zwaarwegender belang dient dan het belang van [eiser] bij het behoud van zijn parkeerplaatsen. Dit geldt des te meer nu op grond van het parkeerbeleid van de gemeente het aantal parkeerplaatsen in de directe omgeving van [naam van pand] is verminderd en [eiser] noodzakelijkerwijs zoveel mogelijk auto’s op zijn eigen terrein moet parkeren.

4.9. Het bovenstaande leidt tot het voorlopig oordeel dat de gemeente in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door de groenvoorziening aan te leggen en [eiser] daarmee parkeerplaatsen te onthouden. Het gevorderde zal daarom toegewezen, zij het op een wijze als hierna bepaald. De gevorderde dwangsom zal aan een maximum worden verbonden.

4.10. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de gemeente in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op:

Vast recht € 251,00

Explootkosten € 84,31

Salaris procureur € 816,00

-------------------

Totaal € 1.151,31

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt de gemeente per datum van betekening van dit vonnis, de geplande werkzaamheden voorzover ze de groenstrook betreffen, te staken en gestaakt te houden,

5.2. veroordeelt de gemeente om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis, het gedeelte van het pad van de [straatnaam] naar de [straatnaam] voor zover het betreft de groenstrook, in de oude staat te herstellen,

5.3. veroordeelt de gemeente om ingeval zij na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven aan bovenstaande veroordelingen te voldoen, aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 per dag per overtreding, echter met een maximum van € 25.000,00,

5.4. veroordeelt de gemeente in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 1.151,31,

5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A. van Gemert op 2 juli 2007.