Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB1066

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/823
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder weigert een ontheffing voor een vijver aan een A-watergang. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vestiging van een zakelijk recht ten behoeve van het waterschap op het overliggende perceel noodzakelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/823

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen,

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 januari 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen om ontheffing voor het ophogen van het maaiveld binnen de beschermingszone van A-watergang nr. 10 en het verbreden van A-watergang nr. 10 op het perceel aan de [adres] te [woonplaats].

Eiser heeft hiertegen op 18 juli 2005 een bezwaarschrift ingediend.

Op 12 april 2006 heeft eiser een tweede (herhaalde) aanvraag om ontheffing ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 10 november 2006 afgewezen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 juni 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, vertegenwoordigd door mr. K.J.T. Boersma, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.G.P.M. van de Mortel en C. Joosten, beiden werkzaam bij verweerder.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit voor wat betreft het onderdeel dat betrekking heeft op de oorspronkelijke aanvraag ten grondslag gelegd dat nu op het perceel dat aan de overkant van de watergang is gelegen ten opzichte van het perceel van eiser geen zakelijk recht is gevestigd het onderhoud van de watergang niet gewaarborgd is.

Eiser is van mening dat de eigenaar van het tegenoverliggende perceel op grond van de Keur al verplicht is werkzaamheden van verweerder toe te laten, zodat het niet nodig is dat er een zakelijk recht gevestigd wordt op dat perceel ten behoeve van verweerder. Volgens hem is het in de praktijk al zo dat het onderhoud al vele jaren vanaf het tegenoverliggende perceel plaatsvindt. Voorts voert eiser aan dat de eigenaar van het tegenoverliggende perceel wel bereid is om op basis van een jaarlijkse toezegging toe te staan dat het onderhoud aan de watergang vanaf zijn perceel plaatsvindt conform het bepaalde in het beleid. Volgens eiser is daarmee het onderhoud gegarandeerd. Om aan verweerder extra zekerheid te verlenen is eiser bereid als voorwaarde voor de ontheffing te accepteren dat hij verplicht is bij de verkoop van zijn perceel de oorspronkelijke situatie te herstellen. Eiser heeft verder een verklaring overgelegd van een naburige tuinder die water onttrekt aan de sloot waaraan de vijver grenst voor de beregening van zijn fruitbomen. Deze tuinder zou de vijver graag gehandhaafd zien, omdat deze fungeert als waterbuffer voor de sloot.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de Keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland (hierna: de Keur) op het voorliggende van toepassing is nu het bestreden besluit genomen is op 9 januari 2007 en deze keur op 1 januari 2007 in werking is getreden en geen voor het voorliggende geval relevante overgangsrechtelijke bepalingen bevat.

Ingevolge artikel 15, aanhef en onder b, van de Keur is het verboden, tenzij anders door het bestuursorgaan is bepaald, in, op, onder en boven de kern- en beschermingzones van waterstaatswerken werken aan te brengen of te hebben.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van de Keur wordt onder werken verstaan: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen met toebehoren.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Keur, kan het bestuursorgaan van de in deze Keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen in artikel 5 tot en met 16, vrijstelling dan wel ontheffing verlenen.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Eiser heeft een perceel in eigendom dat grenst aan een A-watergang. Hij heeft op zijn perceel het maaiveld in de beschermingszone verhoogd en een vijver aangelegd welke direct grenst aan de A-watergang. Het aan de andere kant van de watergang gelegen perceel is in particulier eigendom van een ander dan eiser. Nadat verweerder eiser begin 2003 op de hoogte heeft gebracht dat de door hem aangebrachte wijzigingen op grond van de Keur niet zijn toegestaan, heeft eiser een ontheffing aangevraagd. Ondanks pogingen daartoe is eiser er niet in geslaagd de medewerking van de eigenaar van het tegenoverliggende perceel te krijgen bij de vestiging van een zakelijk recht ten behoeve van verweerder op dat perceel.

Verweerder heeft de beleidsvrijheid die hij heeft bij het verlenen van ontheffingen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Keur ingevuld door het vaststellen van beleidsregels. Deze zijn neergelegd in de zogenaamde Beleidsregels Keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland, in werking getreden op 1 januari 2007 (hierna: de beleidsregels).

