Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB1162

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-08-2007
Datum publicatie
06-08-2007
Zaaknummer
480735 AZ VERZ 07-7023
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ERFRECHT. Verzoek van erfgenamen om van hun verplichting tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op woning en inboedel van erflater te worden ontheven (artikel 4:33 lid 2 BW). Is aan het begrip "woning" als bedoeld in artikel 4:29 lid 1 BW voldaan? De woning van erflater kan niet als "echtelijke woning" worden aangemerkt, nu onder meer erflater en zijn geregistreerd partner soms samen in de ene woning, soms samen in de andere woning, maar ook regelmatig alleen in hun eigen woning woonden De erfgenamen zijn dan ook niet verplicht om mee te werken aan de vestiging van een vruchtgebruik op de woning en inboedel van erflater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2007, 95

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 480735 \ AZ VERZ 07-7023 \ PW/180/TS

uitspraak van 3 augustus 2007

Beschikking

in de zaak van

1. [verzoekster]

wonende te [adres]

verzoekende partij

2. [belanghebbende]

wonende te [adres]

belanghebbende

gemachtigde mr. L.A. van Els-van den Berg

en

[verweerster]

wonende te [adres]

verwerende partij

gemachtigde mr. R.J. Kramer

Partijen worden hierna [verzoekster] en [verweerster] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het verzoekschrift van 9 februari 2007

- het verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek

- het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek tevens houdende aanvullend verzoek

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 12 april 2007 inclusief de pleitnotitie van de kant van [verweerster]

- de fax van 24 mei 2007 van de kant van [verzoekster]

- de fax van 24 mei 2007 van de kant van [verweerster]

- de fax van 15 juni 2007 van de kant van [verzoekster]

- de fax van 15 juni 2007 van de kant van [verweerster]

- de faxen van 18 juni 2007 en 19 juni 2007 van de kant van [verzoekster]

De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

[verzoekster] is de dochter van de op 8 november 2006 overleden heer [naam overledene]. De [naam overledene] heeft bij testament van 30 oktober 2001, verleden voor mr. H. den Hartog, notaris te Arnhem, tot zijn enige erfgenamen benoemd:

1. [naam];

2. [verzoekster];

3. [belanghebbende].

[naam] is ondercuratele gesteld; [verzoekster] is zijn curator.

De [naam overledene] heeft vanaf 1993 een relatie met [verweerster] gehad. De [naam overledene] had tot aan zijn overlijden een woning aan [adres] (hierna: de woning).

[verweerster] heeft een woning aan [straat] te [adres].

Op 20 april 2006 hebben de [naam overledene] en [verweerster] partnerschapsvoorwaarden opgemaakt. Op 8 mei 2006 zijn de [naam overledene] en [verweerster] een geregistreerd partnerschap aangegaan.

Op 20 april 2006 heeft de [naam overledene] een testament, verleden voor mr. H. den Hartog, notaris te Arnhem, opgemaakt. Dit testament luidt, voor zover hier van belang:

“Ter aanvulling van mijn op dertig oktober 2001 voor notaris mr. H. den Hartog te Arnhem verleden testament dat ik overigens volledig in stand houd beschik ik als volgt:

Geldlegaat

I.Ik legateer, opeisbaar binnen acht maanden na mijn overlijden en vrij van successierechten, indien verschuldigd, terwijl vóór het tijdstip van opeisbaarheid geen rente is verschuldigd aan mijn partner, mevrouw [verweerster], geboren te Delft op [geboortedatum], een bedrag in contanten groot vijfenzeventigduizend euro (€ 75.000,00).

Executeurs

II. Ik benoem mijn dochter, [verzoekster], geboren te Maasluis op [geboortedatum] en mijn genoemde partner tot executeurs en tot bezorgers van mijn begrafenis/crematie met de bepaling dat zij slechts gezamenlijk bevoegd zijn alle werkzaamheden te verrichten, doch wel bevoegd zijn elkaar volmacht te verlenen.

