Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB0514

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-07-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/4576
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opslag zand en grind in strijd met bestemmingsplan? Reikwijdte overgangsrecht: vigerende natuurbestemming nooit gerealiseerd op terrein en aan opslag is inherent dat hoeveelheden en precieze locaties kunnen wisselen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB06/4576

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Stichting Gelderse Milieufederatie en Staatsbosbeheer Regio Oost, eisers,

gevestigd te Arnhem, respectievelijk Deventer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ubbergen, verweerder,

alsmede

[B.V.], partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te Kekerdom, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 10 juli 2006, bekendgemaakt op 27 juli 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2006 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eisers om handhavend op te treden inzake de gestelde strijdigheid met de gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan op het bedrijventerrein van De Beijer B.V. (verder: belanghebbende) aan de Kekerdomse Ward 3 te Kekerdom.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Voorts heeft belanghebbende zich als partij in het geding doen stellen. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 11 mei 2007. Namens eisers zijn aldaar ir. B.H.J.D. Oosting en ir. A. Snel verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. C.H. van Marle, ambtenaar van de gemeente. Namens belanghebbende is [X] verschenen, bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit, samengevat, ten grondslag gelegd dat eisers, blijkens hun statuten, ontvankelijk zijn in hun handhavingsverzoek en hun bezwaren. Volgens verweerder is het gebruik van de gronden ten oosten van de dam op het terrein van belanghebbende weliswaar in strijd met de thans vigerende bestemming, maar is voldoende aannemelijk dat dit gebruik onder het overgangrecht van het huidge, respectievelijk het voorgaande bestemmingsplan valt. Volgens verweerder is geen sprake van uitbreiding of intensivering van dit gebruik in planologisch relevante zin. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, voor zover toch sprake zou zijn van strijdigheid, er concreet zicht op legalisering bestaat nu een herziening van het bestemmingsplan wordt voorbereid om de bedrijfsactiviteiten positief te bestemmen.

Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen en hebben zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat uit luchtfoto's uit 1992 en later blijkt dat wel sprake is van uitbreiding en intensivering van het gewraakte gebruik dat niet door het overgangsrecht wordt gedekt. Eisers betogen voorts dat geen aanleiding bestaat de bedrijfsactiviteiten positief te bestemmen, nu overleg gaande is om tot bedrijfsverplaatsing te komen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het verzoek om handhaving heeft betrekking op het gebruik van een door eisers nader aangeduide strook grond ten oosten van de dam, op het bedrijventerrein van belanghebbende, ten behoeve van de opslag van zand en grind.

Tussen partijen is niet in geschil dat dit gebruik van de betreffende gronden niet in overeenstemming is met de ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2003" aan die gronden gegeven bestemming "Natuurgebied".

Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de voorschriften van dit geldende bestemmingsplan, mag een gebruik van de onbebouwde grond en/of de opstallen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond en dat afwijkt van de bestemming en/of voorschriften, worden voortgezet en/of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in meerdere mate gaat afwijken van het plan.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Dit plan is op 21 oktober 2004 van kracht geworden. Tussen partijen is evenmin in geschil dat het gewraakte gebruik op deze peildatum reeds plaatsvond. Beoordeeld dient derhalve te worden of het gebruik reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan "Steenfabriek Kekerdom 1991" en de daarin opgenomen overgangsbepaling.

Onder vigeur van dat oude plan "Steenfabriek Kekerdom 1991" hadden de bewuste gronden de bestemming "Natuurgebied met waterstaatsdoeleinden". De opslag van zand en grind was ook met deze bestemming niet in overeenstemming.

Op grond van artikel 8, onder B, eerste lid, van de voorschriften van dit oude bestemmingsplan mag het gebruik van de grond en/of opstallen, dat strijdig is met het plan op het tijdstip waarop het plan van kracht wordt, worden gehandhaafd.

Op grond van het tweede lid is wijziging van het met het plan strijdig gebruik van de gronden en/of opstallen verboden, tenzij door de wijziging de afwijking naar de aard niet wordt vergroot.

