Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA9083

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
156227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen verschillen van mening over de uitleg van het begrip "erfrechtelijke aanspraak"in het tweede lid van artikel 49 van de Wna en meer in het bijzonder over de vraag of de wetgever hiermee enkel een erfrechtelijk aanspraak voortvloeiend uit de wet ('bij versterf") heeft bedoeld of ook een aanspraak uit een herroepen testament ("uiterste wilsbeschikking").

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 156227 / KG ZA 07-307

Vonnis in kort geding van 19 juni 2007

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. M.H.C. Morshuis te Den Haag,

tegen

[gedaagde],

in zijn hoedanigheid van notaris kantoorhoudende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.R.O. Dantuma,

advocaat mr. J.P. Brinkman te Doetinchem.

Eisers zullen hier[voornaam eiser]iser] en [eiser] (of [voornaam eiser] en [eiser]) genoemd worden. Gedaagde zal [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de door de partijen overgelegde stukken

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [voornaam eiser] en [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 26 februari 2007 is [overledene] overleden (hierna: tante). Zij was de zus van de vader van [voornaam eiser] en [eiser]. [voornaam eiser] en [eiser] waren op dat moment haar enige nog levende familieleden.

2.2. In het testament van 26 november 2004 van tante w[voornaam eiser]iser] als enige erfgename aangewezen. Bij akte van 10 januari 2007 heeft tante haar testament ten overstaan van [gedaagde] gewijzigd en een derde tot enig erfgenaam benoemd.

2.3. [gedaagde] heeft diverse verzoeken van [voornaam eiser] en [eiser] om nadere informatie over de inhoud van het testament van 10 januari 2007 en de identiteit van de daarbij benoemde erfgenaam niet ingewilligd. Het laatste verzoek daartoe is gedaan door hun advocaat bij brief van 20 april 2007. Daarop heeft [gedaagde] bij brief van 25 april 2007 aan hun advocaat afwijzend gereageerd met een beroep op zijn plicht tot vertrouwelijkheid. Hij heeft voorts aangegeven niet bereid te zijn tot verdere correspondentie in deze zaak.

2.4. Bij brief van 31 mei 2007 aan de advocaat van [voornaam eiser] en [eiser] schrijft [gedaagde] (onder meer) het volgende:

“(..) Alhoewel ik zelf nog steeds van mening ben, dat ik u de gevraagde informatie niet zou dienen te verschaffen, heeft men (de beroepsorganisatie – vzr.) mij aangegeven, dat artikel 49 Wna zo dient te worden gelezen, dat het recht op een afschrift van de van belang zijnde passages van een testament mede toekomt aan de erfgenamen bij versterf, die door het opmaken van het testament zijn buitengesloten.

Als gevolg hiervan ben ik bereid u een kopie van de voor uw cliënten van belang zijnde passages van het testament van [overledene] te verstrekken, indien u mij, (zulks wederom mede op advies van mijn beroepsorganisatie) genoegzaam door middel van schriftelijke stukken (bijvoorbeeld …) aantoont dat uw cliënten de erfgenamen bij versterf zouden zijn geweest van [overledene], indien zij was overleden zonder testament. (…)”

3. Het geschil

3.1. [voornaam eiser] en [eiser] vorderen – samengevat – [gedaagde] op straffe van een dwangsom te gelasten tot afgifte aan hen van een afschrift van een verklaring van erfrecht dan wel tot afgifte a[voornaam eiser]iser] van een afschrift of uittreksel van de uiterste wilsbeschikking van [overledene] van 10 januari 2007, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [voornaam eiser] en [eiser] stellen daartoe d[voornaam eiser]iser] is aan te merken als ‘degene die door een uiterste wilsbeschikking een erfrechtelijke aanspraak heeft verloren’ zoals weergegeven in artikel 49 tweede lid van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna), en dat zij reeds daarom, zonder haar wettelijke erfgenaamschap te hoeven bewijzen, recht heeft op het gevorderde afschrift of uittreksel. Daarnaast voeren zij aan dat zij beiden als wettelijk erfgenaam bij wijze van plaatsvervulling in een rechtsverhouding stonden tot tante, zoals bedoeld in artikel 49B van de Wna en op grond daarvan recht hebben op het gevorderde afschrift of uittreksel. Hun spoedeisend belang bij de gevorderde afgifte is gelegen in de omstandigheid dat zij sterk vermoeden dat druk op tante is uitgeoefend om haar testament te wijzigen. Om dit te kunnen uitzoeken én teneinde het testament zo spoedig mogelijk aan te kunnen vechten hebben zij de naam van de huidige erfgenaam nodig. Bij langer wachten vrezen zij verduistering van het geërfde vermogen. Er is tijd verloren gegaan, aldus [voornaam eiser] en [eiser], doordat de notaris hen pas op 31 mei 2007 op de hoogte heeft gesteld dat zij recht hebben op een afschrift indien zij hun familieband met tante kunnen aantonen. Voor het vergaren van het daartoe door de notaris noodzakelijk geachte bewijsmateriaal resteert hen nu te weinig tijd.

