Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA9401

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/5390 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen verlenging van de vijf jaars termijn als bedoeld in artikel 29b van de Ziektewet (ZW) ivm ontbreken van aanzienlijk verhoogd risico op het bestaan van ernstige gezondheidsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/5390 ZW

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Delta Project Management BV, eiseres, gevestigd te Culemborg,

vertegenwoordigd door mr. J.F. van Duin,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 september 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft verweerder eiseres’ verzoek tot verlenging van de termijn als bedoeld in artikel 29b van de Ziektewet (ZW) waarbinnen haar werkneemster [A] in geval van ziekte recht heeft op ziekengeld, geweigerd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 15 mei 2007. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door mr. Van Duin voornoemd, advocaat te Ridderkerk, en door R. Guicherit, adjunct-directeur van eiseres.Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. van den Elsakker, werkzaam bij het UWV te Arnhem.

3. Overwegingen

[A] voornoemd lijdt aan de ziekte van Crohn. Aan haar is door verweerder in dat verband met ingang van 1 november 2000 een uitkering in het kader van Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Deze uitkering is door verweerder met ingang van 25 april 2001 ingetrokken aangezien [A] minder dan 15% arbeidsongeschiktheid werd geacht. Haar is toen meegedeeld dat zij gedurende vijf jaar na beëindiging van haar WAO-uitkering (nog) als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de (re)integratie (Wet REA) wordt aangemerkt.

Op 1 oktober 2001 is [A] bij eiseres in dienst getreden. Eiseres heeft verweerder verzocht de vijfjaarstermijn waarbinnen [A] als arbeidsgehandicapte ingeval van ziekte recht heeft op ziekengeld, te verlengen. Verweerder heeft dit verzoek bij in het in rubriek 2 vermelde besluit van 1 mei 2006 geweigerd en daarbij gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat [A] voor het afloop van de vijfjaarstermijn door ziekte of gebrek een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige gezondheidsklachten. Bij het bestreden besluit is het besluit van 1 mei 2006 gehandhaafd.

Met invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 29 december 2005 is de Wet REA ingetrokken. Het overgangsrecht in verband met de intrekking van de Wet REA is neergelegd in art. 2.3 Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (IWIA). Degenen die voor intrekking van de Wet REA al als arbeidsgehandicapt werden aangemerkt, behouden deze status zolang zij blijven voldoen aan de voorwaarden die deze wet stelde.

Artikel 2 van de Wet REA luidde onder meer:

"1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder arbeidsgehandicapte verstaan:

a. de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, de WAZ of de WAJONG;

b. de persoon aan wie op grond van een wettelijk voorschrift in verband met ziekte of gebrek een voorziening is toegekend die strekt tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid of ten behoeve van wie een subsidie voor met een voorziening verband houdende kosten is verstrekt;

c. ….

d. ….

e. ….

2. De persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, blijft arbeidsgehandicapte in de zin van deze wet voor de periode van vijf jaar na de datum waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in onderdeel a, in verband met vermindering van de arbeidsongeschiktheid of de voorziening, bedoeld in onderdeel b, is geëindigd".

Vastgesteld wordt dat [A] ten tijde van haar indiensttreding bij eiseres arbeidsgehandicapte was ex artikel 2, tweede lid, van de Wet Rea.

In artikel 29b, eerste lid, van de ZW, zoals dit luidde ten tijde in geding, is bepaald dat de werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan zijn dienstbetrekking arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet REA, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken recht heeft op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die aangevangen zijn in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.

Ingevolge artikel 87 van de ZW kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (AMvB) voor bepaalde groepen van personen bijzondere, zonodig van het bepaalde bij of krachtens deze wet afwijkende bepalingen worden gemaakt ten aanzien van de verzekering en de ziekengelduitkering. Bij AMvB van 20 juli 1998 (Stb. 1998, 488) is daarnaan met terugwerkende kracht tot 1 juli 1998 invulling gegeven middels het Arbeidsgehandicaptebesluit.

