Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB1009

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
498783 VV Expl. 07-20070
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

kort geding inzake ontslag tijdens proeftijd. Beroep op nietigheid dienstverband ivm ontslag aangezegd door statuair onbevoegde persoon, misbruik van bevoegdheid en strijd met goed werkgeverschap. Kort gedingrechter heeft hiervoor genoemde verweren verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis in kort geding

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 498783 \ VV EXPL 07-20070 \ 107 MS

uitspraak van 1 augustus 2007

Vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te Arnhem

eisende partij

gemachtigde mr. W.J.C. Robber

tegen

de stichting InterArt

gevestigd te Arnhem

gedaagde partij

gemachtigde mr. E. Lebesque

Partijen worden hierna [eisende partij] en InterArt genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- de dagvaarding van 9 juli 2007

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling die is gehouden op 18 juli 2007.

De feiten

[eisende partij] is op 14 mei 2007 bij InterArt in dienst getreden in de functie van zakelijk assistent van de directeur. De overeengekomen arbeidsduur bedraagt 24 uur per week.

De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een periode van 1 jaar, met een proeftijd van 1 maand.

In de arbeidsovereenkomst is vastgelegd, dat beide partijen de intentie hebben om het contract na een jaar voort te zetten.

[eisende partij] zou een jaar lang intensief worden begeleid door [x] die als extern adviseur nauw verbonden is aan InterArt.

Op woensdag 11 juni 2007 heeft [eisende partij] zich ziek gemeld.

Op 13 juni 2007 ontvangt [eisende partij] een brief, gedateerd 12 juni 2007, waarin de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang wordt opgezegd. De brief is ondertekend door [y], algemeen coördinator bij InterArt.

Bij brief van 18 juni 2007 heeft [eisende partij] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard (in de toekomst) de bedongen arbeid te verrichten.

Het geschil en de beoordeling daarvan

[eisende partij] vordert, kort samengevat, betaling van (deels achterstallig) loon en vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en rente. Hij legt aan zijn vordering ten grondslag dat er niet op rechtsgeldige wijze een einde is gekomen aan het dienstverband. InterArt heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Voorop wordt gesteld dat zal moeten worden beoordeeld of -uitgaande van de nu vaststaande feiten- de vordering van [eisende partij] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het toewijzen daarvan bij wege van voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Daarvan uitgaande overweegt de kantonrechter als volgt.

[eisende partij] heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de opzegging van het dienstverband nietig is omdat de opzeggingsbrief niet is ondertekend door een daartoe statutair bevoegde persoon. Die stellingname moet worden verworpen. Een statutaire bevoegdheid is niet vereist voor een rechtsgeldige opzegging van een dienstverband. Ook het uitgangspunt van [eisende partij] dat [y] hem geen ontslag kon aanzeggen omdat ze een werkneemster was die op gelijk niveau met hem stond, snijdt geen hout. Niet alleen bevond [eisende partij] zich nog in de proeftijd en kan bezwaarlijk worden gesteld, dat je dan op hetzelfde niveau functioneert als iemand die al langere tijd in dienst is, maar bovendien is van de zijde van InterArt voldoende aannemelijk gemaakt, dat [y] als algemeen coördinator de directeur bij haar afwezigheid vervangt en dus ook (namens de directie) ontslag aan kan zeggen. De ontslagaanzegging is bovendien gesanctioneerd door de directeur van InterArt, mevrouw [z]. Dat die sanctionering heeft plaatsgevonden in reactie op de stellingname van [eisende partij] op dit punt en dus nadat de proeftijd was verstreken, kan daar niet aan af doen.

Voorts heeft [eisende partij] -zonder daar onderscheid tussen te maken- een beroep gedaan op misbruik van bevoegdheid en strijd met goed werkgeverschap. Daaraan verbindt hij kennelijk de conclusie dat het ontslag op die gronden nietig c.q. vernietigbaar is, want hij vordert (doorbetaling van) loon. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak is reeds aangegeven, dat het maar zeer de vraag is of een loonvordering op juridische gronden in een geval als dit toewijsbaar is. Nadere bestudering van jurisprudentie en gezaghebbende literatuur leidt tot het oordeel, dat in ieder geval overtreding van artikel 7:611 BW (betreffende goed werkgever- en werknemerschap) niet leidt tot nietigheid c.q. vernietigbaarheid van een gegeven ontslag, maar hoogstens (en dat alleen nog in bijzondere gevallen) tot een aanspraak op schadevergoeding. Ten aanzien van de vraag of handelen in strijd met art. 3:13 BW wel kan leiden tot nietigheid c.q. vernietigbaarheid van een tijdens de proeftijd gegeven ontslag, bestaat (afgezien van overtreding van discriminatieverboden waarbij de vernietigbaarheid uit de wet volgt), meer onduidelijkheid. Nog afgezien van het feit, dat onzekerheid met zich brengt dat in een kortgeding procedure niet al te gemakkelijk ervan uit mag worden gegaan, dat de bodemrechter een bepaalde vordering toewijst, valt niet in te zien in hoeverre in het onderhavige geval sprake zou kunnen zijn van misbruik van bevoegdheid. Dat criterium lijkt alleen toepasbaar op de veronderstelling van [eisende partij] dat het ontslag verband zou kunnen houden met zijn ziekmelding, maar op dat punt bestaat in ieder geval géén onduidelijkheid. In artikel 7:670b lid 1 BW is immers expliciet bepaald, dat het opzegverbod bij ziekte tijdens de proeftijd niet geldt.

Alleen al in het licht van hetgeen hiervoor is vastgesteld, kan niet worden geoordeeld, dat aannemelijk is dat een rechter in een bodemprocedure de vordering zal toewijzen. Ten overvloede wordt nog opgemerkt, dat InterArt en [eisende partij] bovendien van mening verschillen over de niet onbelangrijke vraag of het functioneren van [eisende partij] al dan niet beneden de maat was. Volgens [eisende partij] functioneerde hij goed, maar hij heeft de door InterArt gegeven voorbeelden van tekortschieten niet (gemotiveerd) weersproken. [eisende partij] heeft in dat verband wel aangevoerd, dat hij onvoldoende begeleiding kreeg en dat zijn functie anders werd ingevuld dan was afgesproken, maar dat is in het licht van de gemotiveerde betwisting van de zijde van InterArt niet komen vast te staan. In ieder geval is niet gesteld of gebleken, dat [eisende partij] daar gedurende de uitvoering van zijn werkzaamheden een punt van heeft gemaakt.

De vordering van [eisende partij] zal worden afgewezen en hij zal bovendien als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende bij wijze van voorlopige voorziening;

wijst de vordering af;

veroordeelt [eisende partij] in de kosten van de procedure, welke kosten aan de zijde van InterArt worden begroot op € 200,-.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.I.A. Schlaghecke-Bouman en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2007.