Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB0125

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
141966+141969
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring; 3:307 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

Vonnis in gevoegde zaken van 13 juni 2007

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 141966 / HA ZA 06-1061 van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. F.J. Boom,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

en tegen

3. [gedaagde3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde, tussenkomende partij in de procedure tussen eiser en gedaagden 1. en 2.,

procureur mr. F.J. Boom,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 141969 / HA ZA 06-1062 van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. F.J. Boom,

tegen

1. [gedaagde1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. H. van Ravenhorst.

en tegen

3. [gedaagde3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde, tussenkomende partij in de procedure tussen eiser en gedaagden 1. en 2.,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. P. van der Mersch te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde1], [gedaagde2], [gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3] genoemd worden.

1. De procedure in de zaak 06-1061

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 januari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 26 april 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de zaak 06-1062

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 januari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 26 april 2007.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. [eiser] is de jongere broer van [gedaagde3]. [gedaagde3] is in 1990 in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [gedaagde3] een gritstraalbedrijf en een reisbureau begonnen. [eiser] heeft bij het gritstraalbedrijf van [gedaagde3] in loondienst gewerkt.

3.2. Op naam van [eiser] is in 1992 een eenmanszaak met de naam “Gritstraal & Scheepsonderhoud [naam eenmanszaak], Advies- en Reisbureau [naam eenmanszaak]” (hierna: [naam eenmanszaak]) opgericht. [naam eenmanszaak] is tot 1997 niet actief geweest.

4. Het geschil

in de zaak 06-1061

4.1. [eiser] vordert samengevat -

a. voor het geval [gedaagde2] de gestelde lening van [eiser] aan [(naam BV io)] B.V. i.o. niet heeft bekrachtigd:

veroordeling van [gedaagde1] tot betaling van EUR 98.449,10, met rente en kosten;

b. voor het geval de lening wel is bekrachtigd:

veroordeling van [gedaagde2] tot betaling van EUR 98.449,10, met rente en kosten.

in de zaak 06-1062

4.2. [eiser] vordert samengevat -

a. voor het geval [gedaagde2] de gestelde lening van [eiser] aan [gedaagde2] i.o. niet heeft bekrachtigd:

veroordeling van [gedaagde1] tot betaling van EUR 98.449,10, met rente en kosten;

b. voor het geval de lening wel is bekrachtigd:

veroordeling van [gedaagde2] tot betaling van EUR 98.449,10, met rente en kosten.

in de zaken 06-1061 en 06-1062

4.3. [eiser] onderbouwt zijn vorderingen met de stelling dat hij op 11 juni 1998 een bedrag van ƒ 200.000,- (EUR 90.756,00) aan [(naam BV io)] B.V. i.o. heeft uitgeleend. [(naam BV io)] B.V. werd opgericht op 6 oktober 1998 en wijzigde haar naam in [gedaagde2] op 10 april 2006. [gedaagde1] handelde destijds namens de op te richten vennootschap. Hij was en is directeur en enig aandeelhouder van [gedaagde2]

[eiser] stelt op 11 juni 1998 tevens ƒ 200.000,- te hebben uitgeleend aan [gedaagde2] i.o., waarna op 6 oktober 1998 de oprichting van [gedaagde2] plaatsvond. [gedaagde1] handelde destijds namens de op te richten vennootschap. Hij was en is directeur en enig aandeelhouder van [gedaagde2]

Verweer [gedaagde1], [gedaagde2], [gedaagde1] en [gedaagde2]

4.4. [gedaagde1], [gedaagde2], [gedaagde1] en [gedaagde2] stellen zich op het standpunt dat er weliswaar geldleningen van ƒ 200.000,- aan [(naam BV io)] B.V. i.o. en aan [gedaagde2] i.o. hebben plaatsgevonden, maar dat deze overeenkomsten zijn gesloten met [gedaagde3]. Zij stellen daarnaast dat het geld al aan [gedaagde3] is terugbetaald.

Nu [gedaagde2] enerzijds en [gedaagde2] anderzijds na hun oprichting deze geldleningen hebben bekrachtigd stellen [gedaagde1] en [gedaagde2] zowel als [gedaagde1] en [gedaagde2] zich op het standpunt dat de vorderingen jegens [gedaagde1] respectievelijk [gedaagde1] reeds om die reden dienen te worden afgewezen. Voor het geval de rechtbank hen hierin niet volgt, voeren [gedaagde1] en [gedaagde1] dezelfde – hierna genoemde - verweren inzake de materiële verschuldigdheid van de geldsommen als [gedaagde2] en [gedaagde2]

4.5. [gedaagde2] en [gedaagde2] stellen allereerst dat een eventuele vordering van [eiser] reeds in juni 2003 zou zijn verjaard, aangezien de lening reeds in juni 1998 is aangegaan, voor onbepaalde tijd. De lening kon derhalve ingevolge artikel 6:38 BW terstond – in juni 1998 - worden opgeëist.

Zij stellen verder dat [gedaagde1] en [gedaagde1] nooit zaken hebben gedaan met [eiser] en dat er ook alleen met [gedaagde3] over de geldlening is gesproken, nooit met [eiser]. [gedaagde3] deed ten tijde van de geldlening in juni 1998 zaken onder de naam [naam eenmanszaak]. [gedaagde1] en [gedaagde1] vernamen pas in 2005 dat [naam eenmanszaak] ten tijde van de geldlening in het handelsregister was ingeschreven als eenmanszaak van [eiser], die – aldus [gedaagde2] en [gedaagde2] – slechts als katvanger fungeerde. [gedaagde2] en [gedaagde2] voeren aan dat de inschrijving van de onderneming [naam eenmanszaak] kort na de geldlening, op 1 juli 1998, ongedaan is gemaakt, waarna de onderneming van [gedaagde3] is voortgezet door [betrokken BV] B.V.

Als toch geoordeeld zou worden dat de geldbedragen door [eiser] ter beschikking zijn gesteld, dan geldt dit als de voldoening aan een verbintenis van [gedaagde3] in de zin van art. 6:30 BW.

Mocht geoordeeld worden dat de overeenkomsten van geldlening werden aangegaan met [eiser], dan werd hij daarbij vertegenwoordigd door [gedaagde3]. Door [gedaagde3] een zodanig ver reikende bevoegdheid te geven dat hij de leningen kon overeenkomen zonder dat [eiser] daarover ooit contact had met [gedaagde1]/[(naam BV io)] B.V. i.o. en [gedaagde1]/[gedaagde2] i.o. heeft [eiser] in dat geval de aan hem toe te rekenen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [gedaagde3] gewekt om ook andere rechtshandelingen met betrekking tot de geldlening te verrichten, zoals het opeisen van de lening op door hem opgegeven bankrekeningen. Tegen deze terugbetaling aan [gedaagde3] heeft [eiser] niet binnen bekwame tijd geprotesteerd, dan wel hij heeft met zijn stilzitten nadien de betaling bekrachtigd en is door de betaling gebaat.

Verweer [gedaagde3]

4.6. Het verweer van [gedaagde3] houdt in dat – zakelijk weergegeven – de leningen zijn verstrekt door hem, en ook reeds in juli tot oktober 1998 aan hem zijn terugbetaald. [gedaagde3] stelt dat hij 1997 vanwege problemen met de belastingdienst de activiteiten in zijn eenmanszaak heeft beëindigd. Deze activiteiten zijn toen voortgezet in [naam eenmanszaak], waarbij hij zakelijk leider bleef, en [eiser] gewoon loon bleef ontvangen. Alle lopende projecten werden van zijn eenmanszaak overgezet op [naam eenmanszaak]. [gedaagde3] heeft vervolgens ƒ 300.000,- ‘uit eigen middelen’ aan [gedaagde1] en [gedaagde1] betaald, en ƒ 100.000,- (verklaring ter comparitie:

ƒ 150.000,- - rechtbank) door middel van een vooruitbetaling van een goede klant van [naam eenmanszaak]. Ter comparitie heeft [gedaagde3] hier aan toegevoegd dat hij zijn rekeningen had overgezet naar [naam eenmanszaak], en dat de rekening ten laste waarvan geld is overgemaakt naar [naam eenmanszaak] weliswaar op naam van [eiser] stond, maar dat dit zijn ([gedaagde3]’s) geld betrof. [eiser] was bij de geldlening niet betrokken, doch was er wel van op de hoogte. [gedaagde3] stelt verder dat [eiser] van de terugbetaling van het geld (via door hem opgegeven rekeningen van zijn zakenrelaties [betrokkene], [betrokken BV] en [betrokkene]) getuige is geweest, en dat hij dit geld ook aan [eiser] heeft gegeven om het in de kluis te leggen.

Subsidiair stelt [gedaagde3] zich op het standpunt dat hij door [eiser] gemachtigd was om de gelden uit te lenen en de terugbetaling in ontvangst te nemen.

Meer subsidiair stelt [gedaagde3] dat sprake is van schuldoverneming. Hij had immers formeel een vordering op [eiser] van minimaal ƒ 400.000,- in verband met de inbreng van zijn eigen eenmanszaak in [naam eenmanszaak], de voor [naam eenmanszaak] gedane betalingen en de voor [eiser] gedane betalingen. Door terugbetaling van de leningen door [gedaagde1]/[gedaagde2] en [gedaagde1]/[gedaagde2] aan [gedaagde3] hebben zij de schuld van [eiser] aan [gedaagde3] overgenomen, waarmee [eiser] uitdrukkelijk akkoord is gegaan.

5. De beoordeling

5.1. De rechtbank zal de zaken 06-1061 en 06-1062 vanwege de samenhang gevoegd behandelen.

5.2. Over het verweer van [gedaagde2] en [gedaagde2] inzake verjaring overweegt de rechtbank het volgende. Uit de stellingen van partijen over en weer valt af te leiden dat de geldlening uiterlijk in 2005 moest worden terugbetaald en dat er geen sprake was van verplichting tot periodieke betaling van rente. Ingevolge artikel 3:307 BW loopt de verjaringstermijn van vijf jaar dan pas vanaf de mededeling van de schuldeiser dat hij tot opeising overgaat dan wel, bij gebreke daarvan, ultimo 2005, en niet - zoals [gedaagde2] en [gedaagde2] stellen - vanaf juni 1998, zijnde het moment waarop de overeenkomst werd aangegaan. Zij stellen dat de lening voor het eerst werd opgeëist door [gedaagde3], die daartoe ook bevoegd was, begin 2000 ([gedaagde1] ter comparitie) dan wel medio 2000 (conclusie van antwoord [gedaagde2] en [gedaagde2]) dan wel reeds in 1998 (conclusie van antwoord in interventie van [gedaagde3]). Gelet hierop is niet duidelijk op welk moment de verjaringstermijn van vijf jaar precies is gaan lopen. [eiser] heeft bij brief van 31 mei 2005 verzocht om terugbetaling. Niet duidelijk is dus of [eiser] nog voordat zijn – mogelijke – vordering was verjaard de vordering tot terugbetaling heeft ingesteld.

Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen en beslist kan dat echter in het midden blijven.

5.3. De vorderingen tegen [gedaagde1] en [gedaagde1] zijn voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval de overeenkomsten van geldlening niet door [gedaagde2] en [gedaagde2] bekrachtigd zouden zijn. Uit hun conclusies van antwoord volgt dat bekrachtiging van de geldlening door [gedaagde2] en [gedaagde2] heeft plaatsgevonden, zodat de voorwaarde niet is vervuld. Bij akte heeft [eiser] aangevoerd dat geen sprake was van een werkelijke bekrachtiging. De rechtbank gaat daaraan voorbij, nu uit het hierna in r.o. 5.6. volgende zal blijken dat zij aanneemt dat [gedaagde2] en [gedaagde2] de geldleningen van de op te richten vennootschappen hebben terugbetaald – aan [gedaagde3] - , hetgeen een stilzwijgende bekrachtiging inhoudt. [gedaagde2] en [gedaagde2] hebben daarnaast bij akte de namens hen in de oprichtingsfase verrichte rechtshandelingen bekrachtigd.

Nu in deze procedure wordt aangenomen dat [gedaagde2] en [gedaagde2] de geldleningen hebben terugbetaald kan van de door [eiser] gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde1] en [gedaagde1] op grond van artikel 2:203 lid 3 BW geen sprake zijn. De daarvoor gestelde grondslag was immers dat [gedaagde1] en [gedaagde1] de geldleningen namens de op te richten vennootschappen zijn aangegaan in de wetenschap dat deze hun verplichting tot terugbetaling niet zouden kunnen nakomen.

5.4. Op de vorderingen tegen [gedaagde1] en [gedaagde1] hoeft dus geen inhoudelijke beslissing te worden gegeven, met dien verstande dat de kosten van de conclusie van antwoord van [gedaagde1] en [gedaagde1] - als een redelijke vorm van verdediging tegen de voorwaardelijke vordering – ten laste van [eiser] dienen te komen.

5.5. [gedaagde2] en [gedaagde2] hebben aangevoerd dat [gedaagde1] en [gedaagde1] er steeds van uitgegaan zijn dat zij contracteerden met [gedaagde3]. [gedaagde3] stelt zelf ook dat hij contractspartij was. Dat [gedaagde1] en [gedaagde1] ervan uit gingen dat zij met [gedaagde3] contracteerden is op zichzelf door [eiser] niet weersproken. Als [gedaagde3] als contractspartij heeft te gelden, moet de vordering van [eiser] worden afgewezen.

5.6. Voor zover echter [eiser] als contractspartij van [gedaagde2] en [gedaagde2] bij de geldlening moet worden gezien en het zijn geld betrof, leidt de rechtbank uit de stellingen van partijen over en weer in hun conclusies en ter comparitie af dat [gedaagde1] en [gedaagde1] op grond van verklaringen en gedragingen van [eiser] redelijkerwijze mochten aannemen dat ter zake een toereikende volmacht was verleend aan [gedaagde3]. Dit betekent dat [eiser] zich tegenover hen niet kan beroepen op het eventuele ontbreken van een toereikende volmacht, en dat [gedaagde2] en [gedaagde2] er op die grond ook van uit mochten gaan dat [gedaagde3] de terugbetaling in ontvangst mocht nemen. Dat die terugbetaling - aan [gedaagde3] - heeft plaatsgevonden is niet betwist. De conclusie luidt dan dat [gedaagde2] en [gedaagde2] bevrijdend hebben betaald.

5.7. De rechtbank leidt deze aan [eiser] toe te rekenen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [gedaagde3] af uit de volgende feiten en omstandigheden.

