Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA8977

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
04/1917
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland hebben een subsidieaanvraag op grond van Subsidieregeling Europese Programma’s Gelderland afgewezen. Deze afwijzing doorstaat de rechterlijke toets. Ten onrechte is echter geweigerd om de aanvraagster tegemoet te komen in de kosten die zij op verzoek van de Provincie heeft gemaakt bij de voorbereiding van de subsidieaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 04/1917

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Stichting Agora Europa, eiseres,

gevestigd te Amsterdam,

en

het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 juli 2004.

2. Procesverloop

Eiseres heeft op 9 september 2003 verweerder verzocht om toekenning van een subsidie op grond van de Subsidieregeling Europese programma’s Gelderland (hierna: de subsidieregeling), onderdeel Innovatieve Acties.

Bij besluit van 19 maart 2004 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar deels gegrond verklaard en de wettelijke grondslag van het besluit gewijzigd. Voor het overige heeft verweerder het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 3 februari 2006. Eiseres heeft zich daar laten vertegenwoordigen door dhr. [X.], directeur van eiseres. Namens verweerder zijn verschenen mw. A.A.M. Verbruggen en mw. S.A.M. Pancras. Bij besluit van 3 februari 2006 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Vervolgens is het beroep behandeld ter nadere zitting van de meervoudige kamer van 25 april 2007, alwaar namens eiseres dhr. [X] is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door dhr. R H.W. Nijhof en mw. S.A.M. Pancras. Verder is op de nadere zitting als getuige gehoord de heer [Y], ambtenaar van de provincie.

3. Overwegingen

Op grond van artikel 1.2a, eerste lid, aanhef en onder b, van de subsidieregeling kan een subsidie op grond van deze regeling onder meer worden verleend in het kader van het regionale programma inzake innovatieve acties.

In artikel 2a.1 van de subsidieregeling is bepaald dat onder innovatieve acties wordt verstaan het regionale programma inzake innovatieve acties, dat op basis van artikel 22, eerste lid, van verordening (EG) 1260/1999 en artikel 4, tweede lid, van verordening (EG) 1783/1999 door de Europese Commissie bij beschikking van 19 december 2002 is goedgekeurd.

Ingevolge artikel 2a.2, eerste lid, van de subsidieregeling wordt subsidie op grond van deze paragraaf verstrekt voor activiteiten die uitvoering geven aan het programma zoals bedoeld in artikel 2a.1 en voldoen aan de voorwaarden die door de Europese Commissie aan dit programma zijn gesteld.

In artikel 2a.4 van de Subsidieregeling is bepaald dat op een aanvraag ingevolge deze paragraaf niet wordt beschikt dan nadat de stuurgroep, als bedoeld in de Verordening inzake de Stuurgroep Innovatieve Acties, in de gelegenheid is gesteld ter zake advies uit te brengen.

Op grond van artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan de subsidieverlening in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken als volgt.

De aanvraag van eiseres om een subsidie heeft betrekking op een project, genaamd ‘Duurzaamheid, dualisme en stedelijke ontwikkeling in Gelderland’. Het project beoogt burgers, ondernemers, maatschappelijke en economische organisaties actief uit te nodigen zelf met initiatieven te komen op de beleidsterreinen stedelijke ontwikkeling, plattelandsontwikkeling en milieu. In het projectvoorstel is onder meer uitgegaan van deelname aan het project door acht steden die vallen onder het Gelders Stedelijke Ontwikkelingsbeleid (hierna: de GSO-gemeenten).

Overeenkomstig artikel 2a.4 van de Regeling is het project voorgelegd aan de provinciale Stuurgroep Innovatie Acties. Deze stuurgroep heeft positief geadviseerd over het project.

Verweerder heeft bij besluit van 19 maart 2004 besloten om - in afwijking van het advies van de stuurgroep - de aanvraag af te wijzen, omdat tijdens een overleg tussen provincie en de GSO-gemeenten van 11 februari 2004 is gebleken dat bij de GSO-gemeenten onvoldoende draagvlak bestond voor het project. Verweerder heeft zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat het project onvoldoende uitvoering aan het Innovatieve actieprogramma (IAP) geeft.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 19 maart 2004 gehandhaafd, waarbij hij wel de grondslag van het besluit heeft gewijzigd in die zin dat de weigering van de subsidie op artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is gebaseerd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder tevens geoordeeld dat geen termen aanwezig zijn om de kosten die eiseres in verband met de aanvraag heeft moeten maken, te vergoeden.

