Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA9010

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-07-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/4344
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bblb, erfafscheiding, functionele relatie, overgangsrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/4344

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[A] en [B], eisers,

wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 11 juli 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft verweerder eisers met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) bouwvergunning verleend voor het bouwen van een erfafscheiding op het perceel [adres 1] te [woonplaats].

Bij het onder 1 vermelde besluit heeft verweerder het tegen het besluit van 31 januari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Tegen het onder 1 vermelde besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij brief van 24 mei 2007 hebben eisers nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift aan verweerder verstrekt

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 7 juni 2007. [B] is aldaar verschenen, mede namens [A]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door ing. D.H.H.J. van Hal, ambtenaar van de gemeente Overbetuwe.

3. Overwegingen

Op 7 september 2005 hebben eisers een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor de bouw van een erfafscheiding op het perceel [adres 1] te [woonplaats]. Met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, is de gevraagde bouwvergunning verleend.

Eisers, tevens vergunninghouders, betogen evenwel dat de betrokken erfafscheiding bouwvergunningsvrij is, zodat verweerder ten onrechte een bouwvergunning heeft verleend.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, is het verboden om te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, voor zover thans van belang, is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) wordt, voor zover thans van belang, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet, aangemerkt het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1° niet hoger dan 1 m, of

2° niet hoger dan 2 m en gebouwd:

a. op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat,

b. meer dan 1 m achter de voorgevelrooilijn, en

c. meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Bblb wordt onder erf verstaan: al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.

Op grond van jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 februari 2007, LJN AZ8479) moet, in aanmerking genomen de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2, aanhef, en onder e, van het Bblb, teneinde te bepalen of een erfafscheiding wordt opgericht op een erf waarop reeds een gebouw staat, worden bezien of een functionele relatie bestaat tussen de erfafscheiding en het op dat erf gelegen gebouw.

De gronden van eisers hebben de vorm van een L. Op het lange gedeelte van de L is de woning van eisers gelegen en dit deel van de gronden heeft een woonbestemming. Het korte gedeelte van de L is gelegen achter het perceel van de buren aan de [adres [2]. Deze gronden hebben de bestemming agrarisch gebied doch worden op grond van het overgangsrecht rechtmatig gebruikt als moestuin. De betrokken erfafscheiding is gelegen tussen deze moestuin en het perceel van de buren op no. [2].

Uit voormelde uitspraak leidt de rechtbank af dat voor de vraag of sprake is van een functionele relatie tussen een op de betrokken gronden gelegen gebouw en een erfafscheiding, en derhalve van één erf, de bestemming van de gronden leidend is. Steun voor deze uitleg, waarin niet zozeer het gebruik doch de bestemming van de gronden van belang is, vindt de rechtbank in de tekst van artikel 1, eerste lid, van het Bblb, waarin is bepaald dat gronden tot één erf behoren indien de bestemming de inrichting van die gronden niet verbiedt. Dat het gebruik van de gronden waarop een erfafscheiding wordt opgericht onder het overgangsrecht valt, is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang. Een ander oordeel zou betekenen dat de toepassing van artikel 2, aanhef en onder e, van het Bblb tot een verdergaande strijdigheid met het bestemmingsplan zou kunnen leiden. Door bij de toepassing van artikel 2, aanhef en onder e, van het Bblb bij de vraag of sprake is van een functionele relatie uit te gaan van het met de bestemming strijdige gebruik dat onder overgangsrecht valt, zou immers van één erf sprake kunnen zijn, waar dat uitgaande van de bestemming niet zo zou zijn. Het betrekken van het overgangsrecht bij de vraag of sprake is van een functionele relatie zou er derhalve toe kunnen leiden dat een op die gronden opgerichte erfafscheiding bouwvergunningsvrij zou zijn, waar uitgaande van de bestemming een bouwvergunning zou zijn vereist.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een functionele relatie tussen de litigieuze erfafscheiding en de woning van eisers de bestemming van de desbetreffende gronden doorslaggevend acht. Dat de betrokken erfafscheiding wordt opgericht op gronden die op grond van het overgangsrecht als moestuin worden gebruikt, is naar het oordeel van de rechtbank, zo volgt uit het voorgaande, in dit kader van geen belang.

De erfafscheiding is beoogd op gronden met een agrarische bestemming. Deze bestemming heeft geen functionele relatie met de bestemming woondoeleinden die geldt voor de gronden waarop het desbetreffende gebouw, de woning van eisers, is gelegen. Tussen de erfafscheiding en het betrokken gebouw bestaat derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen functionele relatie. Hieruit volgt dat de erfafscheiding geen bouwvergunningsvrij bouwwerk als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder e, van het Bblb is, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de bouw daarvan niet bouwvergunningsvrij is.

Eisers voeren ten slotte nog aan dat onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft te weinig aandacht voor hun bezwaren gehad, aldus eisers. Zij voeren verder aan dat verweerder, voordat hij eisers bij brief van 1 september 2005 heeft verzocht een bouwvergunning aan te vragen, nimmer contact met hen heeft opgenomen.

Hetgeen eisers hebben aangevoerd leidt dit niet tot het oordeel dat zij in het kader van de procedure die heeft geleid tot het bestreden besluit onvoldoende zijn gehoord. Uit de stukken blijkt dat op 28 november 2005 een gesprek tussen eisers en ing. D.H.H.J. van Hal heeft plaatsgevonden. Voorts heeft in het kader van de behandeling van het bezwaar op 11 mei 2006 een hoorzitting bij de commissie voor de bezwaarschriften plaatsgevonden.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen en betogen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 2 juli 2007