Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB1213

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
07-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/286
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB/ langdurigheidstoeslag/ formele rechtskracht/ beleid terzake langdurigheidstoeslag/ artikel 4:84 van de Awb/ weigering vanwege een opgelegde maatregel die in rechte onaantastbaar is geworden. Met verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 18 juli 2006 (LJN AY5576) overweegt de rechtbank dat de (formele) rechtskracht van een besluit uitsluitend ziet op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet op de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard. Daaruit volgt dat de door verweerder gestelde formele rechtskracht uitsluitend ziet op het opleggen van de maatregel en niet op de daaraan ten grondslag liggende vaststelling dat eiser onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB07/286

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 december 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit (verder: bestreden besluit) heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 19 april 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.A. Marinus.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Om in aanmerking te kunnen komen voor een langdurigheidstoeslag dient een persoon onder meer gedurende een ononderbroken periode van zestig maanden voldoende te hebben getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Nu aan eiser op 10 maart 2005 een maatregel is opgelegd van tien procent voor de duur van een maand omdat hij niet naar vermogen had getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, voldoet eiser niet aan deze voorwaarde. Hij komt dus niet in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag, aldus verweerder.

Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, nader ingaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

Verweerder heeft nadere invulling gegeven aan artikel 36 van de WWB door vaststelling van de Beleidsregels langdurigheidstoeslag WWB (2006). Met betrekking tot het in artikel 36, eerste lid, sub c, van de WWB genoemde criterium bevatten de beleidsregels de volgende bepaling:

“…- Slechts bij personen die geheel of gedeeltelijk de arbeidsverplichting ex artikel 9 van de Wet werk en bijstand hebben, moet er beoordeeld worden in hoeverre zij aan deze

verplichting voldoende invulling hebben gegeven.

Dit wordt beoordeeld door te kijken of er in de afgelopen 60 maandtermijnen een

maatregel opgelegd is.

Voor de periode van de laatste 36 maanden geldt dat alleen een maatregel opgelegd in de

tweede tot en met vierde categorie ingevolge artikel 7 van de Maatregelenverordening

Wet werk en bijstand mee telt.

Dit betekent dat alleen opgelegde maatregelen van 10%, of meer, mee tellen.

Voor de periode van de laatste 60 tot 36 maanden telt alleen de maatregel van de vierde

categorie ingevolge artikel 7 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand mee.

Dit betekent dat alleen opgelegde maatregelen van 100%, of meer, mee tellen….”

Naar het oordeel van de rechtbank komt verweerder met deze beleidsregel niet in strijd met de hier van belang zijnde algemeen verbindende voorschriften of treedt hij daarmee buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Zoals de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in zijn uitspraak van 4 juli 2006 (LJN: AY0259) heeft overwogen is een dergelijke beleidsregel ook in overeenstemming met de uitleg die de Staatssecretaris in zijn brief van 7 december 2004 heeft gegeven aan de commissie voor de Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II 28 870, nr. 127). Daarin is aangegeven dat de gemeenten zelf bepalen of, en in welke mate, sancties en boeten die in het verleden aan de belanghebbende zijn opgelegd in dit kader relevant zijn en dat in beginsel alleen sancties die het gevolg zijn van een verwijtbaar handelen van de belanghebbende ten aanzien van zijn arbeidsinschakeling een rol kunnen spelen.

In dit licht bezien acht de rechtbank het niet onjuist dat in deze beleidsregel besloten ligt dat ook een maatregel wegens het in het verleden (verwijtbaar) niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen als een voor de toepassing van artikel 36, eerste lid, aanhef en sub c, van de WWB relevante omstandigheid wordt aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat aan eiser bij besluit van 10 maart 2005 een maatregel is opgelegd van tien procent gedurende een maand omdat eiser niet naar vermogen had getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Eiser heeft tegen het opleggen van deze maatregel bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 mei 2005 is dit bezwaar afgewezen en tegen deze afwijzing is eiser niet in beroep gegaan. Door de afwijzing van de aanvraag om een langdurigheidstoeslag te baseren op deze maatregel heeft verweerder dan ook besloten in overeenstemming met de ter zake opgestelde beleidsregel.

Met eiser ziet de rechtbank in de beschikbare gegevens echter bijzondere omstandigheden die verweerder, met toepassing van artikel 4:84 van de Awb, aanleiding hadden moeten geven van deze beleidsregel af te wijken.