(…)

Het is mijn nadrukkelijke wens dat mijn huis aan [adres] na mijn overlijden wordt verkocht en dit huis, zolang dit niet verkocht is, als enige bewoond wordt door mijn genoemde partner en door haar ten laste van mijn nalatenschap wordt onderhouden en verzorgd.”

[verzoekster] heeft de benoeming tot executeur niet aanvaard.

Op 17 oktober 2006 hebben de [naam overledene] en [verweerster] een overeenkomst van geldlening gesloten, waarin is bepaald dat na overlijden van de [naam overledene] de aflossing van de hoofdsom van € 75.000,00 dient te geschieden door middel van verrekening van het door de [naam overledene] aan [verweerster] gelegateerde geldbedrag van € 75.000,00.

[verweerster] heeft de erfgenamen van de [naam overledene] verzocht mee te werken aan vestiging van een vruchtgebruik op de woning en de inboedel van de [naam overledene] op grond van artikel 4:29 BW.

Tot verzekering van de vestiging van het recht van vruchtgebruik heeft [verweerster] op 2 maart 2007 conservatoir beslag op de woning laten leggen.

Het verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter ex artikel 4:33 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te bepalen dat de erfgenamen niet verplicht zijn tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik op de woning en de inboedel van de [naam overledene] en het beslag op de woning op te heffen, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten, met inbegrip de beslagkosten.

[verweerster] verzoekt de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] af te wijzen en ex artikel 4:29 lid 1 BW [verzoekster] te veroordelen binnen 10 dagen na betekening van deze beschikking medewerking te verlenen aan de vestiging van een recht van vruchtgebruik ten gunste van [verweerster] op de woning en de inboedel, met bepaling dat indien [verzoekster] niet binnen 10 dagen na betekening van deze beschikking de vereiste medewerking verleent, deze beschikking in de plaats treedt van de tot vestiging van het vruchtgebruik bestemde notariële akte, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten, met inbegrip van de beslagkosten.

Zowel [verzoekster] als [verweerster] verzoeken de kantonrechter, indien het tot de vestiging van een vruchtgebruik op de woning zou komen, te bepalen wie gehouden is tot het betalen van de hypotheekrente van de hypotheekschuld die op de woning rust.

De beoordeling

Het beoordelingskader in deze zaak wordt gevormd door artikel 4:29 lid 1 BW, waarin is bepaald dat, voor zover de langstlevende echtgenoot/geregistreerd partner, in dit geval [verweerster], van de erflater, in dit geval de [naam overledene], tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de [naam overledene] niet of niet enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap van de [naam overledene] behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de [naam overledene] en [verweerster] tezamen of door [verweerster] alleen werd bewoond, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, de erfgenamen verplicht zijn tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op die woning en die inboedel ten behoeve van [verweerster], voor zover deze dit van hen verlangt. De aanspraak op vestiging van het vruchtgebruik op de woning en inboedel staat in beginsel los van enigerlei verzorgingsbehoefte. [verweerster] behoeft niet aan te tonen dat zij aan de vestiging van het vruchtgebruik op de woning en inboedel voor haar verzorging behoefte heeft. Indien [verweerster] naar het oordeel van de erfgenamen – met het oog op haar verzorgingsbehoefte – ten onrechte aanspraak maakt op een “verzorgingsvruchtgebruik” kunnen de erfgenamen ex artikel 4:33 lid 2 BW van hun verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik worden ontheven.

