Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA9657

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
05/950365-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer van de rechtbank te Arnhem veroordeelt een 25-jarige verdachte voor het medeplegen van poging tot doodslag en het medeplegen van brandstichting tot een gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft op 3 december 2006 met een onbekend gebleven mededader brand gesticht in de woning van zijn ex-schoonfamilie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Verkort vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/950365-06

Data zittingen : 13 maart 2007, 17 april 2007, 3 juli 2007

Datum uitspraak : 17 juli 2007

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Ir.Molsweg 5

Arnhem.

Raadsman : mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 december 2006 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum]) van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, zich -conform tevoren

gemaakte afspraken- tezamen met een ander of anderen, althans alleen, naar (de omgeving van) de plaats van het misdrijf heeft begeven, waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk een (mengsel van een) hoeveelheid brandspiritus en/of terpetine en/of een (ander) petroleumproduct, althans een brandbare vloeistof/brandversnellend middel, door de brievenbus van een deur van een woning ([adres]) hebben/heeft gegoten en/of gesprenkeld en/of

(vervolgens) (dat mengsel van) die spiritus en/of die terpetine en/of dat petroleumproduct, althans die brandbare vloeistof of dat brandversnellend middel, hebben/heeft aangestoken (met behulp van een -tevoren- geprepareerde kaars), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking hebben/heeft gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in die woning brand is ontstaan en/of (een) gedeelte(n) van die woning is/zijn verbrand, zulks terwijl genoemd(e) perso(o)n(en) in die woning sliepen, althans zich in die woning bevond(en), en/of die woning vanwege de brand niet via de reguliere weg kon(den) verlaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 3 december 2006 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum]) van het leven te beroven, opzettelijk zich -conform tevoren gemaakte afspraken- tezamen met een ander of anderen, althans alleen, naar (de omgeving van) de plaats van het misdrijf heeft begeven, waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk een (mengsel van een) hoeveelheid brandspiritus en/of terpetine en/of een (ander) petroleumproduct, althans een brandbare vloeistof/brandversnellend middel, door de brievenbus van een deur van een woning ([adres]) hebben/heeft gegoten en/of gesprenkeld en/of (vervolgens) (dat mengsel van) die spiritus en/of die terpetine en/of dat petroleumproduct, althans die brandbare vloeistof of dat brandversnellend middel, hebben/heeft aangestoken (met behulp van een -tevoren- geprepareerde kaars), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking hebben/heeft

gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in die woning brand is ontstaan en/of (een) gedeelte(n) van die woning is/zijn verbrand, zulks terwijl genoemd(e) perso(o)n(en) in die woning sliepen, althans zich in die woning bevond(en), en/of die woning vanwege de brand niet via de reguliere eg kon(den) verlaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 3 december 2006 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning ([adres]), hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk zich -conform tevoren gemaakte afspraken- naar (de omgeving van) de plaats van het misdrijf hebben/heeft begeven en/of (vervolgens) een (mengsel van een) hoeveelheid brandspiritus en/of terpetine en/of een (ander) petroleumproduct, althans een brandbare vloeistof/brandversnellend middel, door de brievenbus van een deur van die woning hebben/heeft gegoten en/of gesprenkeld en/of (vervolgens) (dat mengsel van) die spiritus en/of die terpetine en/of dat petroleumproduct, althans die brandbare vloeistof of dat brandversnellend middel, hebben/heeft aangestoken (met behulp van een -tevoren- geprepareerde kaars), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking hebben/heeft gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan in die woning brand is ontstaan en/of (een) gedeelte(n) van die woning is/zijn verbrand, zulks terwijl [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum]) in die woning sliepen, althans zich in die woning bevond(en), en/of die woning vanwege de brand niet via de reguliere weg kon(den) verlaten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel van) die woning en/of (de inboedel van) een of meer belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum]) en/of een of meer andere personen die zich in die/dat belendend(e) perce(e)l(en) bevonden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 24 november 2006, althans in de maand november 2006, te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere personen (wonende/zich bevindende in het pand [adres]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk zich -conform tevoren gemaakte afspraken-

naar de woning aan de [adres] hebben/heeft begeven en/of (vervolgens) aldaar in de richting van een of meer genoemde personen dreigend de woorden hebben/heeft toegevoegd :"Wacht maar af, jullie ontsnappen niet aan mij" en/of "Ik steek je in de fik" en/of "Ik steek je in brand" en/of "Ik maak je dood" en/of "Wacht maar af, we steken jullie hier allemaal wel in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 3 juli 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van de feiten 1 en 2.