De datum van het van kracht worden van dit oude plan (de peildatum van deze overgangsbepaling) was 23 juli 1993.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank leidt uit de gedingstukken af, dat reeds in 1992 sprake was van opslag van zand en grind binnen de strook grond ten oosten van de dam zoals door eisers aangegeven. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam worden aangenomen dat ook op de genoemde peildatum van 23 juli 1993 sprake was van opslag. Op grond van bovengenoemde overgangsbepalingen was voortzetting van deze opslag toegestaan. Het geschil spitst zich daarmee toe op de vraag of sedertdien sprake is geweest van een wijziging, waarbij de afwijking naar de aard is vergroot, respectievelijk of sprake is van gewijzigd gebruik dat in meerdere mate is gaan afwijken van het plan.

De rechtbank merkt in dit kader op dat naar haar oordeel geen relevantie toekomt aan de door eisers gestelde omstandigheid dat aanvankelijk sprake was van de opslag van zand dat uit de naastgelegen plas was gewonnen, en nadien van opslag en overslag van elders gewonnen zand en grind. De omstandigheid dat de opslag daarmee niet langer meer als riviergebonden kan worden beschouwd, zoals eisers betogen, houdt naar het oordeel van de rechtbank nog niet in, dat sprake is van een vergroting van de afwijking van de geldende bestemming "natuurgebied" of de vroegere bestemming "natuurgebied met waterstaatsdoeleinden". Ook de opslag van klei uit de naastgelegen plas ten behoeve van de voormalige steenfabriek, waarop eisers doelen, kon niet worden beschouwd als vallend onder waterstaatsdoeleinden in de zin van de oude bestemming.

De rechtbank acht voorts van belang dat, zoals zij uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting afleidt, de aan de strook gegeven natuurbestemming nimmer is gerealiseerd. Reeds voorafgaand aan het toekennen van de natuurbestemming aan de strook grond in het oude bestemmingsplan "Steenfabriek Kekerdom 1991" maakte de strook grond deel uit van het terrein van de voormalige steenfabriek en later van het terrein van belanghebbende. Feitelijk is de strook grond ook steeds in gebruik geweest ten behoeve van deze bedrijven. Natuurontwikkeling, zoals destijds bij het toekennen van de natuurbestemming de bedoeling was, heeft binnen de strook feitelijk nooit plaatsgevonden. In dit verband hecht de rechtbank betekenis aan de stelling die ter zitting namens belanghebbende is ingenomen, inhoudende dat met name gronddepots binnen enkele maanden zodanig begroeien dat zij op een luchtfoto niet meer zichtbaar zijn. De rechtbank acht dat niet onaannemelijk. Voor zover op de in geding gebrachte luchtfoto's begroeiing is waar te nemen, duidt dit derhalve nog niet op aanwezige natuurwaarden.

Voorts merkt de rechtbank op dat aan opslag van zand en grind inherent is dat deze aan verandering onderhevig is. De hoeveelheden opgeslagen zand en grind, alsmede de precieze locatie, zullen uit de aard der zaak van moment tot moment verschillen. De rechtbank acht het dan ook niet geïndiceerd om de exacte situering en hoeveelheden van de opslag op de peildatum als uitgangspunt te nemen bij de vraag in hoeverre de opslag geacht moet worden onder het overgangsrecht te vallen, evenmin als elke verwijdering van een hoeveelheid opgeslagen zand of grind van het terrein zou kunnen worden beschouwd als het onderbreken van dat gebruik en het daarmee in zoverre vervallen van het overgangsrecht. Doorslaggevend acht de rechtbank dat, zoals namens belanghebbende is gesteld en door eisers en verweerder niet is bestreden, de opslag steeds binnen de concessiegrenzen plaatsvindt, oftewel binnen de strook die hiertoe van oudsher in gebruik is geweest.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat een enkele toename van de hoeveelheid opslag binnen de bewuste strook niet kan worden beschouwd als een vergroting van de afwijking van het plan. Met inachtneming van dit standpunt is haar niet gebleken van een dergelijke vergroting van de afwijking van het plan. De opslag waartegen het verzoek van eisers om handhaving is gericht, moet naar het oordeel van de rechtbank geacht worden te worden beschermd door het overgangsrecht. Dit houdt in dat niet is gebleken dat sprake is van een met de wet strijdige situatie die verweerder de bevoegdheid biedt om handhavend op te treden.

Aan de vraag of sprake is van een concreet zicht op legalisatie (in dit kader: het positief bestemmen van de opslag) komt de rechtbank dan ook niet meer toe.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.N. Crol als voorzitter, mr. W.F. Bijloo en mr. P.L. de Vos als rechters, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2007 in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:23 juli 2007