Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB0146

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
149529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verwijten die thans behandeling behoeven, houden samengevat in dat dBa heeft nagelaten (eiser) desgevraagd de waarde van de pensioenverzekering voor wat betreft de verwachting over de hoogte van het betaalbare pensioen mee te delen – waaronder de rechtbank begrijpt het doen van mededelingen over de ontwikkelingen in de rentestand en de gevolgen daarvan voor (eisers) verzekering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 149529 / HA ZA 06-2252

Vonnis van 4 juli 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. W.H. Bussink te Emmen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DBA ADVIES B.V.,

gevestigd te Barneveld,

gedaagde,

procureur mr. P.M. Wilmink,

advocaat mr. Ph.H.J.G. van Huizen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en dBa genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 maart 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In 1981 sluit [eiser] een pensioenverzekering af bij Zwitserleven met polisnummer [nr.]. Deze geeft recht op uitkering van f. 245.049,00 op 1 januari 2006 – het jaar waarin [eiser], op 8 maart, 65 wordt – of bij eerder overlijden. Er geldt een winstdelingsregeling. De pensioenclausule luidt:

Bij het opeisbaar worden van de Verzekering zal de Maatschappij in plaats van het verzekerde kapitaal uitsluitend uitkeren één of meer polissen van lijfrente (pensioen), ter keuze van de begunstigde(n) en ter waarde – volgens de alsdan geldende tarieven – van het opeisbare bedrag.

2.2. In 1990 start [eiser] als zelfstandig ondernemer. Hij voert overleg met dBa, die dan zijn verzekeringsportefeuille voor hem beheert, en Zwitserleven. Daarbij gaat het vooral om de arbeidsongeschiktheidsverzekering die [eiser] als zelfstandige nodig heeft. Het overleg leidt tot een aanpassing van de verzekering met polisnummer [nr.] in 1991 die in het bijzonder hierop gericht is. Het desbetreffende polisaanhangsel bevat onder meer de bepaling dat bij arbeidsongeschiktheid van [eiser] vrijstelling van premiebetaling zal gelden tot 1 januari 2006. Tijdens arbeidsongeschiktheid kan de pensioenverzekering niet gewijzigd worden.

2.3. In het onder 2.2 bedoelde overleg zijn berekeningsvoorstellen gedaan door Zwitserleven en heeft [eiser] een offerte ontvangen. Daarbij is onder meer aan de orde gekomen dat Zwitserleven een verhouding van 1:5 met betrekking tot de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsrente ten opzichte van het doelkapitaal hanteerde. Voor het eerste jaar was een arbeidsongeschiktheidsrente voorzien van f. 25.000,00, voor de volgende jaren van f. 77.744,00. Dit was de reden het doelkapitaal te verhogen.

In de offerte met bijlagen van Zwitserleven van 12 juli 1990 staat onder meer:

Bij aanvang van de verzekering wordt berekend welke koopsom op de einddatum aanwezig dient te zijn om daarmede de beoogde pensioenen op het leven van man én vrouw na de einddatum te kunnen aankopen.

en:

Vaststelling verzekerd kapitaal

Het te verzekeren kapitaal is gebaseerd op onze huidige, niet voor de toekomst te garanderen lijfrentetarieven.

2.4. In de onderhandelingen voorafgaand aan de wijziging van de verzekering was [eiser] duidelijk gemaakt dat er zeker f. 388.720,00 uitgekeerd zou worden en dat er daarnaast een winstdelingsregeling bestond. Het doelvermogen was f. 458.000,00. Afhankelijk van de rentestand op het moment waarop dit vermogen beschikbaar zou komen, zou op dat moment een pensioen kunnen worden gekocht. In de onderhandelingen werd dit pensioen berekend op f. 45.108,00.

2.5. In 1996 raakt [eiser] 100% arbeidsongeschikt.

2.6. In verband met te vestigen hypotheken informeert [eiser] in 1999 en in 2004 bij dBa naar de waarde van de pensioenverzekering. Op 21 april 1999 wijst dBa [eiser] als antwoord erop dat de polis van Zwitserleven voorziet in een kapitaalsuitkering waarvoor een pensioen moet worden aangekocht, en dat de hoogte van dit pensioen sterk afhankelijk is van de rentestand en van de te kiezen pensioenconstructie.

