Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB1398

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/716
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2010:BL7152, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Awbz. Indicatie zorg door CIZ. Ondersteunende begeleiding algemeen (OBalg), ondersteunende begeleiding dag (OBdag) en Persoonlijke verzorging (PV). Protocollen. Niet meewerken aan onderzoek. Schoolgaand. Logeeropvang, gezinsbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/716

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X], eiseres, wettelijk vertegenwoordigd haar ouders [ouders], wonende te [woonplaats],

vertegenwoordigd door mr. G.B.A. Bol,

en

het Centrum indicatiestelling zorg CIZ, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 25 januari 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2006 heeft verweerder de omvang van de aan eiseres van 1 januari 2006 (tot 1 januari 2008) te verlenen zorg per week ingevolge de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd op:

ondersteunende begeleiding algemeen klasse 2 (2 tot 3,9 uur);

ondersteunende begeleiding dag klasse 2 (2 dagdelen);

verblijf kortdurend klasse 2 (2 etmalen).

Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. De inhoud van het bestreden besluit is gelijk aan de inhoud van het besluit van 19 april 2006.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 juni 2007. Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar ouders, bijgestaan door mr. G.B.A. Bol als gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.M.R Kater en mr. P. van Wolferen.

3. Overwegingen

Eiseres is op 1 januari 2006 12 jaar. Zij woont thuis en volgt speciaal onderwijs. Tot het gezin behoren nog een broer en een zus van eiseres, beiden nog schoolgaand. De vader van eiseres werkt voltijds buitenshuis, de moeder verzorgt het huishouden. Door verweerders rechtsvoorganger (het Regionaal Indicatie Orgaan) werd eerder voor eiseres een indicatie vastgesteld, leidend tot toekenning van een persoonsgebonden budget (PGB). Met een aanvraag gedateerd 7 november 2005 is namens eiseres aan verweerder verzocht om een vervolgindicatie per 1 januari 2006. Verweerder heeft daarop de hiervoor vermelde indicaties vastgesteld. Eiseres voert daartegen aan dat zowel voor wat betreft ondersteunende begeleiding algemeen (hierna: OB alg) als voor ondersteunende begeleiding dag (hierna: OB dag) de indicatie te laag is vastgesteld, zij wil daarvoor respectievelijk de klassen 6 en 4 geïndiceerd zien.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bestaat slechts aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

In artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit wordt aangewezen welke vormen van zorg onder artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ worden verstaan. Hieronder valt onder meer de ondersteunende begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BZA). Daarin is bepaald dat ondersteunende begeleiding ondersteunende activiteiten omvat in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem, gericht op bevordering of behoud van zelfredzaamheid of bevordering van de integratie van de verzekerde in de samenleving, te verlenen door een instelling.

Ingevolge het derde lid van artikel 2 van het BZA bestaat de aanspraak op zorg slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

Ter nadere invulling van de begrippen doelmatige zorgverlening en redelijkerwijs aangewezen zijn heeft verweerder beleid ontwikkeld. Ten tijde van het bestreden besluit was dat beleid (onder meer) neergelegd in het Protocol Indicatiestelling voor Ondersteunende Begeleiding (hierna: het protocol).

Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat verweerder, gelet op de bij hem aanwezige deskundigheid, in beginsel een ruime mate van vrijheid toekomt met betrekking tot de binnen het kader van de toepasselijke regelgeving bij zijn beoordeling aan te leggen indicatiemaatstaven. Naar het oordeel van de rechtbank is het door verweerder vastgestelde beleid, zoals onder meer vastgesteld in het protocol, als redelijk aan te merken.

Verweerder heeft met betrekking tot de onderhavige indicatie rapport laten uitbrengen door CIZ- arts M. van Wamel. Uit het rapport van die arts van 29 maart 2006 blijkt (onder meer) dat als diagnose is gesteld: adhd, hypermobiliteit, schrijfproblemen en allergische astma. Voorts blijkt daaruit dat eiseres is aangewezen op een rolstoel, een normale intelligentie heeft, adl-zelfstandig is en dat zij maximaal 500 meter kan lopen. Op school zijn met betrekking tot schrijven en zitten enkele voorzieningen getroffen op basis van andere regelgeving. Tevens blijkt uit dat rapport dat informatie werd ingewonnen bij de behandelend sector (kinderarts, arts maatschappij en gezondheid, revalidatiearts, radioloog en ergotherapeut). Genoemde arts heeft nader gerapporteerd op 29 augustus 2006, na een gesprek met de eiseres behandelend neuroloog Brussel.

