Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA9000

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/5707
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten onrechte geen bezwarenprocedure gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/5707

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[A], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen,

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 september 2006.

2. Procesverloop

Op 25 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen aan verweerder verzocht om een verklaring van geen bezwaar te verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder deze verklaring geweigerd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Naar de door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 15 mei 2007. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie Gelderland.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO - voorzover hier van belang - kan de gemeenteraad ten behoeve van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan de vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 19a, achtste lid, eerste volzin, van de WRO - voorzover hier van belang - wordt het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in het eerste lid van artikel 19 WRO, binnen acht weken na ontvangst van de desbetreffende aanvraag bekend gemaakt. Indien gedeputeerde staten binnen de gestelde termijn geen besluit aan de gemeenteraad, of in voorkomend geval burgemeester en wethouders hebben bekend gemaakt, wordt dit gelijkgesteld met een besluit tot weigering van de verklaring, aldus de laatste volzin van dit artikellid.

De aanvraag van de verklaring van geen bezwaar door burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen dateert van 25 oktober 2005. Dit betekent dat 20 december 2005 een fictieve weigering van de gevraagde verklaring van geen bezwaar is ontstaan.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder bevoegd was om nadien nog een reëel besluit tot weigering van de verklaring van geen bezwaar te nemen. Gelet met name op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 mei 2002, AB 2003/143, is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat verweerder daartoe niet meer bevoegd was.

Vervolgens is de vraag aan de orde of tegen het besluit van 26 september 2006 beroep kan worden ingesteld of dat daartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt.

Artikel 8:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit:

- de goedkeuring van een ander besluit of de weigering van die goedkeuring inhoudt, of

- is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

Ingevolge artikel 10:25 van de Awb wordt in de Awb onder goedkeuring verstaan: de voor de inwerkingtreding van een besluit van een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan. Een goedkeuringsbesluit heeft dus betrekking op een reeds genomen besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is een besluit omtrent afgifte van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO geen goedkeuring van een ander besluit of weigering van die goedkeuring, omdat een verklaring van geen bezwaar geen betrekking heeft op een eerder genomen vrijstellingsbesluit. Een verklaring van geen bezwaar is daarentegen juist een voorwaarde om een vrijstellingsbesluit te kunnen nemen.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Weliswaar is het (nog te nemen) besluit omtrent vrijstelling, met het oog waarop de verklaring van geen bezwaar is aangevraagd, voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, maar de rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen, dat dan ook het bestreden besluit geacht moet worden te zijn voorbereid met toepassing van deze procedure. Wet noch jurisprudentie biedt enige grondslag voor de aanname dat de procedure die in het kader van het vrijstellingsbesluit is gevolgd zou “doorwerken” in het bestreden besluit.

Het voorgaande betekent dat tegen het bestreden besluit pas beroep mogelijk is nadat bezwaar is gemaakt.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 3 oktober 2006, LJN: AY9294, betoogd dat voor de rechtsgang tegen het bestreden besluit moet worden aangesloten bij de rechtsgang tegen het vrijstellingsbesluit, waarvoor de verklaring van geen bezwaar is aangevraagd. De rechtbank kan dit betoog niet volgen en wijst erop dat in de genoemde uitspraak een vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO aan de orde was, waarvoor geen verklaring van geen bezwaar vereist is.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser met een beroep op artikel 6:22 van de Awb aan de rechtbank verzocht om de gebreken in de voorbereiding van het bestreden besluit te passeren. Daarbij heeft de gemachtigde er op gewezen dat eiser via de gemeente zijn commentaar heeft kunnen leveren op het concept-besluit van verweerder.

Voor zover aan dit verzoek de veronderstelling ten grondslag ligt dat het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4, is deze veronderstelling, zoals hiervoor reeds overwogen, niet juist.

Voor zover aan dit verzoek de gedachte ten grondslag ligt dat het niet volgen van de bezwaarprocedure met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd kan worden, overweegt de rechtbank dat het niet volgen van de bezwaarprocedure niet kan worden aangemerkt als schending van een vormvoorschrift waarvoor dit artikel toepassing kan vinden.

Het beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank zal het beroep ingevolge artikel 6:15 van de Awb aan verweerder zenden teneinde als bezwaar te worden behandeld.

Aangezien in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat tegen het besluit beroep open staat ziet de rechtbank aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht door de provincie aan hem wordt vergoed.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de provincie Gelderland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de provincie Gelderland het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 141 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post als voorzitter, mrs. W.F. Bijloo en J.J.W.P. van Gastel als rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens als griffier, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier, voornoemd.