‘De huidige stand van de polis’ is volgens de brief van 21 april 1999 als volgt:

Verzekerd bedrag f. 388.720,00

Gerealiseerde winstbijschrijving f. 57.366,00

Huidige poliswaarde f. 446.086,00

Prognose op einddatum f. 501.022,00

Deze brief vermeldt niet de hoogte van een pensioen dat gelet op deze prognose aangekocht zou kunnen worden.

[eiser] reageert niet op deze antwoordbrief.

2.7. Een vergelijkbare correspondentie tussen partijen vindt plaats in 2004.

2.8. In 2005 krijgt [eiser] van Zwitserleven bericht dat volgens een offerte van Zwitserleven d.d. 29 november 2005 er op 1 januari 2006 op grond van de pensioenverzekering € 223.718,00 vrijkomt om een pensioen aan te kopen. Een volgende offerte geeft aan dat per jaar € 14.528,00 aan pensioen beschikbaar zal zijn.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van dBa tot betaling van

- € 7.500,00 over het jaar 2006 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2006,

- jaarlijkse betaling van € 7.500,00 met ingang van 1 januari 2007 tot aan zijn overlijden en het overlijden van zijn echtgenote,

- betaling van € 3.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2006

- buitengerechtelijke kosten ad € 904,00 en

- de proceskosten.

3.2. [eiser] stelt dat hij op grond van de in 1990 gemaakte berekeningen, ervan uit mocht gaan dat het aan te kopen pensioen ten minste € 22.000,00 per jaar zou bedragen.Hij maakt dBa een aantal verwijten:

- Hoewel hij meerdere malen heeft verzocht hem de waarde van de pensioenverzekering mee te delen, heeft dBa dit geweigerd.

- DBa heeft nagelaten hem op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in de rentestand en de gevolgen daarvan voor zijn pensioen.

- Zijn dossier is zoekgeraakt bij dBa.

- DBa heeft hem in 1999 en 2004 op de vragen naar de hoogte van zijn pensioen niet volledig geantwoord.

- [eiser] heeft reeds per 1 januari 2006 en niet pas per 8 maart 2006 pensioen moeten aankopen, waardoor zijn AO-rente per 1 januari 2006 vervallen is.

3.3. DBa voert verweer. Zij voert samengevat onder meer aan dat de gronden waarop de vordering is gebaseerd, onduidelijk zijn. De aanpassing van de polis in 1990, zo betoogt zij voorts, betrof alleen de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De lijfrentetarieven waren niet gegarandeerd en [eiser] wist dat koopsomtarieven niet werden gegarandeerd voor de toekomst omdat dit niet mogelijk was. Al in 1981 wist [eiser] dat 1 januari 2006 de expiratiedatum was. [eiser] had geen recht meer om de verzekering aan te passen omdat hij arbeidsongeschikt was. Informatie over renteontwikkelingen was zinloos. Als [eiser] al schade heeft geleden, is die lager dan door hem begroot.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser]s stelling dat hij op grond van de in 1990 gemaakte berekeningen ervan uit mocht gaan dat het per 1 januari 2006 aan te kopen pensioen ten minste € 22.000,00 per jaar zou bedragen, is onjuist voor zover hij ermee bedoelt dat de overeenkomst met Zwitserleven inhield dat een aan te kopen pensioen van ten minste deze omvang tot de mogelijkheden zou behoren. Juist op dit punt is immers, zo volgt uit de vaststaande feiten (2.1, 2.3, 2.4), steeds een voorbehoud gemaakt, dat gebaseerd was op het gegeven dat de rentestand wisselt. [eiser] heeft ter comparitie desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat de onzekerheid over de renteontwikkeling hem bekend was. Van een garantie die dit anders maakt, is geen sprake. Voor zover [eiser] bedoelt dat hij er op grond van het in 1981 voorgerekende pensioenbedrag erop mocht vertrouwen dat Zwitserleven of, later, dBa hem zou waarschuwen als dit kleiner werd, komt aan dit betoog, gelet op zijn andere stellingen, geen zelfstandige betekenis toe.

