Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA9126

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/6016
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fiscaal partnerschap. Keuze in aanvraag voorlopige teruggaaf. Geen aangifte gedaan, keuze blijft in stand, zodat recht op gecombineerde heffingskorting bestaat. Verzuimboete; geen afwezigheid van alle schuld. Verzuimenreeks.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6016

Uitspraakdatum: 23 mei 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag (aanslagnummer [.]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 0. Tevens heeft verweerder bij afzonderlijke beschikking aan eiser een boete opgelegd van € 567.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 19 oktober 2006 de aanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 10 november 2006, ontvangen bij de rechtbank op

14 november 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2007 te Arnhem. Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [.].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast.

Eiser, geboren op 10 februari 1963, heeft op 3 januari 2001 elektronisch een verzoek voorlopige teruggaaf IB/PVV over 2001 ingediend. In dit verzoek is de keuze voor fiscaal partnerschap gemaakt, waarbij als partner is vermeld mevrouw [S] (hierna: eisers partner), sofi-nummer: [.]. Eiser heeft een verzamelinkomen aangegeven van € 0. Op basis van de verstrekte gegevens is aan hem de algemene heffingskorting uitbetaald van € 1.576.

Eisers partner heeft over het jaar 2001 aangifte IB/PVV gedaan. In deze aangifte is bij de vraag “Kiest u samen met uw huisgenoot voor het fiscale partnerschap” het vakje “ja” aangekruist. Bij het vakje “Naam en voorletters van uw fiscale partner” staan eisers gegevens vermeld. Het betreffende aangiftebiljet is niet door eiser mede ondertekend.

Op 12 maart 2002 is aan eiser een aangiftebiljet IB/PVV over 2001 uitgereikt, onder vermelding van een uiterste inlevertermijn van 1 mei 2002. Eiser is op 15 augustus 2002 aangemaand tot het indienen van het aangiftebiljet. Op 12 september 2002 is aan hem een herinnering verzonden om aangifte te doen.

Op 18 maart 2003 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verweerder en eiser. Op 22 maart 2003 heeft eiser een samenvatting van het gesprek naar verweerder toegestuurd. Op 24 september 2003 is aan eiser een laatste waarschuwing gestuurd met betrekking tot het inleveren van de aangifte IB/PVV 2001.

Eiser heeft zijn aangiftebiljet IB/PVV 2001 niet ingediend bij verweerder. Derhalve heeft verweerder, met dagtekening 4 februari 2005, ambtshalve de aanslag IB/PVV over 2001 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 0. Hierbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser niet heeft verzocht om fiscaal partnerschap. Derhalve is het bedrag van de algemene heffingskorting van € 1.576, met verhoging van heffingsrente, teruggevorderd van eiser. Tevens is een bedrag van € 567 aan verzuimboete opgelegd aan eiser.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of eiser recht heeft op uitbetaling van de niet verrekende gecombineerde heffingskorting conform het bepaalde in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2001, hierna: Wet IB 2001). Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser heeft gekozen voor de zogenaamde partnerregeling ex artikel 1.3 van de Wet IB 2001, welke vraag door eiser bevestigend en door verweerder ontkennend wordt beantwoord.

Voorts is in geschil of aan eiser terecht een verzuimboete is opgelegd. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

4. Beoordeling van het geschil

Verzoek fiscaal partnerschap

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op uitbetaling van de niet verrekende gecombineerde heffingskorting omdat hij en zijn partner de keuze voor de kwalificatie als partner hebben gemaakt. Hij verwijst hiervoor naar de ingediende aanvraag voor de voorlopige teruggaaf over het jaar 2001 en de ingediende aangifte IB/PVV 2001 van zijn partner. In deze aangifte zijn de betreffende hokjes voor toepassing van fiscaal partnerschap aangekruist. Volgens eiser heeft hij deze aangifte per abuis niet mede ondertekend. Eiser betoogt dat het ontbreken van zijn handtekening niet tot de conclusie kan leiden dat niet is verzocht om fiscaal partnerschap. Daarnaast is hij van mening dat verweerder hem ten aanzien van de ontbrekende handtekening ten onrechte geen mogelijkheid tot herstel of aanvulling hiervoor heeft geboden.

Verweerder is van mening dat zowel eiser als zijn partner bij de aangifte IB/PVV 2001 geen verzoek hebben gedaan voor de kwalificatie van fiscaal partner. Volgens verweerder is dit wel vereist om te kunnen opteren voor fiscaal partnerschap.

