Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA9011

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
AWB 05/3869
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inzagerecht op grond van de Wiv oud. Na het indienen van het beroep is de betrokkene overleden. Zijn nabestaanden zetten de procedure voort. De rechtbank oordeelt dat het recht op inzage op grond van de Wiv oud juncto de WOB een hoogstpersoonlijk karakter heeft en dus alleen toekomt aan de persoon op wie de gegevens betrekking hebben. Met het overlijden van betrokkene is een einde gekomen aan het persoonlijk recht op inzage in zijn gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/3869

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

de erven van wijlen [X], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], eisers, vertegenwoordigd door [Y],

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 10 augustus 2005.

2. Procesverloop

Naar aanleiding van het verzoek van wijlen [X] (hierna: betrokkene) van

15 september 1992 om inzage in zijn gegevens heeft verweerder bij besluit van 23 december 1996 geweigerd inzage te verlenen in zijn dossier. Na diverse procedures heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) bij uitspraak van 8 juni 2005 (zaaknr. 200406122/1) de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 juni 2004 vernietigd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar alsnog gegrond verklaard en aan betrokkene een bewerkte fotokopie verstrekt. Tegen dit besluit heeft betrokkene bij brief van 19 september 2005 beroep ingesteld. Door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 21 september 2006. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, vertegenwoordigd door [Y]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.M.P. van Verseveld.

De rechtbank heeft hierna het onderzoek heropend. Vervolgens heeft verweerder stukken overgelegd waarbij een beroep is gedaan op artikel 8:29 van de Awb, inhoudende dat uitsluitend de rechtbank van deze stukken kennis mag nemen.

De rechtbank heeft bij beslissing van 10 november 2006 besloten dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Eisers hebben de rechtbank op 20 november 2006 toestemming verleend tot het doen van een uitspraak op grond van deze stukken.

Bij brief van 4 april 2007 heeft de rechtbank vragen gesteld aan verweerder met betrekking tot deze stukken. Deze vragen zijn beantwoord door verweerder bij brief van 18 april 2007. Bij uitspraak van 20 april 2007 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Namens eisers is op 20 april 2007 toestemming aan de rechtbank verleend om deze stukken te betrekken bij het oordeel.

Het beroep is vervolgens behandeld ter meervoudige zitting van 23 april 2007. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, vertegenwoordigd door [Y] voornoemd. Namens verweerder is verschenen Van Verseveld voornoemd.

3. Overwegingen

De rechtbank ziet zich vooraleerst voor de vraag geplaatst welke consequenties het overlijden van betrokkene op 15 november 2005 heeft voor de onderhavige procedure.

Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Bij brief van 30 maart 2006 heeft de heer [Y] zich gesteld als gemachtigde van de erfgenamen van betrokkene en laten weten dat de erfgenamen, te weten de broer en zus van betrokkene, het beroep wensen voort te zetten. Uit de overgelegde verklaring van erfrecht is de rechtbank gebleken dat eisers de enige erfgenamen zijn zodat zij uit dien hoofde in zijn algemeenheid de rechtspositie van de overledene overnemen. De rechtbank heeft derhalve besloten tot het voortzetten van de procedure en de erfgenamen van betrokkene aangemerkt als eisers in dit geschil.

Naar aanleiding van het overlijden van betrokkene en de beslissing van eisers tot het voortzetten van de procedure heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van eisers niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe voert verweerder aan dat de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) een gesloten verstrekkingenregime kent voor het verstrekken van gegevens. Volgens verweerder zijn eisers derden welke geen recht hebben op gegevens die betrekking hebben op betrokkene. Indien zij op grond van artikel 50, derde lid, van de Wiv 2002 een verzoek om gegevens hadden ingediend zouden zij als derden zijn aangemerkt zodat het verzoek niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder zich voorts op het standpunt stelt dat onder de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zoals die van kracht was voor de inwerkingtreding van de Wiv 2002 (hierna: de Wiv oud), op verzoeken om inzage weliswaar de WOB werd toegepast, maar alleen indien het verzoek om kennisneming afkomstig was van degene op wie de gegevens betrekking hadden. Voor derden bleef het beperkte verstrekkingenkader als bedoeld in artikel 16 van de Wiv oud gelden.