In paragraaf 3.2.2.1 van de beleidsregels is bepaald dat een aanvraag om ontheffing van het verbod van artikel 15, aanhef en onder b, van de Keur wordt getoetst aan de algemene toetsingscriteria uit de beleidsregels en dat de aanvrager een bijzonder belang dient aan te tonen.

Voorts is in genoemde paragraaf 3.2.2.1 van de beleidsregels aangegeven dat voor A-watergangen geldt dat aanvragen tevens aan bijzondere criteria worden getoetst. Hieronder valt onder meer het criterium dat aan de overzijde een goed toegankelijk openbaar eigendom of een obstakelvrije onderhoudsstrook moet liggen die in eigendom bij het waterschap is dan wel dat aan die zijde een zakelijk recht moet zijn gevestigd. In een dergelijk zakelijk recht moet de overliggende eigenaar:

- het eenzijdig onderhoud van de watergang van zijn perceel accepteren;

- te allen tijde toegang verlenen tot zijn perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel;

- de algehele ontvangstplicht van zowel maaisel/bagger e.d. afkomstig van het onderhoud van de watergang accepteren.

Gelet op de beleidsvrijheid die aan verweerder toekomt, is een terughoudende toetsing door de rechter van het door verweerder gevoerde beleid aangewezen.

Blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting is het doel van verweerder bij het stellen van de in de beleidsregels neergelegde eis van het verkrijgen van een zakelijk recht op het tegenoverliggende perceel gericht op het, ook op langere termijn, veilig stellen van mogelijkheden om onderhoud te plegen aan de betreffende watergang. Tevens acht verweerder het van belang op deze manier de expliciete instemming van de eigenaar van het tegenoverliggende perceel te verkrijgen met een grotere belasting van zijn perceel met onderhoudswerkzaamheden voortvloeiend uit het feit dat het perceel van de aanvrager daarvoor niet langer bruikbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat de beleidsregels niet kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist is.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vestiging van een zakelijk recht noodzakelijk is, opdat ook opvolgende zakelijk gerechtigden van het tegenoverliggende perceel gebonden zijn. Om die reden kan niet gezegd worden dat verweerder genoegen moet nemen met de bereidheid van de huidige eigenaar van het tegenoverliggende perceel om op basis van een jaarlijkse toezegging onderhoud toe te staan. Alleen al uit het feit dat de bereidheid steeds slechts een toezegging voor één jaar betreft, blijkt dat van een duurzame instemming geen sprake is. Daarnaast bieden de overige toezeggingen van eiser geen oplossing voor de problemen die verweerder mogelijk door de wijzigingen bij het uitvoeren van zijn onderhoudstaken kan gaan ondervinden.

Voorts is van bijzondere omstandigheden die verweerder ertoe hadden moeten brengen af te wijken van het beleid niet gebleken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat als een dergelijke omstandigheid niet wordt aangemerkt dat eiser de vijver al heeft aangelegd en dat hij schade lijdt als hij deze moet verwijderen. Ook het feit dat een naburige tuinder om handhaving van de vijver heeft verzocht, wordt door de rechtbank niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid gezien, nu niet is gebleken dat het verwijderen van de vijver tot grote problemen voor de betreffende tuinder leidt, waarin niet op een andere manier kan worden voorzien.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen voor wat betreft dit onderdeel van dat besluit.

Herhaalde aanvraag

Voor wat betreft het onderdeel van het bestreden besluit dat ziet op de aanvraag van eiser van 12 april 2006 overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel er naar het oordeel van de rechtbank bij een herhaalde aanvraag geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:18 en 6:19 van de Awb, mocht eiser er volgens de rechtbank van uitgaan dat hij tevens bezwaar had gemaakt tegen de beslissing op zijn herhaalde aanvraag. De reden hiervoor is dat verweerder zelf in het besluit van 10 november 2006 aangeeft dat hij ervan uitgaat dat het bezwaar van 18 juli 2005 mede gericht is tegen dit besluit.

De rechtbank stelt vast dat bij deze aanvraag, evenals bij de eerdere aanvraag, geen sprake was van de vestiging van een zakelijk recht op het tegenoverliggende perceel. Ook overigens heeft eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten zijn voor verweerder de aanvraag wederom inhoudelijk te beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Conclusie

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de aangevoerde gronden tegen het bestreden besluit geen doel treffen. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M.A. van Eck, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 1 augustus 2007