Op zondag 3 december 2006 omstreeks 06.42 uur werd bij de regionale meldkamer te Arnhem een brand gemeld in de woning [adres] te Arnhem. Ter plaatse werd een forse rookontwikkeling en vuur in de hal geconstateerd. De brandweer heeft vier personen uit de woning in veiligheid gebracht: [slachtoffer 1], [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. De brandweer heeft de brand in de woning geblust.

Er is een sporenonderzoek uitgevoerd door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Technische Recherche. Uit dit onderzoek volgt dat de brand hoofdzakelijk heeft gewoed in de hal pal achter de voordeur. Gelet op het brandbeeld is de brand ontstaan in de hal, in de directe omgeving van de voordeur, en niet elders in of buiten de woning. Er is met detectie-apparatuur op de vloer in de hal, juist achter de deurdorpel van de voordeur, naar de mogelijke aanwezigheid van een vluchtig brandversnellend middel gedetecteerd. Dit deel van de vloer is als brandmonster (SVO 104) ter onderzoek aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut (hierna NFI). Uit het NFI-rapport van 6 december 2006 volgt dat de damp in het stuk van overtuiging is onderzocht op de aanwezigheid van vluchtige stoffen. In de damp is de aanwezigheid geconstateerd van brandversnellende middelen, te weten ethanol en geringere hoeveelheden van andere vluchtige stoffen, die duiden op de aanwezigheid van brandspiritus, en een aardolieprodukt, mogelijk een terpentine- of petroleumprodukt. Gelet op de onderzoeksresultaten van de Technische Recherche en het NFI staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de brand in de woning [adres] is aangestoken.

Verdachte en [slachtoffer 1] hebben een relatie gehad. Zij hebben samen een kind, [slachtoffer 4]. [slachtoffer 1] heeft nadat de relatie tussen haar en verdachte ten einde kwam, haar intrek genomen in de woning van haar ouders aan de [adres] te Arnhem.

De spijkerbroek.

Verdachte is op 3 december 2006 te 07.30 uur in zijn woning aangehouden. Kort na de aanhouding zijn er goederen in zijn woning in beslag genomen, waaronder een blauwe spijkerbroek en één paar sportschoenen. Bij het onderzoek aan de broek (SVO 003) hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Technische Recherche gevoeld dat de pijpen van de broek vochtig waren. Op de zolen van beide sportschoenen evenals op de bovenzijde van de linkersportschoen zagen verbalisanten grassprietjes en aarde. Ook waren de zolen van beide schoenen vochtig. Op 3 december 2006 is door verbalisanten met behulp van detectie-apparatuur de spijkerbroek onderzocht op de aanwezigheid van brandversnellende middelen. Uit dit onderzoek bleek dat er een aanwijzing was op de aanwezigheid van een (vluchtig) brandversnellend middel. De spijkerbroek is vervolgens ter onderzoek aangeboden aan het NFI. Uit het NFI-rapport van 6 december 2006 volgt dat in de damp van dit stuk van overtuiging de aanwezigheid is geconstateerd van brandversnellende middelen, te weten ethanol en geringere hoeveelheden van andere vluchtige stoffen, die duiden op de aanwezigheid van brandspiritus, en een aardolieprodukt, mogelijk een terpentine- of een petroleumprodukt.