Eisers stellen zich op het standpunt dat artikel 50 van de Wiv 2002 niet op hen van toepassing is omdat dit gaat om verzoeken om inzage van familieleden nadat iemand is overleden. In dit geval heeft betrokkene zelf het verzoek ingediend. Eiseres stellen dat zij geen derden zijn die onbevoegd zijn om kennis te nemen van de gegevens van hun overleden broer. Zij willen nagaan of er een onterechte inbreuk heeft plaatsgevonden op het recht op eerbiediging van het privé-leven, familie-en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Daarnaast voeren zij aan dat betrokkene de verkregen gegevens zeker met eisers zou hebben besproken zodat in deze een vergelijking kan worden gemaakt met de ‘veronderstelde toestemming’ zoals deze voorkomt in het gezondheidsrecht.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit is gebaseerd op de Wiv oud en de WOB.

De vraag die partijen allereerst verdeeld houdt is of eisers een belang toekomt bij het overnemen van de door hun broer aangespannen procedure. De rechtbank overweegt in dit verband dat eisers opvolgers onder algemene titel zijn van betrokkene. Hoewel de opvolger onder algemene titel in zijn algemeenheid de rechtspositie van de overledene overneemt, dient deze om in beroep te kunnen worden ontvangen, een eigen processueel belang te hebben.

De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Immers, het beroep van eisers kan er in beginsel toe leiden dat aan hen inzage wordt verstrekt in het dossier van hun overleden broer. Het beroep is om die reden ontvankelijk.

Verder overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hierboven weergegeven neemt de opvolger onder algemene titel in zijn algemeenheid de rechtspositie van de overledene over. Dit geldt echter niet voor mogelijke aspecten van die rechtspositie die een hoogstpersoonlijk karakter hebben. Op grond van het navolgende is de rechtbank van oordeel dat in dit geval van een dergelijk hoogstpersoonlijk aspect sprake is.

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS is in de artikelen 16 en 17 van de Wiv oud een uitputtende regeling inzake openbaarmaking van door inlichtingen- en veiligheidsdiensten verzamelde persoonsgegevens vervat, welke als bijzondere regeling voorrang heeft boven die van de WOB (zie onder meer de uitspraken van 24 november 1992, AB 1994, 343 en 344). In beginsel dient een verzoek om dergelijke gegevens te verstrekken dan ook aan de Wiv oud te worden getoetst.

Dit ligt anders bij de beoordeling van een verzoek om inzage door de persoon wiens eigen gegevens het betreft. Uit de uitspraak van de ABRS van 9 juni 1994, AB 1995, 238, volgt dat in een dergelijk geval artikel 16 van de Wiv oud niet voldoet aan de eisen van de artikelen 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Om in een dergelijk geval schending van het EVRM te voorkomen dient artikel 16 Wiv oud buiten toepassing te worden gelaten en dient het verzoek te worden getoetst aan de WOB. De Wiv oud blijft wel van toepassing op verzoeken om verstrekking van gegevens over anderen (ABRS, 12 december 1995, AB 1996, 332).

Bovenstaande in onderlinge samenhang bezien maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het recht op inzage op grond van de Wiv oud juncto de WOB een hoogstpersoonlijk karakter heeft en dus alleen toekomt aan de persoon op wie de desbetreffende gegevens betrekking hebben.

Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat met het overlijden van betrokkene een einde is gekomen aan het persoonlijk recht van betrokkene op inzage in zijn eigen gegevens. Dit recht kan niet overgedragen worden aan derden waaronder naar het oordeel van de rechtbank ook de erfgenamen moeten worden gerangschikt. Van strijd met het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van het EVRM is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu deze bepaling uitsluitend strekt tot bescherming van de privé-sfeer van de betrokkene zelf en diens gezinsleden. Het voorafgaande brengt mee dat het verzoek om verstrekken van gegevens moet worden getoetst aan de Wiv oud.

Op grond van de Wiv oud worden persoonsgegevens slechts aan derden verstrekt, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de in de Wiv oud omschreven taak.

De rechtbank stelt vast dat het verstrekken van de in de deze procedure gevraagde gegevens niet noodzakelijk is voor die taak zodat verweerder thans niet bevoegd is deze gegevens te verstrekken. Aangezien het verweerder daarnaast niet is toegestaan om met toestemming van een betrokkene diens gegevens aan een derde te verstrekken, kan in dit verband ook een eventuele veronderstelde toestemming niet leiden tot een bevoegdheid voor verweerder om gegevens over betrokkene te verstrekken aan eisers.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, voorzitter en mrs. C. van Linschoten en

G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M.A. van Eck, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:4 juli 2007