De rechtbank overweegt hiertoe ten eerste dat zij het standpunt van verweerder dat, nu de op 10 maart 2005 opgelegde maatregel rechtens onaantastbaar is geworden, ook vast is komen te staan dat eiser onvoldoende heeft getracht arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, niet deelt. Uit de uitspraak van de CRvB van 18 juli 2006 (LJN AY5576) volgt immers dat de (formele) rechtskracht van een besluit uitsluitend ziet op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet op de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard. Hieruit volgt dat de door verweerder gestelde formele rechtskracht uitsluitend ziet op het opleggen van de maatregel en niet op de daaraan ten grondslag liggende vaststelling dat eiser onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

Verder stelt de rechtbank vast dat aan eiser bij besluit van 30 juni 2005 wederom een maatregel is opgelegd omdat hij niet naar vermogen had getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en dit bezwaar is bij besluit van 11 oktober 2005 gegrond verklaard. In deze beslissing op bezwaar is door verweerder overwogen dat vast staat dat eiser verplicht is naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Daarbij dient echter de kanttekening gemaakt te worden dat niet alle algemeen geaccepteerde arbeid voor eiser passend is gezien zijn REA-indicatie, aldus verweerder. Daar er van verweerders kant geen rekening is gehouden met de door de arbeidsdeskundige geconstateerde beperkingen, ziet verweerder af van de maatregeloplegging. Immers hadden er, aldus nog steeds verweerder, rekening houdend met de met name genoemde functies en de noodzaak tot begeleiding, nadere afspraken gemaakt moeten worden met eiser in het kader van zijn sollicitatieverplichting. Tenslotte wordt door verweerder aangegeven dat eiser op korte termijn uitgenodigd zal worden voor een gesprek waarbij de sollicitatieverplichtingen aan de hand van het arbeidsdeskundigenrapport concreet zullen worden ingevuld.

De rechtbank stelt voorts vast dat met de bovengenoemde REA-indicatie wordt gedoeld op de REA-beschikking van 8 januari 2002. In deze beschikking wordt aangegeven dat eiser als arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt op grond van een medische en een arbeidskundige keuring. Uit deze keuringen is gebleken dat eiser in verband met ziekte of gebrek belemmeringen heeft bij het verrichten of het verkrijgen van werk. De REA-beschikking is geldig voor vijf jaar, vanaf 23 november 2001. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat deze REA-beschikking reeds vóór het opleggen van de maatregel op 10 maart 2005 in bezit van verweerder was.

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat verweerder zich op 11 oktober 2005 op het standpunt heeft gesteld dat, zolang er geen nadere afspraken waren gemaakt naar aanleiding van de REA-beschikking van januari 2002, een schending van de verplichting om naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen niet aan eiser kon worden tegengeworpen.

Nu dit standpunt was gebaseerd op de REA-beschikking uit 2002 valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom een overtreding van de verplichting om naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen bij de beschikking van 10 maart 2005, anders dan bij de beschikking van 20 juni 2005, wél aan eiser zou kunnen worden tegengeworpen. Ook ten tijde van de overtreding die tot de maatregel van 10 maart 2005 heeft geleid waren immers nog geen nadere afspraken over de sollicitatieverplichtingen gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder bij het bestreden besluit dan ook in redelijkheid niet de op 10 maart 2005 opgelegde maatregel aan eiser tegenwerpen in het kader van artikel 36, eerste lid, onderdeel c, van de WWB. Dit klemt te meer nu verweerder enkele dagen ná het bestreden besluit, op 12 december 2006, eiser nog heeft ontheven van de verplichtingen om naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en gebruik te maken van een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling, welk besluit wederom was gebaseerd op de REA-beschikking van 8 januari 2002.

Het bovenstaande vormt naar het oordeel van de rechtbank een bijzondere omstandigheid die verweerder, met toepassing van artikel 4:84 van de Awb, aanleiding had moeten geven om van zijn beleidsregel af te wijken. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 4:84 van de Abw niet in stand kan blijven.

Het ter zitting door de gemachtigde van verweerder aangevoerde, inhoudende dat wat hem betreft de besluiten van 11 oktober 2005 en 12 december 2006 onjuist zijn, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder is teruggekomen van zijn op 11 oktober 2005 ingenomen standpunt.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 4:84 van de Abw, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogen leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder opnieuw besluit, met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt voorts dat de gemeente Nijmegen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G. Christiaanse, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: