Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA9902

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/3604
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever eigenrisicodrager. Inlooprisico. Geen plicht voor UWV om WAO-uitkering op de voet van artikel 28, onderdeel c, juncto artikel 25 van de WAO te weigeren nu niet aannemelijk is geworden dat de werknemer zijn genezing belemmerde of anderszins schade toebracht aan zijn gezondheid. (75 WAO; 75b WAO; 28, onderdeel c WAO; 25 WAO)

Zie ook LJN: BA9901

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/3604

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[A] BV, eiseres,

gevestigd te [plaats], vertegenwoordigd door mr. M.H. Feiken,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 29 mei 2006.

2. Procesverloop

Bij drie besluiten van 29 oktober 2004, één besluit van 12 januari 2005, één besluit van 10 maart 2005 en twee besluiten van 18 augustus 2005 heeft verweerder beslist omtrent de rechten op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van de heer [werknemer] (hierna: de werknemer), voormalig werknemer van eiseres.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de namens eiseres gemaakte bezwaren tegen voornoemde besluiten (primair) niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is namens eiseres beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 3 april 2007. Eiseres is aldaar verschenen in de persoon van [B], bijgestaan door mr. M.H. Feiken. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. van den Elsaker.

3. Overwegingen

Eiseres heeft een auto- en carrosseriebedrijf. De werknemer is bij eiseres als plaatwerker werkzaam geweest. Op 29 september 1999 is hij uitgevallen wegens klachten aan schouders, nek en armen. Met ingang van 27 september 2000 is aan hem een WAO-uitkering toegekend berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45%. Sinds 1 april 2001 heeft de werknemer een (groot)handel in auto’s annex onderhoudsbedrijf. Op 5 juli 2004 heeft hij zich toenemend arbeidsongeschikt gemeld. Op 17 september 2004 is de werknemer geopereerd aan zijn linkerschouder en op 21 januari 2005 aan zijn rechterschouder.

Bij drie besluiten van 29 oktober 2004 is aan de werknemer achtereenvolgens meegedeeld:

- dat per 2 augustus 2004 de bestaande mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% wordt herzien naar 45 tot 55% (hierna: besluit I);

- dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 oktober 2004 wordt herzien naar 80 tot 100% (hierna: besluit II) alsmede

- dat tot 15 april 2005 als gevolg van gewijzigde wetgeving de WAO-uitkering in plaats van op een vervolgdagloon op het dagloon zal worden gebaseerd (hierna: besluit III).

Bij besluit van 12 januari 2005 (hierna: besluit IV) is de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer gehandhaafd op 80 tot 100%.

Bij besluit van 10 maart 2005 (hierna: besluit V) is aan de werknemer meegedeeld dat per 15 april 2005 zijn uitkering wordt voortgezet als een vervolguitkering.

Bij besluit van 18 augustus 2005 (hierna: besluit VI) is aan de werknemer meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 1 mei 2005 is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% .

Bij een ander besluit van 18 augustus 2005 (hierna: besluit VII) is aan de werknemer meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 19 oktober 2005 is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Eiseres is per 1 juli 2004 eigenrisicodrager geworden op de voet van artikel 75 van de WAO. Bij besluiten van 30 augustus 2005 en 13 september 2005 is aan eiseres meegedeeld dat de aan de werknemer betaalde WAO-uitkering aan eiseres wordt toegerekend en op haar wordt verhaald. Eiseres heeft bij brief van 26 januari 2006 verweerder verzocht om toezending van alle beslissingen die zijn afgegeven met betrekking tot de WAO-uitkering van de werknemer. Verweerder heeft vervolgens per brief van 2 februari 2006 afschriften van de besluiten I tot en met VI aan eiseres gezonden. Namens eiseres is bij brief van 13 februari 2006, door het UWV ontvangen op 14 februari 2006, bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bij brief van 2 maart 2006 heeft verweerder een afschrift van besluit VII aan eiseres gezonden. Eiseres heeft hiertegen bij brief van 6 maart 2006, door het UWV op 7 maart 2006 ontvangen, bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 29 mei 2006 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de besluiten I tot en met en VII (primair) niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

In geschil is primair het antwoord op de vraag of verweerder terecht de bezwaren van eiseres tegen genoemde besluiten niet-ontvankelijk heeft verklaard en subsidiair de rechtmatigheid van die besluiten. Niet in geschil is dat de werknemer in de betrokken periode niet geschikt was voor de maatgevende arbeid.