4.2. De rechtbank hecht evenmin zelfstandige betekenis aan het verwijt dat dBa op enig moment niet meer over het volledige dossier [eiser] beschikte. Dat zij niet op de hoogte was van het feit dat [eiser] in 1990 het bedrag van f. 45.108,00 was voorgerekend, acht de rechtbank op zichzelf niet verwijtbaar.

4.3. De verwijten die thans behandeling behoeven, houden samengevat in dat dBa heeft nagelaten [eiser] desgevraagd de waarde van de pensioenverzekering voor wat betreft de verwachting over de hoogte van het betaalbare pensioen mee te delen – waaronder de rechtbank begrijpt het doen van mededelingen over de ontwikkelingen in de rentestand en de gevolgen daarvan voor [eiser]s verzekering – en dat [eiser] per 1 januari 2006 en niet pas per 8 maart 2006 pensioen heeft moeten aankopen, waardoor zijn AO-rente per 1 januari 2006 vervallen is.

4.4. Het eerste en belangrijkste verwijt betreft de informatieplicht van dBa lopende de verzekering tegenover haar cliënt [eiser].

4.5. Voor zover [eiser] betoogt dat dBa ten onrechte heeft nagelaten hem op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in de rentestand en de mogelijke gevolgen daarvan voor zijn pensioen, is zijn betoog, dat uitgaat van een verplichting van dBa, in zijn algemeenheid onjuist. [eiser] was er immers van op de hoogte dat de rentestand, waarvan de hoogte van de aan te kopen lijfrentepolissen afhankelijk was, wisselt en op andere dan zeer korte tot korte termijn niet voorspelbaar is. Het zou dan ook gedurende een aantal jaren na 1981 en ook na 1990 – toen dBa bij de verzekering betrokken was – zinloos zijn geweest hem gegevens te verschaffen over het pensioen naar de rentestand van het moment waarop de gegevens verschaft werden en onmogelijk dat te doen op grond van een voorspelling voor de situatie in 2006. Zonder twijfel zou dBa in zo’n geval als [eiser] méér dan een vrijblijvend rekenvoorbeeld wenste, hem onjuist hebben voorgelicht. Dit mocht zij dus weigeren, wat onverlet laat dat zo’n rekenvoorbeeld, mits als zodanig gepresenteerd, informatief had kunnen zijn. Dat over de mede door de winstdeling ontstane groei van het beschikbare kapitaal wel voorspellingen konden worden gedaan, is niet in geschil en voor zover het om de voorspelling van het daarmee te verschaffen pensioen gaat, niet relevant.

4.6. Voor zover [eiser] zich richt op de volgens hem onjuiste en onvolledige beantwoording van de in 1999 en 2004 gestelde vragen geldt het volgende. Hier gaat het niet om een verplichting van dBa als bedoeld in de vorige overweging – welke verplichting volgens de rechtbank niet bestaat – maar om de duidelijke beantwoording van concrete vragen over het pensioen. Het tijdsverloop tot het ingaan van zijn pensioen was vanaf 1999 veel korter dan vanaf 1990. Ook kan van belang zijn dat, zoals ter comparitie aan de orde is geweest, de rentestand tussen 1981 en 1999 zeer grote fluctuaties en over het geheel genomen een forse daling had ondergaan.

4.7. [eiser] voert aan dat dBa – volgens haar website – pretendeert bij het afsluiten van de verzekeringen van haar cliënten en gedurende de looptijd daarvan de cliënten op de hoogte te houden van nieuwe marktontwikkelingen en eventuele veranderingen in de specifieke omstandigheden van de cliënten en de cliënten te adviseren als aanpassing van het verzekeringspakket en overige financiële zaken wenselijk is. De tekst van de desbetreffende website is overgelegd en dBa heeft niet weersproken dat dit haar pretentie is. De rechtbank laat thans in het midden of dit inderdaad de inhoud is die aan dBa’s zorgplicht gegeven moet worden – waarbij immers het criterium in de eerste plaats dient te zijn dat zij optreedt als een redelijk bekwaam en redelijk zorgvuldig adviseur – en zal voorshands ervan uitgaan dat mede door de hier bedoelde tekst dBa’s zorgplicht inhoud is gegeven.

