Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB1553

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-07-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/5817
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering van een subsidie voor woningverbetering bij rechtsopvolger onder algemene titel is mogelijk. Ten onrechte is het volledige subsidiebedrag van eiser teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/5817

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.C. Blonk,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 4 oktober 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2003 heeft verweerder op grond van de Subsidieverordening stadsvernieuwing 1999 (hierna: de Verordening) aan de heer [X] een subsidie verleend ten behoeve van werkzaamheden aan het pand [adres] te Nijmegen. Bij besluit van 14 december 2004 heeft verweerder de subsidie vastgesteld.

Bij besluit van 5 april 2006 heeft verweerder de toegekende subsidie bij de erven van de inmiddels overleden heer [X], waaronder eiser, teruggevorderd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar deels gegrond verklaard en voor het overige het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 22 juni 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door [naam] en mr. J.C. Blonk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J.C. van der Heijden.

3. Overwegingen

De rechtbank gaat in het navolgende uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde feiten.

Verweerder heeft bij besluit van 7 augustus 2003 aan de heer [X] op grond van de Verordening een subsidie toegekend van € 59.380 voor werkzaamheden aan het pand [adres] te Nijmegen (hierna: de woning). Op 3 november 2004 is de heer [X] overleden. Op 7 december 2004 hebben de erven van de heer [X] (hierna: erven [X]), waaronder eiser, de werkzaamheden aan de woning schriftelijk gereedgemeld bij verweerder. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 14 december 2004 de subsidie vastgesteld op een bedrag van € 58.295. In dat besluit staat vermeld dat de werkzaamheden binnen op 15 december 2003 zijn gereedgemeld en de werkzaamheden buiten op 19 februari 2004. In het besluit zijn de erven [X] voorts gewezen op een terugbetalingsverplichting, inhoudende dat bij verkoop van het pand binnen drie jaar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden het kan zijn dat een deel van de ontvangen subsidie moet worden terugbetaald.

Op 19 oktober 2005 is de woning door de erven [X] in eigendom overgedragen aan derden.

Bij besluit van 5 april 2006 heeft verweerder aan de erven [X] meegedeeld dat de door hen ontvangen subsidie geheel moet worden terugbetaald op grond van de bepalingen (art. 2.6.14 e.v.) van de Subsidieverordening stadsvernieuwing 2002.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van de erven [X] gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van de subsidie alsnog gebaseerd op artikel 2.56 van de Verordening. Voor het overige heeft verweerder dat besluit in stand gelaten.

Aan dit besluit heeft verweerder samengevat ten grondslag gelegd dat de woning binnen 12 maanden na gereedmelding is vervreemd, waardoor op grond van artikel 2.56 van de Verordening de subsidie in zijn geheel moet worden terugbetaald. Aan deze terugbetalingsverplichting is ook in het aan de erven gerichte besluit tot vaststelling van de subsidie gerefereerd. Volgens verweerder mag van de erven naleving van de hen opgelegde terugbetalingsverplichting worden verlangd, nu zij rechtens in de plaats van de heer [X] zijn getreden na diens overlijden. Daarbij is verweerder van mening dat terugbetaling van de subsidie niet leidt tot onbillijkheid. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de verkoopprijs van de woning niet minder bedraagt dan de som van de geïndexeerde oorspronkelijke koopsom en de eigen bijdrage in de gesubsidieerde kosten.

Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4.1.2, vierde lid, van de Subsidieverordening Stedelijke Vernieuwing 2005 gelden de bepalingen van de Subsidieverordening 1999 ten aanzien van subsidie-aanvragen met betrekking tot panden in Nijmegen–West die voorkwamen op bijlage 2 bij de Subsidieverordening Stadsvernieuwing 2002.

In artikel 2.49, negende lid, van de Verordening is bepaald dat de gesubsidieerde werkzaamheden moeten worden gereedgemeld. Op grond van het veertiende lid van dit artikel bevat de gereedmelding een volledig ingevuld gereedmeldingsformulier en een aantal in dat artikellid nader genoemde documenten.