Verdachte heeft op 6 december 2006 verklaard dat hij in de avond van 2 december 2006 en aansluitend in de nacht van 2 op 3 december 2006 een spijkerbroek heeft gedragen. Hij heeft verklaard dat hij in totaal drie broeken heeft die hij draagt: een spijkerbroek en twee pantalons. Verdachte heeft verklaard dat hij in de ochtend van 3 december 2006 na het uitgaan zich heeft uitgekleed en direct naar bed is gegaan. De Technische Recherche heeft de spijkerbroek onder de salontafel in de woonkamer aangetroffen. De broek was zodanig uitgetrokken dat deze in zijn geheel naar beneden was gestroopt met onderin iedere broekspijp een sok. Uit het NFI-rapport van 12 maart 2007 met betrekking tot dna-onderzoek volgt dat op de aangetroffen sokken dna-materiaal van verdachte is aangetroffen.

Ter terechtzitting van 3 juli 2007 heeft verdachte verklaard dat hij geen spijkerbroek heeft gedragen, maar een pantalon.

De rechtbank ziet redenen om voorbij te gaan aan deze verklaring ter terechtzitting, nu uit de wijze waarop de broek in combinatie met de sokken is aangetroffen, het aantreffen van verdachtes dna-materiaal op de sokken, verdachtes verklaring van 6 december 2006 evenals het feit dat de pijpen van de spijkerbroek en de schoenen van verdachte vochtig waren, voor de rechtbank genoegzaam volgt dat verdachte de spijkerbroek heeft gedragen in die bewuste nacht.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 december 2006 kortstondig op een motor van een vriend heeft gezeten en dat hierbij mogelijk motorbenzine, wat gemorst zou zijn na het tanken, op zijn spijkerbroek terecht is gekomen. Uit het NFI-rapport van 7 juni 2007 volgt evenwel dat in de spijkerbroek van verdachte geen stoffen zijn aangetoond die op de aanwezigheid van (restanten van) motorbenzine duiden. Verdachte heeft voorts verklaard dat de motor recent zou kunnen zijn schoongemaakt met brandversnellende middelen, die zo op zijn broek zijn terecht gekomen. De eigenaar van de motor, [getuige 1], heeft op 14 mei 2007 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zijn motor nog nooit heeft schoongemaakt.

Uit het NFI-rapport van 7 juni 2007 volgt, naast de resultaten zoals eerder genoemd in het NFI-rapport van 6 december 2006, voorts dat brandspiritus en een terpentineprodukt brandbare vloeistoffen zijn die slecht mengen en dat een mengsel van deze vloeistoffen geen standaardprodukt is en ook niet als zodanig te koop is.

De rechtbank stelt op basis van voornoemde onderzoeksresultaten vast dat het op verdachtes broek aangetroffen mengsel van brandversnellende middelen overeenkomt met het monster van brandversnellende middelen dat op de plaats van het delict is aangetroffen. Uit het NFI-rapport volgt dat dit mengsel niet gangbaar is.

Gelet op het feit dat verdachte de spijkerbroek heeft gedragen in de bewuste nacht evenals de unieke, niet gangbare, overeenkomst tussen de aangetroffen brandversnellende middelen op de spijkerbroek en het brandmonster, alsmede het gegeven dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft voor de aanwezigheid van deze stoffen op zijn broek, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de brandstichting in perceel [adres].

De aangetroffen spiritusfles

In de omgeving van de plaats van het delict is op 3 december 2006 een sporenonderzoek ingesteld. In een prullenbak op de openbare weg Van Oldebarneveldtstraat, ter hoogte van de kruising met de Rijpstraat, is een spiritusfles met daarin nog enige blauwe vloeistof aangetroffen. In de fles werd een bovenste deel van een kaars aangetroffen.

Een monster van de vloeistof is als brandmonster (SVO 105 e) ter onderzoek aangeboden aan het NFI. Uit het NFI-rapport van 13 december 2006 volgt dat dit monster een mengsel is van twee moeilijk mengbare brandbare vloeistoffen, namelijk brandspiritus en een aardolieprodukt van de subklasse terpentine. In het mengsel is een geringe hoeveelheid paraffine aangetoond.