Allereerst dient te worden beoordeeld of aan het vereiste van artikel 4:29 lid 1 BW, dat de woning ten tijde van het overlijden door de [naam overledene] en [verweerster] samen of door [verweerster] alleen werd bewoond, is voldaan. Voor het begrip “woning” in artikel 4:29 lid 1 BW wordt verwezen naar de uitleg van het begrip woning in artikel 1:88 BW. Als “echtelijke woning” wordt de woning gezien, die tot het woonmilieu van de echtgenoten/geregistreerd partners behoort. Onder omstandigheden zou het daarbij kunnen gaan om meerdere woningen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de woning van de [naam overledene] niet als echtelijke woning worden aangemerkt. Evenmin kunnen beide woningen als echtelijke woningen worden aangemerkt. In de eerste plaats blijkt uit het door [verweerster] in het geding gebrachte overzicht over de jaren 1998, 2001, 2002, 2003, 2005 en 2006 dat de [naam overledene] en [verweerster] soms samen in Velp, soms samen in Eys, maar ook regelmatig in hun eigen woning woonden. In 2002 woonden de [naam overledene] en [verweerster] ± 26%, in 2003 ± 50%, in 2004 ± 34% en in 2005 ± 37% bij elkaar. Het standpunt van [verweerster] dat de perioden dat de [naam overledene] en [verweerster] samenwoonden de dagen overtreffen waarop één van hen enkele dagen in de andere woning verbleef, gaat dan ook niet op. Dat de [naam overledene] en [verweerster] in 2006 nagenoeg aaneengesloten samen in de woningen in Velp of in Eys hebben gewoond en en vanaf 3 oktober 2006 tot omstreeks 12 november 2006 samen in de woning in Velp, had volgens [verzoekster] te maken met de sterk verslechterde gezondheidssituatie van de [naam overledene], hetgeen door [verweerster] niet is betwist. In de tweede plaats heeft [verweerster] nooit ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de [naam overledene] te Velp. In de derde plaats hebben de [naam overledene] en [verweerster] tot hun geregistreerd partnerschap ieder een AOW-uitkering voor alleenstaanden ontvangen en (nabestaanden)pensioen. In de vierde plaats blijkt uit de partnerschapsvoorwaarden van 20 april 2006 en uit de overeenkomst van geldlening van 17 oktober 2006 dat de [naam overledene] in Velp en [verweerster] in Eys woonde. Bovendien heeft [verweerster] in het proces verbaal van 26 mei 2006 verklaard: “Wij wonen echter niet samen.” In de vijfde plaats kan uit het testament van de [naam overledene] van 20 april 2006, nog geen zeven maanden vóór zijn overlijden, worden afgeleid dat de [naam overledene] zijn woning in Velp niet als de “echtelijke woning” beschouwde, nu de [naam overledene] in zijn testament heeft laten opnemen dat het zijn nadrukkelijke wens is dat zijn woning in Velp na zijn overlijden zal worden verkocht. Weliswaar wordt de testeervrijheid begrensd door de zorg voor de langstlevende echtgenoot/geregistreerd partner, maar dan moet er wel sprake zijn van een “echtelijke woning” om voor vestiging van een vruchtgebruik in aanmerking te komen. Dat is in deze zaak niet het geval. De vraag naar de verzorgingsbehoefte van [verweerster] in het kader van de belangenafweging als bedoeld in artikel 4:33 lid 2 BW en de vraag wie gehouden is tot betaling van de hypotheekrente, indien het tot vestiging van een verzorgingsvruchtgebruik zou komen, behoeven dan ook geen bespreking meer.

Nu de woning van de [naam overledene] in Velp niet kan worden aangemerkt als een “echtelijke woning” als bedoeld in artikel 4:29 lid 1 BW zijn de erfgenamen niet verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op die woning en die inboedel ten behoeve van [verweerster]. Het verzoek van [verzoekster] wordt dan ook toegewezen. Dat brengt mee dat het zelfstandig verzoek van [verweerster] wordt afgewezen. Het aanvullend verzoek van beide partijen wordt bij gebrek aan belang eveneens afgewezen.

[verweerster] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten, met inbegrip van de beslagkosten, dragen.

De beslissing

De kantonrechter,

bepaalt dat de erfgenamen niet verplicht zijn tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik op de woning en de inboedel van de [naam overledene] aan [adres] in Velp;

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, met inbegrip van de beslagkosten, tot deze uitspraak aan de kant van [verzoekster] begroot op € 105,00 aan vastrecht en € 1.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorbaat;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2007.