[gedaagde2], [gedaagde2] en [gedaagde3] stellen dat er nooit zakelijke contacten zijn geweest tussen [gedaagde1], [gedaagde1] en [eiser], die overigens in tegenstelling tot [gedaagde3] ook geen Nederlands spreekt. [eiser] stelt weliswaar ter comparitie dat hij al langer samenwerkte met [gedaagde1] en [gedaagde1], maar verklaart tevens dat hij [gedaagde1] helemaal niet kende. [gedaagde1] verklaart ter comparitie dat hij [eiser] daar voor het eerst ziet. [gedaagde3] stelt dat de eenmanszaak op naam van [eiser], [naam eenmanszaak], zíjn onderneming was, en dat het uitgeleende geld zíjn geld was. [gedaagde3] heeft verklaard dat hij zijn rekeningen had overgezet naar [naam eenmanszaak] vanwege fiscale problemen en beslagen. Wat daar ook van zij, de rechtbank acht onvoldoende gemotiveerd weersproken de stelling van [gedaagde2], [gedaagde2] en [gedaagde3] dat [gedaagde1] en [gedaagde1] (sinds lange tijd) zakelijke relaties waren van [gedaagde3] en [naam eenmanszaak], en niet van [eiser]. Uit de eigen verklaring van [eiser] ter comparitie blijkt ook dat het idee van de geldleningen van [gedaagde3], [gedaagde1] en [gedaagde1] kwam. De rechtbank gaat er op basis van de verklaringen van partijen van uit dat [gedaagde1] voornamelijk met [gedaagde3] over de geldlening contact heeft gehad, en [gedaagde1] uitsluitend met [gedaagde3]. Als het zo is dat het geleende geld wel eigendom was van [eiser], dan kan dit vanwege het verleden – waarin [gedaagde1] en [gedaagde1] slechts met [gedaagde3] en [naam eenmanszaak] zaken deden – en de ondoorzichtigheid van de latere situatie, waarin [naam eenmanszaak] weliswaar op naam van [eiser] stond maar [gedaagde3] de zakelijke contacten met [gedaagde1] en [gedaagde1] onderhield en over de rekening van [naam eenmanszaak] kon beschikken, niet aan [gedaagde1] en [gedaagde1] worden tegengeworpen. De terugbetaling op verzoek van en (indirect) aan [gedaagde3] is dan bevrijdend, nu [gedaagde1] en [gedaagde1] gelet op al het vorenstaande in redelijkheid mochten aannemen dat [gedaagde3] tot de terugbetaling gerechtigd was als contractant/eigenaar van het geld of uit hoofde van een - veronderstelde - volmacht.

5.8. Uit het voorgaande volgt dat de vordering tegen [gedaagde2] en [gedaagde2] moet worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in hun proceskosten. [eiser] is ook ten opzichte van [gedaagde3] de in het ongelijk gestelde partij en zal daarom ook in zijn proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank houdt er bij de berekening van de kosten rekening mee dat de conclusies van antwoord van [gedaagde1] en [gedaagde1] en die van [gedaagde2], [gedaagde1] en [gedaagde2] identiek zijn en dat zij allen één advocaat en procureur hadden.

5.9. De kosten aan de zijde van [gedaagde1] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 2.215,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 710,50 (1x0,5 punt × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 2.925,50

5.10. De kosten aan de zijde van [gedaagde2] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 2.215,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.421,00 (2x 0,5punt × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 3.636,00

5.11. De kosten aan de zijde van [gedaagde1] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 2.215,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 710,50 (1x0,5 punt × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 2.925,50

5.12. De kosten aan de zijde van [gedaagde2] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 2.215,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.421,00 (2x 0,5 punt × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 3.636,00

5.13. De kosten aan de zijde van [gedaagde3] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 1.120,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 2.842,00 (2 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 3.962,00

5.14. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

6. De beslissing

De rechtbank

in de zaak 06-1061

6.1. wijst de vordering tegen [gedaagde2] af,

6.2. verstaat dat de vordering tegen [gedaagde1] geen behandeling behoeft,

6.3. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde2] tot op heden begroot op EUR 3.636,00 en aan de zijde van [gedaagde1] tot op heden begroot op EUR 2.925,50,

in de zaak 06-1062

6.4. wijst de vordering tegen [gedaagde2] af ,

6.5. verstaat dat de vordering tegen [gedaagde1] geen behandeling behoeft,

6.6. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde2] tot op heden begroot op EUR 3.636,00 en aan de zijde van [gedaagde1] tot op heden begroot op EUR 2.925,50,

in de zaken 06-1061 en 06-1062

6.7. veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde3], tot op heden begroot op EUR 3.962,00,

6.8. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Boon en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2007.