Bij de eerste doorzoeking van de woning van verdachte op 4 december 2006 zijn onder andere in beslag genomen: een afgebroken stuk kaars zonder lont (SVO 201b) en een afgesneden stuk kaars zonder lont (SVO 201c). De in de woning aangetroffen kaarsen ogen qua vorm, diameter en kleur gelijksoortig aan de kaars die in de fles spiritus is aangetroffen. Bij de tweede doorzoeking van de woning van verdachte op 6 december 2006 zijn onder andere in beslag genomen: stukjes/schilfers van mogelijke restanten van kaarsvet op het aanrecht (SVO 258) en een schaar met hierop sporen van mogelijk kaarsvet (SVO 259).

Bovengenoemde goederen zijn met de kaars en kaarsschilfers, aangetroffen in de spiritusfles (SVO 105g), voor een vergelijkend kaarsvetonderzoek aangeboden aan het NFI. Uit het NFI-rapport van 14 februari 2007 volgt dat het stuk kaars en de kaarsschilfers die zijn aangetroffen in de spiritusfles qua kleur en paraffinesamenstelling vergelijkbaar zijn met de in de woning van verdachte aangetroffen kaarsen en kaarsrestanten.

Bij de doorzoeking in de woning van verdachte op 4 december 2006 is voorts in de afvalbak in de keuken een terpentinefles gevonden (SVO 202). De fles is voor onderzoek aangeboden aan het NFI. Uit het NFI-rapport van 10 januari 2007 volgt dat deze fles een aardolieprodukt bevat van de subklasse terpentine.

Uit voornoemde onderzoeksresultaten, in combinatie met de onderzoeksresultaten met betrekking tot de spijkerbroek van verdachte en het brandmonster van de plaats van het delict, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat geconcludeerd kan worden dat in zijn woning van verdachte de spiritusfles met het stuk kaars en het mengsel dat erin is aangetroffen heeft is geprepareerd, welke fles later gebruikt is om de brand in perceel [adres] te stichten.

Belcontacten en tijdsbestek

Verdachte heeft verklaard dat hij gebruik maakt van een mobiele telefoon met het nummer [nummer].

Uit het onderzoek naar de historische telefoongegevens van dit nummer volgt dat er tussen 06.00 en 07.00 uur diverse belcontacten zijn geweest vanaf de mobiele telefoon met dit nummer naar de mobiele telefoon van [slachtoffer 1] en de vaste telefoonaansluiting van de [adres]. Vanaf 05.59 uur tot 06.04 uur zijn er vanaf de mobiele telefoon van verdachte 8 outcalls geweest. Vervolgens is er om 06.12 uur een outcall naar het nummer van een [betrokkene 1] en daarna 2 outcalls naar het nummer van een [betrokkene 2] te 06.13 uur. Vanaf dat moment zijn er geen belcontacten totdat te 06.36 uur het nummer van [betrokkene 2] weer wordt aangeroepen. Vervolgens wordt er tot 06.47 uur 14 keer gebeld naar de mobiele telefoon van [slachtoffer 1] en de vaste aansluiting van [adres]. Er is aldus van 06.13 tot 06.36 uur niet gebeld met de mobiele telefoon van verdachte.

De politie is nagegaan hoeveel tijd het lopen van de kortst mogelijke route van verdachtes woning naar perceel [adres] in wandeltempo bestrijkt. Uit dit onderzoek volgt dat dit 11.07 minuten betreft.

De onderbuurman van verdachte, [getuige 2], is op 3 en 6 december 2006 als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat hij in de ochtend van 3 december 2006 ongeveer om 06.00 uur thuis is gekomen. Hij hoorde in de woning van verdachte toen geen geluiden gehoord die erop wezen dat er iemand thuis was. Hij is een dvd gaan kijken. [getuige 2] heeft verklaard dat hij om 06.15 uur iemand hoorde thuis komen. Hij nam aan dat dit verdachte was, nu hij en verdachte de enige personen zijn die woonachtig zijn in het gebouw en die een sleutel hebben van de voordeur. [getuige 2] hoorde de persoon naar de woning van verdachte gaan. Na 10 minuten hoorde hij de persoon weer de trap afkomen en via de voordeur naar buiten gaan. Na 7 a 8 minuten hoorde hij dat de voordeur weer open ging en dat de persoon die binnen kwam wederom naar de woning van verdachte ging. [getuige 2] heeft verklaard dat telkens als hij de persoon hoorde vertrekken en binnen komen, hij op de dvd-speler heeft gekeken en zo kon zien op welk tijdstip dit plaatsvond.