4.8. De vraag wordt dan of dit dBa verplichtte tot het voorspellen van de pensioenhoogte in antwoord op [eiser]s vragen in 1999 en 2004. Uitgangspunt hierbij is dat dBa niet in zijn algemeenheid verplicht was [eiser] op de hoogte te houden van mogelijke gevolgen van rentefluctuaties voor het in 2006 te financieren pensioen, maar hem wel duidelijk moest voorlichten op zijn vragen. Voorts is van belang dat [eiser] wist dat de hoogte van zijn pensioen bepaald werd door de rentestand op of omstreeks 1 januari 2006 en dat hij na de onder 2.6 en 2.7 bedoelde antwoorden te hebben ontvangen, niet heeft doorgevraagd. Dat zijn ziekte – hoe ernstig op zichzelf ook – daarvan mede de oorzaak was, doet aan dit laatste niet af.

4.9. [eiser] stelt dat de hierboven weergegeven norm voor de door dBa te betrachten zorg, meebracht dat zij hem had moeten waarschuwen voor de gevolgen van de rentedalingen tussen 1981 en 1999 respectievelijk 2004 in antwoord op zijn vragen. Dit standpunt kan niet op voorhand worden verworpen omdat [eiser] ontegenzeggelijk terwijl hij cliënt van dBa was, ten gevolge van wijzigingen in de voor zijn pensioenverzekering relevante, specifieke omstandigheden uiteindelijk in een veel ongunstiger positie raakte dan aangeduid was in de rekenvoorbeelden uit 1981 en 1990. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het hierbij niet ging om een bij [eiser] opgewekt vertrouwen dat de rentestand een bepaald pensioen mogelijk zou maken, maar om het vertrouwen dat hij mocht hebben in dBa als adviseur.

4.10. Gezien het voorgaande constateert de rechtbank dat zich de vraag voordoet of een antwoord op zijn vragen zoals [eiser] dat gewenst had, hem in een andere situatie had gebracht. Als de vraag of dBa voldoende zorg heeft betracht, ontkennend moet worden beantwoord, betekent dat immers nog niet dat de vorderingen van [eiser] toewijsbaar zijn. Dat kunnen zij pas zijn als een tekortschieten van dBa ook tot schade heeft geleid. De volgende omstandigheden zijn daarbij van belang.

- Op zijn vroegst in 2004 was de rente in 2006 enigszins voorspelbaar, al was in 1999 al gebleken van een forse daling in vergelijking met 1981.

- 2004 lag zeer dicht voor de datum waarop het pensioen volgens de polis bepaald zou worden, hetgeen tot een forse investering zal hebben moeten leiden als op dat moment [eiser]s pensioenvoorziening nog verbeterd had moeten worden. Voor 1999 geldt dit in mindere mate.

- [eiser] kon toen ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid zijn pensioenverzekering niet meer wijzigen.

4.11. Uit het voorgaande vloeit voort dat [eiser]s stelling dat het nalaten van dBa hem hetzij in het algemeen hetzij op zijn in 1999 en 2004 gestelde vragen heeft geleid tot schade die – grofweg en in hoofdzaak – bestaat uit het verschil tussen het in 1990 voorgerekende en het uiteindelijk beschikbare pensioen, onjuist is. De rechtbank zal hem echter in de gelegenheid stellen bij akte aan te geven welke tekortkoming hij dBa verwijt in het veel beperkter kader dat in dit vonnis is aangegeven (4.5-4.9) en welke schade daarvan het gevolg zou zijn.

4.12. Wat betreft het verwijt dat [eiser] reeds per 1 januari 2006 en niet pas per 8 maart 2006 pensioen heeft moeten aankopen, omdat de pensioenverzekering voorzag in 1 januari 2006 en niet 8 maart 2006 – de dag waarop [eiser] 65 werd – als einddatum, overweegt de rechtbank het volgende. De polis en de polisaanhangsels zijn duidelijk over de datum 1 januari 2006 (2.1, 2.2). Daar komt bij dat [eiser] de achtergrond hiervan zoals die ter comparitie is meegedeeld – het vaste gebruik bij Zwitserleven om met kalenderjaren te werken – niet heeft betwist. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank niet in hoe dBa van het hanteren van deze datum een verwijt gemaakt kon worden. Dit onderdeel van [eiser]s betoog wordt daarom verworpen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 augustus 2007 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder 4.11,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2007.