Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA9593

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/2545
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding ingevolge de AOW. De SVB voert een begunstigend buitenwettelijk beleid; in bepaalde gevallen toch sprake van gezamenlijke huishouding, ondanks dat een partner het hoofdverblijf elders heeft. Ook bij dit beleid dient verweerder, indien aangevoerd, te bezien of van zijn beleid moet worden afgeweken in voor eiser gunstige zin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/2545

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[A], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door [B],

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 april 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2005 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van de beslissing dat eisers ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een gehuwde met ingang van 1 december 2005 wordt herzien en gewijzigd in een ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 13 juni 2007. Eiser en zijn gemachtigde, [B], wonende te [woonplaats], zijn aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M.M.W. van der Ent-Eltink, werkzaam bij de SVB, kantoor Nijmegen.

3. Overwegingen

Uit de stukken komt naar voren dat eiser en mevrouw [B] (verder: [B]) sedert 26 augustus 1996 samenwonen. Op grond daarvan en aangezien [B] jonger dan 65 jaar is, is aan eiser in februari 1999 een toeslag ingevolge de AOW toegekend. Als gevolg van zijn gezondheidstoestand is eiser met ingang van 1 november 2005 opgenomen in het Zorgcentrum Felixoord te [woonplaats] (verder: het Zorgcentrum). Dit betrof een door geen van beide partners gewenste maar medische noodzakelijke opname, terwijl er kennelijk sprake is van een feitelijke onmogelijkheid tot hervatting van de samenleving.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser en [B], door eisers opname in het Zorgcentrum, sinds 1 november 2005 niet langer het hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Nu er volgens verweerder niet langer sprake is van een gezamenlijke huishouding kunnen eiser en [B] niet langer als gehuwden worden aangemerkt. Verweerder heeft in het bestreden besluit medegedeeld dat daarbij niet alleen rekening is gehouden met de relevante bepalingen van de AOW, maar ook met het terzake vastgestelde beleid.

Eiser heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal in het navolgende op de stellingen van eiser worden ingegaan.

In artikel 1 van de AOW is, voor zover relevant, bepaald:

“3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of

d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.”

In artikel 8, eerste lid, van de AOW is –voor zover relevant- bepaald dat de gehuwde pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan 65 jaar, overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht heeft op een toeslag.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het besluit van 12 december 2005 tevens beoogd heeft de in 1999 aan eiser verleende toeslag in te trekken. Kennelijk is ook eiser hiervan uitgegaan, aangezien zijn bezwaar is gericht tegen de intrekking van de toeslag.

Niet in geding is dat eiser en [B] tot 1 november 2005 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en tot die tijd als gehuwd konden worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder a van de AOW. Door de opname van eiser in het Zorgcentrum hebben eiser en [B] niet langer het hoofdverblijf in dezelfde woning en is naar het oordeel van de rechtbank niet langer sprake van een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in artikel 1 van de AOW. Eiser en [B] kunnen derhalve niet meer worden aangemerkt als gehuwden in de zin van de wet.

Mede naar aanleiding van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, onder andere de uitspraak van 8 oktober 1992 (RSV 1993/114), heeft verweerder voor dit soort gevallen beleid ontwikkeld. In het Besluit Beleidsregels Sociale verzekeringsbank 2005 is in onderdeel “Bijzondere situaties bij het voeren van een gezamenlijke huishouding”, subonderdeel “(Tijdelijk) verblijf elders”, aangegeven dat, indien geen sprake meer is van hetzelfde hoofdverblijf, de gezamenlijke huishouding voortduurt indien er sprake is van tijdelijk verblijf elders, een notarieel samenlevingscontract, een kind uit de relatie of de erkenning van een kind door een van de partners.

De rechtbank volgt verweerder in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat dit beleid moet worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of zodanig beleid op consistente wijze en niet onredelijke wijze is toegepast.

De rechtbank stelt vast dat op eiser niet één van de in het beleid genoemde situaties van toepassing is en dat derhalve volgens het beleid geen sprake is van de fictie dat de gezamenlijke huishouding voortduurt, ondanks het feit dat eiser en [B] niet meer hetzelfde hoofdverblijf hebben.

Het voorgaande betekent dat verweerder het beleid op juiste wijze heeft toegepast.

In bezwaar en beroep heeft eiser onder meer gewezen op de duur van de samenwoning en de stelling ingenomen dat hij en [B] overwogen hebben om een samenlevingscontract te sluiten, maar daarvan hebben afgezien omdat zij, na het inwinnen van informatie, in de veronderstelling verkeerden dat zulks niet nodig was.

Naar aanleiding van hetgeen door eiser in bezwaar en in beroep is aangevoerd stelt de rechtbank vast dat niet zozeer de toepassing van het beleid in geschil is, maar de vraag of verweerder in de door eiser aangevoerde argumenten aanleiding had moeten zien van zijn beleid af te wijken in voor eiser gunstige zin.

De rechtbank is van oordeel dat ook in geval van buitenwettelijk, begunstigend beleid door verweerder beoordeeld dient te worden of aanleiding bestaat van dat beleid af te wijken indien daartoe strekkende argumenten worden aangevoerd. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 december 2006, LJN: AZ3754.

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder een dergelijke beoordeling heeft gemaakt en in dat besluit is niet gemotiveerd waarom verweerder geen aanleiding heeft gezien ten gunste van eiser van het buitenwettelijke beleid af te wijken. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2005 met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, nu niet is gebleken dat door eiser voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt. Wel dient het door eiser betaalde griffierecht aan hem te worden vergoed.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 12 december 2005 met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat de SVB het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 38 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 10 juli 2007