Ingevolge artikel 2.56, eerste lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, is de aanvrager die een bijdrage ineens heeft ontvangen en die binnen een periode tot en met de twaalfde maand na de datum van de in artikel 2.49 lid 9 bedoelde schriftelijke gereedmelding, dit pand vervreemdt, gehouden de gehele bijdrage binnen één maand terug te betalen.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt het terug te betalen bedrag, als bedoeld in het vorige lid, met 30% verminderd, indien de vervreemding als bedoeld in het vorige lid, plaatsvindt binnen de periode van de dertiende tot en met de vierentwintigste maand na voltooiing van de werkzaamheden.

In artikel 2.57, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat burgemeester en wethouders gehele of gedeeltelijke vrijstelling kunnen verlenen van de in artikel 2.56 genoemde terugbetalingsverplichting, indien naar hun oordeel nakoming van deze verplichting tot onbillijkheid leidt. Op grond van het tweede lid van dit artikel vindt het bepaalde in artikel 2.56 geen toepassing indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders genoegzaam is aangetoond dat bij de vervreemding de verkoopprijs minder bedraagt dan de som van de geïndexeerde oorspronkelijke koopsom plus de eigen bijdrage die ten behoeve van de gesubsidieerde ingreep is betaald.

Eiser heeft allereerst aangevoerd dat hij als rechtsopvolger onder algemene titel niet de aanvrager is van de subsidie als bedoeld in artikel 2.56, lid 1, van de Verordening en dat hij evenmin degene is die de subsidie heeft ontvangen in de zin van dat artikel. Hij heeft daarbij primair betoogd dat de terugbetalingsverplichting voor hem niet geldt, aangezien deze alleen de aanvrager kan betreffen. Daarnaast heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de terugbetalingsverplichting een persoonlijk karakter heeft en daarom niet op een rechtsopvolger onder algemene titel kan overgaan.

De rechtbank overweegt dat op grond van de bepalingen van de Verordening subsidie wordt verleend aan de eigenaar van de woning. Nu eiser als rechtsopvolger onder algemene titel (mede)eigenaar is geworden van de woning moet de subsidie worden geacht aan hem te zijn verleend. Verder is niet in geschil dat het besluit tot subsidievaststelling (mede) aan eiser is gericht. Een redelijke uitleg van artikel 2.56, eerste lid, van de Verordening brengt met zich dat de daarin vervatte terugbetalingsverplichting geldt voor de eigenaar van de woning, aan wie subsidie is verleend. Deze verplichting gaat dus ook eiser aan. Aangezien deze verplichting betrekking heeft op financiële verhoudingen is van een verbintenis met een persoonlijk karakter, die alleen voor de erflater had te gelden, geen sprake.

In de omstandigheden onder welke de erven [X] de woning hebben moeten verkopen ziet de rechtbank, anders dan eiser, geen aanleiding om aan te nemen dat artikel 2.56 van de Verordening buiten toepassing had moeten blijven. Daargelaten de vraag of de snelle verkoop van de woning voor de erven [X] onafwendbaar was, is het enkele feit dat de woning is verkocht bepalend zodat het oogmerk waarmee deze woning is verkocht voor de toepassing van artikel 2.56 van de Verordening niet relevant is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 23 juli 2003, LJN: AI0568), is beoogd de verordening onder meer eenvoudig en gemakkelijk hanteerbaar te doen zijn. Of daadwerkelijk is gespeculeerd (en of er winst is gemaakt) is, indien aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 2:56 is voldaan, niet van belang en kan in dat kader dan ook buiten beschouwing blijven.

Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat het pand niet binnen een jaar na gereedmelding is vervreemd, nu in het besluit tot vaststelling van de subsidie is vermeld dat de laatste werkzaamheden aan de woning op 19 februari 2004 zijn gereedgemeld. Omdat er twintig maanden tussen de gereedmelding en de vervreemding zijn gepasseerd had verweerder op grond van artikel 2.56, lid 2, van de Verordening de terugbetalingsverplichting met 30% moeten verminderen, aldus eiser.

De rechtbank stelt vast dat de melding van 19 februari 2004 niet voldoet aan de aan een gereedmelding op grond van artikel 2.49, lid 14, van de Verordening te stellen eisen. Veeleer was op die datum sprake van een (informele) mededeling dat werkzaamheden voltooid waren. Voor de toepassing van artikel 2.56, eerste lid, van de Verordening is volgens de tekst daarvan de gereedmelding, zoals hier bij formulier van 7 december 2004 heeft plaatsgevonden, bepalend. De rechtbank concludeert dan ook dat hier sprake is van verkoop binnen twaalf maanden na de gereedmelding, als bedoeld in artikel 2.56, eerste lid, van de Verordening.

Uit de tekst van artikel 2.56, tweede lid, van de Verordening, volgt naar het oordeel van de rechtbank echter dat voor de toepassing van dit artikellid niet de gereedmelding bepalend is, maar de voltooiing van de werkzaamheden. Nu aangenomen moet worden dat de werkzaamheden aan de woning op 19 februari 2004 waren voltooid, zijnde meer dan twaalf en niet meer dan vierentwintig maanden voor de vervreemding, had verweerder het op grond van lid 1 van artikel 2.56 terug te betalen bedrag met 30% moeten verminderen. De rechtbank is zich daarbij bewust van de overlap in de door lid 1 en lid 2 bestreken periodes, maar ziet, mede gelet op de strekking van deze regeling, geen aanleiding voor de door verweerder voorgestane interpretatie dat de voltooiing van de werkzaamheden in het tweede lid moet worden opgevat als “na de schriftelijke gereedmelding”. Deze strekking is immers dat de termijn waarbinnen de ontvangen subsidie moet worden terugbetaald, afhankelijk is van de duur van het feitelijk genot dat de eigenaar heeft gehad van de verbeteringen waarvoor de subsidie is verleend.

Door de genoemde vermindering met 30% achterwege te laten heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 2.56 van de Verordening. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op het voorgaande kan de stelling van eiser dat hij vanwege de inhoud van het besluit tot vaststelling van de subsidie er op mocht vertrouwen dat 19 februari 2004 als datum van gereedmelding heeft te gelden, onbesproken blijven.

De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Daartoe wordt overwogen dat eiser in bezwaar en beroep heeft bestreden dat verweerder geen (gehele of gedeeltelijke) vrijstelling van de terugbetalingsverplichting op grond van artikel 2.57, tweede lid, van de Verordening hoefde te verlenen. Eiser heeft gemotiveerd aangevochten dat bij de vervreemding van de woning de verkoopprijs meer bedroeg dan de som van de geïndexeerde oorspronkelijke koopsom plus de eigen bijdrage die ten behoeve van de gesubsidieerde ingreep is betaald. Naar ter zitting is gebleken heeft verweerder bij het weerleggen van deze stelling van eiser de jaarlijkse indexatie geschat op 10% per jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is deze methode onvoldoende betrouwbaar en geobjectiveerd om de oorspronkelijke geïndexeerde koopsom te kunnen bepalen. Bij het beoordelen van de eventuele vrijstelling van de betalingsverplichting, had het uit een oogpunt van zorgvuldigheid op de weg van verweerder gelegen om bij het vaststellen van de geïndexeerde koopsom concrete indexatiecijfers te hanteren die aan de regionale of lokale woningprijsontwikkeling zijn ontleend.

Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiser heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de gemeente Nijmegen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de gemeente Nijmegen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 141 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.A.M. van Hoof, als voorzitter, mr. W.H.A. Bouwens en mr. E. Klein Egelink als rechters, en in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2007.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:30 juli 2007.