3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer, kort samengevat dat [voornaam eiser] en [eiser] als gevolg van de bij brief van 31 mei 2007 door hem toegezegde medewerking geen (spoedeisend) belang meer hebben bij hun vordering en dat het recht op afgifte van een kopie in het algemeen slechts aan wettelijke erfgenamen toekomt, terwijl [voornaam eiser] en [eiser] nog niet (genoegzaam) hebben aangetoond dat zij dat zijn. Ook voert hij aan d[voornaam eiser]iser] als voormalig erfgenaam krachtens testament geen 'erfrechtelijke aanspraak' in de zin van het tweede lid van artikel 49 Wna heeft of had omdat een aanwijzing in een testament als erfgenaam altijd voorwaardelijk is en de voorwaarde zich niet heeft voorgedaan.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang van [voornaam eiser] en [eiser] bij hun vordering vloeit voldoende voort uit hun vrees voor verduistering van het geërfde vermogen. Dat [gedaagde] bij brief van 31 mei 2007 heeft verklaard, onder voorwaarden, aan hun verzoek tegemoet te willen komen, doet daaraan niet af.

4.2. Krachtens artikel 49 eerste lid Wna dient de notaris van de tot zijn protocol behorende notariële akten afschriften, uittreksels of grossen uit te geven aan (onder meer) diegenen die een recht ontlenen aan de inhoud van de akte. In artikel 49 tweede lid van de Wna is bepaald dat onder degenen die een recht ontlenen aan de inhoud van de akte als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, mede wordt begrepen diegene die door een uiterste wilsbeschikking een erfrechtelijke aanspraak heeft verloren, doch slechts ten aanzien van het desbetreffende onderdeel van die wilsbeschikking.

4.3. Partijen verschillen van mening over de uitleg van het begrip 'erfrechtelijke aanspraak' in het tweede lid van artikel 49 van de Wna en meer in het bijzonder over de vraag of de wetgever hiermee enkel een erfrechtelijke aanspraak voortvloeiend uit de wet (‘bij versterf’) heeft bedoeld of ook een aanspraak uit een herroepen testament (‘uiterste wilsbeschikking’).

4.4. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat hiermee uitsluitend een uit de wet voortvloeiende erfrechtelijke aanspraak is bedoeld. Artikel 4:42 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt als volgt:

‘Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt.’

Het karakter van de uiterste wilsbeschikking wordt gekenmerkt door de eenzijdigheid en de werking ná overlijden. Blijkens de MvA, nr. 6, p.21, Parl. Gesch.Vast., p. 217 wordt een rechtsbetrekking na overlijden beoogd. Tijdens het leven worden geen rechtsbanden geschapen tussen testateur en degene die de testateur wenst te bevoordelen. Kortom: er bestaat tijdens leven geen enkele binding (zie: Van Mourik, Verstappen, Schols, Schols en Waaijer in het Handboek Erfrecht). Hieruit vloeit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voort dat het in een testament benoemd zijn tot erfgerechtigde op zichzelf nog geen aanspraak of recht op de erfenis geeft. Die aanspraak ontstaat pas op het moment van het overlijden van de erflater. Op het tweede lid van artikel 49 Wna kan dan ook door een erfgenaam uit een herroepen testament, niet zijnde een wettelijk erfgenaam, voorshands geoordeeld geen beroep worden gedaan.