Niet in geschil is dat eiser en zijn partner voldoen aan de voorwaarden om te kunnen opteren voor de kwalificatie als elkaars fiscale partner. Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt de gezamenlijke keuze van de belastingplichtige en de andere ongehuwde meerderjarige voor de kwalificatie als partner gemaakt bij een verzoek om voorlopige teruggaaf of bij de aangifte. In de situatie van eiser is bij de voorlopige teruggaaf 2001 de keuze gemaakt voor de kwalificatie als partner. Eiser heeft geen aangifte IB/PVV 2001 ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval dan ook geen sprake van een situatie waarin kan worden aangenomen dat is teruggekomen op de gemaakte keuze voor fiscaal partnerschap. Anders dan verweerder betoogt, volgt niet uit de wet of de toelichting daarop dat de bij de voorlopige teruggaaf gemaakte keuze zou moeten worden bevestigd via het indienen van een aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het te ver om aan het ontbreken van eisers handtekening op de aangifte van zijn partner de conclusie te verbinden dat voor het jaar 2001 de keuze voor het fiscaal partnerschap is herzien.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiser en zijn partner niet hebben geopteerd voor fiscaal partnerschap. Dit betekent dat eiser recht heeft op uitbetaling van de algemene heffingskorting. Eisers beroep dient gegrond te worden verklaard. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden behoeven geen verdere behandeling meer.

Verzuimboete

Volgens eiser staat op het belastingformulier inzake de voorlopige teruggaaf vermeld dat er geen verdere aangifte gedaan hoeft te worden als er niets verandert. Eiser betoogt dat hiervan sprake is in zijn situatie. Derhalve is hij ervan uitgegaan dat de aan hem uitgereikte aangiftebiljetten over de jaren 1999 tot en met 2001 niet meer ingediend hoefden te worden. Naar zijn mening kan dan ook geen sprake zijn van een beboetbaar verzuim.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden om het aangiftebiljet in te vullen, te ondertekenen en te retourneren.

Op grond van het bepaalde in artikel 67a, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een verzuimboete opleggen aan de belastingplichtige als deze niet (tijdig) heeft voldaan aan zijn aangifteverplichtingen. Hiervan is sprake als de belastingplichtige niet binnen de op de aanmaning vermelde termijn zijn aangifte indient.

Niet in geschil is dat eiser de aan hem uitgereikte aangiftebiljetten IB/PVV over 1999, 2000 en 2001 niet heeft ingediend binnen de daarvoor in de aanmaning gestelde termijn. Voor het antwoord op de vraag of in eisers situatie sprake is van afwezigheid van alle schuld, die leidt tot vernietiging van de boetebeschikking, acht de rechtbank het volgende van belang. Op het aangiftebiljet staat uitdrukkelijk vermeld dat dit geretourneerd dient te worden. Daarnaast is aan eiser via een aanmaning en een waarschuwing medegedeeld dat hij zijn aangiftebiljet dient in te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser hierdoor niet het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gehad dat hij het biljet niet terug behoefde te sturen. Er is dan ook geen sprake van afwezigheid van alle schuld, ook niet als, zoals eiser stelt, op het belastingformulier voor de voorlopige teruggaaf iets anders stond vermeld.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een verzuim wegens het niet (tijdig) doen van aangifte. Terzake van dit verzuim kan verweerder aan eiser een verzuimboete opleggen.

Uit het derde lid van paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998) volgt dat voor de vaststelling van de hoogte van de verzuimboete eventueel eerdere verzuimen dienen te worden meegerekend. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 augustus 2004, BNB 2005/41, geoordeeld dat voor de verzuimenreeks slechts die verzuimen meetellen waarvoor een boete is opgelegd en waarvan mededeling is gedaan aan belanghebbende.

Verweerder heeft eiser voor het jaar 2001 beboet alsof sprake is van een derde verzuim

(€ 567). Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2000 is een verzuimboete van € 23 in rekening gebracht. Over het jaar 1999 is geen verzuimboete opgelegd aan eiser. Op grond van het voormelde arrest van de Hoge Raad heeft dit tot gevolg dat het verzuim van 1999 niet kan meetellen voor de verzuimenreeks. In de situatie van eiser betekent dit dat er slechts een boete kan worden opgelegd die hoort bij een tweede verzuim. Daarnaast dient de omstandigheid dat de aanslag IB/PVV over 2001 nihil bedraagt tot een verdere vermindering van de opgelegde boete te leiden. De rechtbank stelt de boete overeenkomstig paragraaf 21, derde lid, van het BBBB 1998 vast op € 68. Eisers beroep dient dus ook voor wat betreft de boetebeschikking gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling aangezien eiser geen kosten heeft gesteld en de rechtbank ook overigens niet van kosten is gebleken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep inzake de aanslag gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag;

- vermindert het bedrag van de aanslag tot nihil en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;

- verklaart het beroep inzake de boete gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de boete;

- vermindert de boete tot een bedrag van € 68 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door

mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier, op 23 mei 2007

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.