Verdachte heeft op 6 december 2006 bij de politie verklaard dat hij in de ochtend van 3 december iets voor 06.00 uur thuis kwam na het uitgaan en vervolgens naar bed is gegaan.

Ter terechtzitting van 3 juli 2007 heeft verdachte verklaard dat hij op zijn weg naar huis was aangesproken door een hem onbekende jongen die in gezelschap was van drie andere personen. De jongen had hem gevraagd of er nog een coffeeshop open was. Verdachte heeft verklaard dat hij tegen de jongen en zijn gezelschap had gezegd dat ze maar met hem mee richting zijn huis moesten gaan. Verdachte heeft verklaard dat hij na 06.00 uur alleen is thuis gekomen. Hij heeft een joint gedraaid en is vervolgens weer naar buiten gegaan om de joint in ruil voor 5 euro aan de jongen te geven. Verdachte heeft verklaard dat hij hierna weer naar huis is gegaan en onderweg nog [slachtoffer 1] en vrienden heeft geprobeerd te bellen. Hij heeft niet eerder over deze drugsdeal verklaard, naar eigen zeggen omdat hij bang was dat dit illegaal was en omdat hij niet voor een drugsdealer wilde worden aangezien. Tengevolge hiervan heeft hij in eerste instantie ook niet de waarheid verklaard met betrekking tot de plaats van aanwezigheid en het belgebruik van zijn telefoon.

De rechtbank stelt op basis van de verklaring van [getuige 2] en de verklaring van verdachte vast dat verdachte omstreeks 06.15 uur is thuis gekomen en vervolgens voor korte tijd de woning weer heeft verlaten. De rechtbank acht echter de verklaring van verdachte wat betreft de reden voor het verlaten van de woning niet aannemelijk. Verdachte heeft tijdens zijn verhoren bij de politie en tijdens eerdere terechtzittingen nimmer over de drugsdeal verklaard. Voorts komt de verklaring van verdachte omtrent zijn belcontacten op weg naar huis niet overeen met de door de politie geconstateerde belcontacten, nu verdachte juist op de tijdstippen gezegd gebeld te hebben er volgens de telefoongegevens juist niet zou zijn gebeld.

Gelet op de tijdstippen waarop verdachte, gelet op de verklaring van getuige [getuige 2], zijn woning heeft verlaten en weer naar binnen is gegaan, de tijd die het kost om van verdachtes huis naar perceel [adres] heen èn terug te gaan alsook gelet op het tijdstip waarop de brand gemeld werd, 06.42 uur, is het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk dat verdachte op het moment van het stichten van de brand zelf bij perceel [adres] kan zijn geweest.

De rechtbank stelt voorop dat niet duidelijk is wat zich precies heeft afgespeeld in de vroege ochtend van 3 december 2006.

Naar het oordeel van de rechtbank is er wèl een relatie tussen verdachte en de brandstichting. Dit gelet op de resultaten van het onderzoek naar de brandversnellende middelen op de plaats van het delict en verdachtes spijkerbroek, de resultaten van het onderzoek naar de inhoud van de fles spiritus en het kaarsvergelijkende onderzoek alsmede de in de woning van verdachte aangetroffen fles terpentine. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat verdachte de spiritusfles met het mengsel van brandversnellende middelen en de kaars erin op enig moment in zijn woning heeft geprepareerd. Gelet voorts op het feit dat verdachte in het tijdsbestek voorafgaand aan de eerste melding van de brand te 06.42 uur, zijn woning heeft betreden, na korte tijd heeft verlaten en na enige tijd weer in zijn woning is teruggekeerd, waarbij opvallend is dat verdachte juist binnen het tijdsbestek van 06.13 tot 06.36 uur geen belcontacten heeft gehad, is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat verdachte, naar het zich laat aanzien conform eerder gemaakte afspraken en/of overleg, in dit tijdsbestek de door hem geprepareerde fles aan een onbekend gebleven mededader heeft overhandigd waarmee door die mededader zeer korte tijd later de brand in perceel [adres] is gesticht. De rechtbank is van oordeel dat verdachte en de onbekende mededader zo nauw en bewust hebben samengewerkt, dat verdachte als medepleger van de brandstichting kan worden aangemerkt.