4.5. Het voorgaande wordt ondersteund door jurisprudentie. Uit De Notariswet van J.C.H. Melis (p. 206) blijkt dat het tweede lid van artikel 49 Wna een codificatie is van het arrest HR 8 januari 1981, NJ 1982, 423 (erven Ouwendijk). In dat arrest was de vraag aan de orde of personen die de erflater als versterferfgenaam heeft onterfd, recht hebben op afschriften van erflaters testamenten. De Hoge Raad maakte (onder meer) uit dat zij zonder meer recht hebben op een afschrift van het laatste testament. Als codificatie van deze uitspraak van de Hoge Raad lijkt de in het tweede lid van artikel 49 Wna opgenomen tekst ‘degene die door een uiterste wilsbeschikking een erfrechtelijke aanspraak heeft verloren’ slechts te zien op erfgenamen die hun wettelijke erfrechtelijke aanspraak zijn verloren. Ook een uitspraak van 20 juli 2006 van de Notariskamer van het Hof te Amsterdam wijst in die richting. Zowel de Kamer van Toezicht als het Hof lijken er in die uitspraak van uit te gaan dat artikel 49 tweede lid Wna betrekking heeft op onterfde legitimarissen (legitimarissen zijn wettelijke erfgenamen).

4.6. In dit geval heeft echter te gelden d[voornaam eiser]iser] niet alleen ‘testamentair’ erfgenaam was, maar daarnaast, samen met haar broer, ook wettelijk erfgenaam is bij wijze van plaatsvervulling. In die hoedanigheid zijn zow[voornaam eiser]iser] als [eiser] wél te beschouwen als ‘degenen die door een uiterste wilsbeschikking een erfrechtelijke aanspraak hebben verloren’ en dus een recht ontlenen aan de inhoud van het desbetreffende onderdeel van de akte in de zin van artikel 49 tweede lid juncto artikel 49 eerste lid Wna. Tussen partijen is verder niet in geschil dat [gedaagde] op grond van artikel 49B Wna het gevorderde afschrift of uittreksel aan [voornaam eiser] en [eiser] als wettelijk erfgenamen dient te verstrekken. Het gevorderde gebod voor de notaris zal dan ook worden toegewezen, zij het met inachtneming van het navolgende.

4.7. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient de notaris vóór afgifte eerst te verifiëren dat [voornaam eiser] en [eiser] de erfgenamen bij versterf zouden zijn geweest van tante, indien zij zou zijn overleden zonder testament. Daarom wordt de veroordeling aldus geformuleerd dat [gedaagde] aan [voornaam eiser] en [eiser] het gevorderde afschrift of uittreksel dient te verstrekken binnen een week nadat hij door middel van door hen te verstrekken schriftelijke stukken – bijvoorbeeld een kopie van de van belang zijnde trouwboekjes en een uittreksel uit het bevolkingsregister van de woonplaats van de ouders van tante – de gestelde familieband met tante heeft kunnen verifiëren. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en aan een maximum worden gebonden.

4.8. Aangezien partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van dit kort geding tussen hen worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om, binnen één week nadat [voornaam eiser] en [eiser] aan hem de voor het aantonen van hun familieband met tante benodigde documenten hebben verstrekt, aan hen af te geven een afschrift van een verklaring van erfrecht of een afschrift of uittreksel van de notariële akte, houdende de uiterste wilsbeschikking van [overledene] van 10 januari 2007, doch alleen voor wat betreft dat gedeelte van de akte dat betrekking heeft op feiten als bedoeld in artikel 4:188 BW,

5.2. veroordeelt [gedaagde] om, per dag of gedeelte daarvan dat hij, na het verstrijken van een week nadat [voornaam eiser] en [eiser] hem van de hierboven onder 5.1 genoemde documenten hebben voorzien, in gebreke mocht blijven aan bovenstaande veroordeling te voldoen, aan hen een dwangsom te betalen van € 250,00, echter met een maximum van € 5000,00,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

5.5. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.A. Satijn op 19 juni 2007.