In artikel 8, eerste lid, van het Arbeidsgehandicaptebesluit is bepaald dat, indien ten aanzien van een werknemer als bedoeld in artikel 29b van de ZW wordt vastgesteld dat hij lijdt aan ziekte of gebreken, die maken dat hij binnen vijf jaar na de beoordeling van de arbeidshandicap een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige gezondheidsklachten, de in artikel 29b van de ZW bedoelde termijn voor de afloop van die termijn wordt verlengd, indien op dat moment de ziekte of gebreken dan wel het verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten nog bestaan.

Beoordeeld moet worden of verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat er op 1 oktober 2006 bij [A] niet langer sprake was van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten als bedoeld in artikel 8 van het Arbeidsgehandicapte-besluit en daarmee al dan niet terecht heeft geweigerd tot verlenging van de vijfjaarstermijn van artikel 29b van de ZW.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een onverminderd slecht vooruitzicht met betrekking tot het ziekteverzuim (en invalideringsrisco) en meent dat een toename van de structurele beperkingen niet is te verwachten. Verweerder baseert zich op de rapporten van de verzekeringarts M.Al-Ali van 27 april 2006 en van de bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan van 5 september 2006.

Eiseres heeft dienaangaande gesteld dat de ziekte van Crohn een sterk wisselend ziektebeeld kent, zodat op grond van het feit dat [A] reeds geruime tijd geen ernstige gezondheidsklachten heeft ondervonden niet kan worden afgeleid dat het risico daarop is verminderd. Integendeel, aldus eiseres, en zij verwijst hiervoor naar statistische gegevens van dr. J.P. Neijt d.d. 10 november 2006, als internist verbonden aan het Universitair Medisch Centrum te Utrecht.

In de Nota van toelichting bij het Arbeidsgehandicaptebesluit wordt ten aanzien van deze verlengingsmogelijkheid onder meer opgemerkt:

"In twee gevallen echter kan een arts reeds zelf tot het oordeel komen dat een persoon arbeidsgehandicapt is. De eerste situatie waarin de arts een arbeidshandicap kan vaststellen is die waarin op het moment van keuring geen beperkingen bij het verrichten van arbeid bestaan, doch er wel een grote mate van waarschijnlijkheid is dat betrokkene een aanzienlijk verhoogd risico op ziekte of gebreken in de toekomst heeft. In het algemeen zal de arts daar geen individuele voorspellingen over kunnen doen, maar zal hij zijn oordeel moeten baseren op interpretatie van statistische gegevens. Het is de bedoeling dit criterium uitsluitend op die aandoeningen te betrekken, waarvan een ernstige progressie binnen de termijn van enkele jaren vaststaat. Het criterium is het biologische verloop van de aandoening en niet het veel moeilijker in te schatten verloop van de beperkingen in functioneren. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij bepaalde genetische aandoeningen, stofwisselingsziekten, spierziekten, infectieziekten en sommige progressieve neurologische aandoeningen en vormen van kanker. Anders gezegd: het betreft hier dus relatief zeldzame en duidelijke uitzonderingssituaties die betrekking hebben op ziekten met een sterk invaliderend verloop binnen enkele jaren of aanmerkelijke verkorting van de levensverwachting vóór het 65e levensjaar.

Het is daarom niet de bedoeling dat veel voorkomende, in het algemeen vaak op wat op langere termijn progressieve aandoeningen als hart- en vaatziekten, diabetes, artrose, reuma, psychiatrische aandoeningen en dergelijke onder dit criterium te vatten. Wel kunnen ook dan individuele gevallen toch aan het strikte criterium voldoen zoals in voorkomende gevallen zal blijken. De arts kan dus vrijwel nooit alléén maar op grond van de diagnose een arbeidshandicap aannemen of uitsluiten. Vanwege de gevoeligheid van de materie is het juist in deze omstandigheden van veel belang dat de betrokkene zelf op deze gronden expliciet kenbaar maakt, als arbeidsgehandicapt beschouwd te willen worden. Het initiatief zal dus nadrukkelijk van betrokkene en niet van derden - Arbeidsvoorziening, werkgevers, behandelend artsen, sociale verzekering, GGD, arbodienst - moeten uitgaan.