Voorts is op 18 oktober 2006 gerapporteerd door CIZ-arts D. van Veenendaal, met daarin verwerkt informatie van de behandelend revalidatiearts en de behandelend pedagoog. In bezwaar is door de medisch adviseur van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) gerapporteerd zoals is weergegeven in het schrijven van het CVZ van 18 januari 2007.

Naar door verweerder wordt erkend, zijn de voorhanden medische stukken deels tegenstrijdig en onduidelijk, hetgeen voor verweerder reden zou zijn voor verder onderzoek. Voor een dergelijk onderzoek, hier door een orthopedagoog of psychiater, heeft verweerder de medewerking van de ouders van eiseres nodig en die medewerking werd niet verleend, omdat de ouders een dergelijk onderzoek als stigmatiserend ervaren. Die keuze moet voor rekening van eiseres worden gelaten, gevolg was dat verweerder moest besluiten op basis van de voorhanden gedingstukken. Aan die omstandigheid kan onvoldoende afdoen dat, zoals ter zitting is aangevoerd, de door de ouders in beroep alsnog ingeschakelde orthopedagoog desgewenst wil verklaren dat de door de ouders eerder al geconsulteerde pedagoog drs. W. Van Koppenhagen net zo deskundig is als hij, de orthopedagoog.

In het protocol is vastgelegd dat thuiswonende kinderen met complexe problematiek op veel levensterreinen, ter ontlasting van de mantelzorg in aanmerking komen voor de klasse 1, 2 of 3. Omdat eiseres schoolgaand is, een “reguliere voorziening” als in het protocol bedoeld, komt klasse 4 niet aan de orde. Van die norm kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Verweerder heeft klasse 2 geïndiceerd geacht, daarbij rekening houden met de daarnaast gestelde indicaties voor OB dag en voor verblijf kortdurend.

Eiseres heeft aangevoerd dat in haar geval indeling in klasse 6 gerechtvaardigd is omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden in de vorm van een (dreigende) overbelasting van de ouders. Als een van de redenen daarvoor wordt aangevoerd dat eiseres niet adl-zelfstandig is. De rechtbank kan eiseres daarin niet volgen omdat in de hiervoor vermelde medische rapporten wordt vastgesteld dat eiseres wel adl-zelfstandig is. Dat de behandelend ergotherapeut in een rapport van 28 juli 2006 daarover een ander uitspraak doet kan naar het oordeel van de rechtbank aan bedoelde medische rapportages onvoldoende afdoen. Verder is zijdens eiseres aangevoerd dat zij voor haar vertier geheel is aangewezen op verblijf buitenshuis, omdat zij thuis in een sociaal isolement zou geraken. Verweerder heeft daarover aangevoerd dat van een sociaal isolement geen sprake kan zijn aangezien in het gezin nog twee andere kinderen verblijven, eiseres naar school gaat en voorts deelneemt aan een meisjesclub, rolstoelhockey en zwemmen. De rechtbank volgt verweerder in dat standpunt. Ten slotte overweegt de rechtbank dat met betrekking tot de door eiseres aangevoerde (dreigende) overbelasting van de ouders deze niet medisch is geobjectiveerd door –zoals door het protocol vereist- een verklaring van een (huis)arts. De ouders hebben de huisarts daarover niet geconsulteerd. Uit een en ander volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat verweerder niet in redelijkheid kon besluiten tot indeling in de klasse 2.

Eiseres heeft er voorts op gewezen dat eerder door andere instanties hogere indicaties zijn gesteld. Dat kan er echter niet op zich toe leiden dat verweerders besluit ondanks het vorenstaande onjuist moet worden geacht. Verweerder heeft een eigen onderzoeksplicht en is daarbij niet gebonden aan bedoelde eerder indicaties, die voorts mogelijk zijn gebaseerd op andere of toen andersluidende regelgeving. Ook het gegeven dat de eerdere indicaties hebben geleid tot een beduidend hoger PGB kan daartoe niet leiden, omdat hier louter de indicaties aan de orde kunnen komen, los van de bedragen die vervolgens daaraan door het zorgkantoor worden gekoppeld, ter bepaling van de hoogte van het PGB.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Reeds daarom is er geen grond voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. E.C.G. Okhuizen, mr. D.J. Post en mr. J.J.W.P. van Gastel, rechters, in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 7 augustus 2007