Ontvankelijkheid

Eiseres heeft aangevoerd dat haar bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Volgens eiseres heeft zij eerst bij de brieven van 2 februari 2006 en 2 maart 2006 de beschikkingen ontvangen en zijn gelet op die data de bezwaarschriften tijdig ingediend. Eiseres wijst er in dit verband op dat bij besluit van 30 augustus 2005 verweerder aan haar heeft meegedeeld dat de aan de werknemer betaalde WAO-uitkering aan haar werd toegerekend, dat verweerder haar bij besluit van 13 september 2005 heeft meegedeeld dat die uitkering op haar zou worden verhaald en dat deze besluiten voor haar aanleiding waren om alle hiermee verband houdende besluiten bij verweerder op te vragen. Volgens eiseres verkeerde zij daarvóór in de veronderstelling dat, sinds de werknemer een eigen bedrijf was begonnen, aan hem geen WAO-uitkering meer werd verstrekt. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat voor haar niet duidelijk is of de betreffende besluiten eerder aan haar zijn verzonden. Eiseres wijst er in dat verband op dat de besluiten niet aangetekend zijn verzonden.

Verweerder heeft hiertegenover gesteld dat besluit V inderdaad niet eerder aan eiseres is toegestuurd. Volgens verweerder moet echter aangenomen worden dat de overige besluiten wel aan eiseres zijn verzonden en wel op 29 oktober 2004 (besluit I, II en III), 12 januari 2005 (besluit IV en VI) en 18 augustus 2005 (besluit VII) omdat zich in het dossier een drietal afschriften van brieven van die data bevinden welke zijn gericht aan eiseres. Volgens verweerder zijn afschriften van de genoemde besluiten als bijlagen bij die brieven aan eiseres verzonden. Verweerder wijst er in dit verband op dat het adres dat op de begeleidende brieven staat vermeld juist is. Volgens verweerder is daarom de verklaring van eiseres dat zij de besluiten niet heeft ontvangen, niet geloofwaardig.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit door toezending of uitreiking aan de belanghebbende tot wie het is gericht.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (vgl. CRvB 17 november 2006, LJN AZ3525, USZ 2007,34), dient voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de verzending (aan het juiste adres) vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt.

Besluit V is voor het eerst aan eiseres verzonden bij brief van 2 februari 2006. Het bezwaar daartegen is ingediend op 7 maart 2006. Het bezwaar is derhalve ingediend binnen de termijn van artikel 6:7 van de Awb en derhalve tijdig. Het bezwaar is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre gegrond.

In verband met de overige besluiten acht de rechtbank het volgende van belang. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat deze beslissingen de eerste maal niet aangetekend zijn verzonden en dat er geen verzendregistratie wordt bijgehouden. Ook anderszins heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat deze besluiten aan eiseres zijn verzonden op de dagtekening van de begeleidende brieven. Overigens blijkt uit de overgelegde begeleidende brieven alleen dat een besluit op naam van de werknemer is bijgevoegd en niet om welke besluiten het gaat. Uit het voorgaande volgt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze besluiten zijn verzonden op de dagtekening van de begeleidende brieven.

Ook als er met verweerder van zou moeten worden uitgegaan dat verzending wel heeft plaatsgevonden op de dagtekening van de begeleidende brieven, kan dit niet ertoe leiden dat aangenomen moet worden dat de bezwaartermijn op die data is gaan lopen. Eiseres heeft gesteld de besluiten niet eerder te hebben ontvangen dan bij brief van 2 februari 2006 en 2 maart 2006. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de betwisting van de eerdere ontvangst als onvoldoende geloofwaardig te beschouwen. De verklaringen van eiseres dat de besluiten niet eerder door haar zijn ontvangen, zijn consistent en geloofwaardig. In een situatie als deze waarin de ontvangst niet is komen vast te staan, komt het risico van het niet kunnen aantonen dat de bestreffende besluiten daadwerkelijk door de geadresseerde zijn ontvangen, voor rekening en risico van degene die de besluiten niet aangetekend of met bewijs van ontvangst heeft verzonden, in dit geval verweerder.

Uit voorstaande volgt dat bezwaartermijn van de besluiten I tot en IV, VI en VII eerst is aangevangen op 3 februari 2006 (besluit I tot en met IV en VI) en 3 maart 2006 (besluit VII), te weten een dag na de dagtekening van de brieven waarbij verweerder aan eiseres op haar verzoek die besluiten heeft doen toekomen. Namens eiseres is tegen besluit I tot en met IV en VI bezwaar gemaakt bij brief van 13 februari 2006, door verweerder ontvangen op 14 februari 2006 en tegen besluit VII bij brief van 6 maart 2006, door verweerder ontvangen op 7 maart 2006. Nu deze bezwaren zijn ingediend binnen de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken, zijn deze tijdig.

Verweerder heeft derhalve de besluiten ten onrechte niet-ontvankelijk geacht op de grond dat sprake was van termijnoverschrijding.

Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het bezwaar tegen besluit VII ook niet-ontvankelijk is omdat eiseres geen belang heeft bij dat bezwaar. De rechtbank onderschrijft dat standpunt. Eiseres is met ingang van 1 juli 2004 eigen risicodrager. Ingevolge artikel 75b, eerste lid, van de WAO wordt het risico van betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf die dag door de eigen risicodrager gedragen overeenkomstig artikel 75a van de WAO. De arbeidsongeschiktheid van de werknemer is ontstaan vóór 1 januari 2004. Op grond van het bepaalde in artikel 91b, eerste lid, juncto artikel 75a, eerste lid, van de WAO zoals dat luidde voor 1 januari 2004, bestaat dit betalingsrisico gedurende een periode van 5 jaar nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan. De arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan op 27 september 2000. Het betalingsrisico eindigt derhalve op 27 september 2005. Het besluit heeft betrekking op de periode vanaf 19 oktober 2005. Over deze periode loopt eiseres geen betalingsrisico meer. Eiseres heeft derhalve geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen de overige besluiten gegrond is.

Rechtmatigheid van de primaire besluiten

Nu verweerder zich in het bestreden besluit ook inhoudelijk heeft uitgelaten over de bezwaren van eiseres en eiseres hiertegen gronden heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat zij inhoudelijk op deze gronden kan beslissen. Bij terugwijzing is geen ander oordeel van verweerder te verwachten. Met het oog op de finale geschillenbeslechting zal de rechtbank dan ook overgaan tot de inhoudelijke behandeling van het geschil.

Eiseres heeft aangevoerd dat uit het rapport van de arbeidsdeskundige C. Bos van 9 december 2002 en uit het rapport van arbeidskundige J. Jansen-van Meurs van 16 augustus 2005 blijkt dat de werkzaamheden die de werknemer in zijn eigen bedrijf werkzaamheden verrichtte, schade toebrachten aan zijn gezondheid. Eiseres wijst er in dit verband op dat volgens het rapport van arbeidskundige Bos de werknemer in zijn eigen bedrijf werkzaamheden verricht die ongeveer vergelijkbaar zijn met zijn maatgevende arbeid en dat daarin ook staat vermeld dat de werkzaamheden die de werknemer in zijn eigen bedrijf verricht, zijn krachten te boven gaan. Volgens eiseres is het daarom aannemelijk dat er een causaal verband is tussen de toename van de klachten van de werknemer in juli 2004 en de werkzaamheden die hij in zijn eigen bedrijf verrichtte. Volgens eiseres had verweerder daarom uitvoering moeten geven aan zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 28 aanhef en onderdeel c, van de WAO.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden die de werknemer verrichtte, gezien zijn beperkingen toelaatbaar waren. Volgens verweerder blijkt ook uit de medische rapporten dat de werknemer zijn genezing niet heeft belemmerd.

Gezien de in het dossier beschikbare (medische)gegevens heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan het oordeel van verweerder dat de werknemer geen werkzaamheden verrichtte die schade toebrachten aan zijn gezondheid. Hiertoe acht de rechtbank het volgende van belang. Volgens het rapport van 9 december 2002 van arbeidsdeskundige C. Bos kan de fysieke belasting in de maatgevende arbeid in het algemeen niet zwaar worden genoemd en had de werknemer het meest moeite met het zogenoemde “richtwerk”. Verder blijkt uit deze rapportage en die van arbeidskundige Jansen-Van Meurs van 16 augustus 2005 dat de werknemer als zelfstandige met zijn maatman vergelijkbare werkzaamheden (schuren, spuiten en demonteren) verricht, maar dat hij geen richtwerk meer verricht. Voorts blijkt uit het rapport van arbeidskundige Jansen-Van Meurs dat de werknemer zelf zijn tijd kan indelen, het ook rustig aan doet en dat hij grotere reparaties uitbesteedt. Weliswaar heeft arbeidskundige Bos in haar rapport van 9 december 2002 verklaard dat het werk mogelijk de krachten van de werknemer te boven gaan en dat zij hem dit werk niet tot zijn pensioen ziet doen, maar dat betekent nog niet dat hij op dat moment ook zijn genezing in de weg stond. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de werknemer zijn genezing belemmerde of anderszins schade toebracht aan zijn gezondheid. Voor verweerder bestond derhalve geen plicht om op de voet van artikel 28, onderdeel c juncto 25 van de WAO aan de werknemer de uitkering aan de werknemer geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend te weigeren. Op dit punt kunnen de beroepsgronden van eiseres dan ook niet slagen. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de bezwaren van eiseres tegen de besluiten I tot en met VI ongegrond verklaren.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand in beroep (beroepschrift 1 punt en verschijnen ter zitting 1 punt waarbij 1 punt gelijk is aan € 322,-). Eiseres heeft tevens verzocht om vergoeding voor de kosten van in bezwaar verleende rechtsbijstand. Nu de primaire besluiten in stand blijven is er daarvoor geen grond. Eiseres heeft niet gesteld andere proceskosten te hebben gemaakt.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor zover het de besluiten I tot en met VI betreft gegrond;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor zover het besluit VII betreft ongegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart de bezwaren tegen de besluiten I tot en met VI ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 644,- en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan haar moet vergoeden;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 5 juli 2007