Tijdens de Kamerbehandeling van de Wet REA is voorts de aandacht gevestigd op de specifieke problemen van personen met een sterk verhoogd risico. Algemeen bleek men te voelen voor de suggestie van de Gehandicaptenraad om voor mensen met een progressieve aandoening of een sterk wisselend ziektebeeld een verlenging van de (reeds tot vijf jaar verlengde) termijn van artikel 29b Ziektewet met (bijvoorbeeld) vijf jaar mogelijk te maken. Een motie van die strekking van het lid Van Nieuwenhoven werd met algemene stemmen aanvaard. Met name voor personen met een progressief verlopende ziekte kan het probleem optreden, dat zij op zich wel enkele jaren goed kunnen presteren en verdienen, en in die periode dus als een gewone werknemer kunnen worden beschouwd, doch dat op termijn hun vooruitzichten met betrekking tot het ziekteverzuim (en invalideringsrisico) onverminderd slecht blijven. Dit kan hun arbeidsmarktkansen belemmeren. In dit besluit wordt derhalve voor de groep werknemers met een aanzienlijk verhoogd risico de mogelijkheid geschapen voor verlenging van de vijfjaarsperiode. Dit houdt in dat voor het einde van de vijfjaarsperiode wordt bezien of de aandoening die reden was om een persoon als een verhoogd risico te beschouwen nog steeds aanwezig is. Is dit het geval dan wordt de overname van de loondoorbetalingsverplichting met vijf jaar verlengd. Tevens wordt in deze amvb geregeld dat voor de betrokken werknemers de verlenging van de no-riskpolis van de WAO mogelijk is (de artikelen 75c en 76f WAO). Een werkgever die een werknemer in dienst neemt wiens aandoening als een sterk verhoogd risico moet worden beschouwd krijgt dus geen premieopslag WAO opgelegd als betrokkene arbeidsongeschikt wordt, zolang het verhoogde risico aan de orde is".

Vooropgesteld wordt dat de ziekte van Crohn een chronische inflamatoire darmaandoening is, waarbij ontstekingen en perioden van remissie elkaar afwisselen. Onder de patiënten zijn grote verschillen in ernst en aard van de klachten, in behandelbaarheid en in frequentie van de ontstekingen. Derhalve kan, gelet op de Memorie van Toelichting, niet enkel op basis van de diagnose worden aangenomen dat sprake is van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, met name gelet op het hangende beroep ingediende rapport van de bezwaarverzekeringsarts d.d. 22 december 2006, op goede gronden heeft geoordeeld dat er in het specifieke geval van [A] geen sprake meer is van een dergelijk risico. In dit rapport geeft de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd aan dat ook uitgaande van de statistische gegevens uit het beroepschrift in het geval van [A] het invalideringsrisico, indachtig de ter beschikking staande medicamenteuze en operatieve technieken, niet zodanig slecht is dat dit verlenging van de art. 29b ZW-risicoperiode zou rechtvaardigen. De bezwaarverzekeringsarts hecht daarbij niet alleen doorslaggevende waarde toe aan het feit dat [A] reeds jaren klachtenvrij is, maar ook aan het feit dat er geen ontstekingen zijn in de darm, noch daarbuiten en dat er zelfs bij roken reeds lange tijd geen exacerbatie is opgetreden. Ook het feit dat sprake was van een lange pre-operatieve ziekteduur en geen sprake van fistelvorming of van een uitgebreide ziekte bij endoscopie, zijn volgens de bezwaar-verzekeringsarts te betrachten als gunstige factoren met betrekking tot de noodzaak tot een recidief operatie. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan deze conclusie te twijfelen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen en betogen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van

G.W. Jansink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 12 juni 2007