Motief

Uit de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 1] volgt dat dat [slachtoffer 1] op 25 september 2006 bij verdachte is weggegaan met medeneming van hun zoontje [slachtoffer 4]. De rechtbank stelt vast, gelet op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 1], dat sindsdien de verhouding tussen beiden gekenmerkt werd door het elkaar niet kunnen loslaten, wat zich uitte in steeds opbellen en/of opzoeken. In het weekend van 2 en 3 december 2006 is bijvoorbeeld ook door beiden over en weer contact gezocht via telefoontjes en/of sms-jes.

Uit het onderzoek naar de historische gegevens van de telefoon van [slachtoffer 1] volgt dat zij op 2 december 2006 te 19.15 uur een sms naar verdachte heeft gezonden met de tekst “dag mannetje van me, zou je mij aub voor de tweede keer willen trouwen, oh ja ik ben trouwens zwanger van je”.

Uit de verklaring van getuige [getuige 3] d.d. 15 december 2006 volgt dat hij op zaterdagavond 2 december 2006 met verdachte over diens relatieproblemen met [slachtoffer 1] heeft gesproken. De getuige verklaart dat verdachte tijdens dit gesprek een sms-je kreeg en hierop vertelde dat zijn vriendin het goed wilde maken. In de ochtend van 3 december 2006 omstreeks 04.00 uur zei verdachte tegen getuige [getuige 3] dat hij dat wijf niet meer hoefde en dat hij zijn leven niet wilde vernietigen door zo’n wijf.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 4] d.d. 15 december 2006, [getuige 5] d.d. 19 december 2006 en [getuige 6] d.d. 18 december 2006 volgt dat zij verdachte in de vroege ochtenduren van 3 december 2006, tussen 05.10 en 05.30 uur huilend en verdrietig in de stad hebben gezien.

De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte op 3 december 2006, gelet op zijn relatieperikelen en gelet op de toestand waarin hij klaarblijkelijk verkeerde, [slachtoffer 1] iets wilde aandoen en ziet hierin een motief voor verdachte om de tenlastegelegde feiten te plegen.

Opzet

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte heeft gehandeld met het van te voren beraamde oogmerk om [slachtoffer 1], hun zoontje [slachtoffer 4] en de familieleden van [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Niet is komen vast te staan dat verdachte daadwerkelijk hun dood heeft gewild danwel het risico dat zij zouden komen te overlijden van te voren welbewust op de koop toe heeft willen nemen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastelegde.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, gelet op zijn aandeel in het geheel, te weten het prepareren van een fles met brandversnellende middelen en dit mee te geven aan een mededader met de intentie dat hiermee brand zal worden gesticht in de vroege ochtenduren in de woning van [slachtoffer 1]’s familie, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat tengevolge van zijn handelwijze [slachtoffer 1], hun zoontje en de overige familieleden van [slachtoffer 1] tengevolge van de brand in de woning zouden kunnen komen te overlijden. Voorts heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat tengevolge van de brand in perceel [adres] niet alleen levensgevaar voor de zich in dat pand bevindende personen te duchten was, doch ook levensgevaar voor een of meer personen in belendende percelen alsook gemeen gevaar voor goederen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 subsidiair en feit 2 is tenlastegelegd.

Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op de verklaringen van verdachte en die van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ziet het onder feit 3 tenlastegelegde op een voorval in november 2006, waarbij verdachte en zijn broer [getuige 6] naar perceel [adres] zijn gegaan in verband met een bedrag van 500 euro van verdachtes bankrekening wat [slachtoffer 1] zich zou hebben toegeëigend. Verdachte en zijn broer ontkennen bedreigende uitlatingen te hebben gedaan bij dit voorval. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] volgt niet eenduidig welke uitlatingen door verdachte en/of zijn broer [getuige 6] zouden zijn gedaan danwel tegen wie die uitlatingen gericht zouden zijn geweest. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 3 december 2006 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het voornemen om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven, verdachtes mededader opzettelijk een mengsel van een hoeveelheid brandspiritus en terpetine of een ander petroleumproduct, door de brievenbus van een deur van een woning [adres] hebben/heeft gegoten en vervolgens dat mengsel van die spiritus en die terpetine of dat petroleumproduct, heeft aangestoken met behulp van een -tevoren- geprepareerde kaars, ten gevolge waarvan in die woning brand is ontstaan en een gedeelte van die woning is verbrand, zulks terwijl genoemde personen zich in die woning bevonden, en die woning vanwege de brand niet via de reguliere weg konden verlaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 3 december 2006 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een woning [adres], hierin bestaande dat verdachtes mededader opzettelijk zich -conform tevoren gemaakte afspraken- naar de omgeving van de plaats van het misdrijf heeft begeven en een mengsel van een hoeveelheid brandspiritus en terpetine of een petroleumproduct, door de brievenbus van een deur van die woning heeft gegoten en dat mengsel van die spiritus en die terpetine of dat petroleumproduct, heeft aangestoken ten gevolge waarvan in die woning brand is ontstaan en (een) gedeelte van die woning is verbrand, zulks terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich in die woning bevonden, en die woning vanwege de brand niet via de reguliere weg konden verlaten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van die woning en (de inboedel van) belendende percelen, en levensgevaar voor genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en een of meer andere personen die zich in belendende percelen bevonden;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

“Poging tot doodslag door twee of meer verenigde personen”

Ten aanzien van feit 2:

“Opzettelijk brand stichten door twee of meer verenigde personen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is”

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zjin strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

Verdachte is strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 7 december 2006;

• een FPD-briefrapport, opgemaakt door B. Gotink, psychiater, gedateerd 13 december 2006, betreffende verdachte;

• een rapport van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt door J.B. Seinen, psycholoog en A.E. Ederveen-Grochowska, psychiater, gedateerd 26 juni 2007, betreffende verdachte.

Verdachte heeft samen met een mededader in de vroege ochtenduren brand gesticht in de woning waar zijn voormalige echtgenote, familieleden van haar en hun beider zoontje verbleven. Aanleiding hiervoor waren relatieperikelen tussen verdachte en zijn voormalige echtgenote. Slechts door adequaat en tijdig optreden van de brandweer hebben verdachtes voormalige echtgenote, hun zoontje en de overige personen de woning zonder letsel kunnen verlaten. De woning heeft tengevolge van de brand schade opgelopen. De brand heeft niet alleen binnen verdachtes ex-schoonfamilie, doch ook onder de buurtbewoners in de directe omgeving veel consternatie veroorzaakt. De gevolgen van de brand hadden zeer veel ernstiger kunnen zijn zowel qua materiële schade als qua slachtoffers. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zeer ernstige feiten heeft gepleegd en rekent hem dit zwaar aan.

Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest.

Uit het door J.B. Seinen, psycholoog en A.E. Ederveen-Grochowska, psychiater, opgemaakte Pro Justitia rapport van 26 juni 2007 volgt dat verdachte geweigerd heeft mee te werken aan het gedragskundig onderzoek. Op basis van de observaties en de beschikbare gegevens zijn geen aanwijzingen gevonden dat verdachtes weigering gebaseerd is op pathologische motieven. Er zijn, op lichte spanningsklachten na, geen aanwijzingen gevonden voor psychiatrische problematiek. De deskundigen hebben, gelet op verdachtes weigering om mee te werken, niet kunnen beoordelen of er bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 45, 55, 157, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. M.C. Gerritsen, als voorzitter,

mr. J.P. Bordes, rechter,

mr. W.E. Louwerse, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. Huang, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2007.