Eiseres heeft allereerst haar ongenoegen kenbaar gemaakt over het feit dat verweerder bij het bestreden besluit de wettelijke grondslag van het besluit tot afwijzing van de subsidieaanvraag heeft gewijzigd. De rechtbank merkt daarover op dat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg staat aan handhaving van een besluit op grond van een andere wettelijke bepaling dan die waarop het in het bezwaar bestreden primaire besluit berust. Aangezien bij de beslissing op bezwaar nog steeds sprake is van de afwijzing van dezelfde subsidieaanvraag, ook al is dat krachtens een andere wettelijke bepaling, is geen sprake van een nieuw primair besluit. Nu verweerder de wijziging van de grondslag bovendien afdoende heeft gemotiveerd, kan deze grief van eiseres niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Vervolgens heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder de gevraagde subsidie had moeten verlenen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat wel degelijk voldoende draagvlak zou bestaan voor het project bij de GSO-gemeenten. Uit de enkele omstandigheid dat een aantal GSO-gemeenten geen noodzaak zag om juist nu met het project te starten heeft verweerder dit niet kunnen afleiden. Dit is slechts een pleidooi geweest om te bezien wat wel een geschikt moment is om het project te starten, aldus eiseres. Zij heeft verder aangevoerd dat het project geheel past binnen de voorwaarden van het IAP en in nauw overleg met de provincie tot stand is gekomen. Zij heeft er op gewezen dat het project wordt gedragen door positieve adviezen van de stuurgroep en van de portefeuillehouders grote stedenbeleid. Eiseres is verder van mening dat de betrokken portefeuillehouder, gedeputeerde Aalderink, en in het verlengde daarvan verweerder, een ongepast gebruik heeft gemaakt van een discretionaire bevoegdheid door afwijzend te beslissen op een ambtelijk zorgvuldig voorbereid voorstel.

De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Daartoe acht de rechtbank doorslaggevend de reactie van de GSO-gemeenten op het projectvoorstel na een presentatie daarvan op een bijeenkomst van 11 februari 2004. Uit het verslag van die bijeenkomst blijkt dat de steden de aanpak op zich wel waarderen, maar nut en noodzaak niet inzien om juist nu met deze actie te starten. Verder blijkt uit het verslag dat de steden zich niet willen vastleggen om met eiseres in zee te gaan. Uit deze bijeenkomst heeft verweerder genoegzaam kunnen afleiden dat onder de GSO-gemeenten onvoldoende draagvlak bestond voor het project. Aangezien de uitvoering van het project valt of staat met de medewerking van meerdere GSO-gemeenten en nu ook de financiering van het project mede van deze gemeenten afhankelijk is, heeft verweerder mogen aannemen dat de te subsidiëren activiteiten niet zullen plaatsvinden. De omstandigheid dat, naar ter zitting is gebleken, de aanvraag voldeed aan de provinciale beleidskaders en dat bij de provincie reeds financiële dekking voor de subsidie was gevonden, kan daaraan niet afdoen.

Ook de stelling van eiseres, die er op neerkomt dat de GSO-gemeenten wellicht wel bereid zouden zijn geweest om op een later tijdstip alsnog aan het project deel te nemen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Opmerking verdient daarbij allereerst dat in de subsidieaanvraag is uitgegaan van 1 januari 2004 als startdatum van het project en van 30 juni 2005 als einddatum. Realisering van het project binnen het in de aanvraag gegeven tijdskader was onhaalbaar, gelet op de reactie van de GSO-gemeenten op 11 februari 2004. Bovendien kan aan het verslag van de bespreking van 11 februari 2004, noch aan de overige gedingstukken redelijkerwijs de verwachting worden ontleend dat op korte termijn alsnog voldoende GSO-gemeenten aan de uitvoering van het projectvoorstel van eiseres wilden meewerken.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht subsidie heeft geweigerd, omdat er een gegronde reden was om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden.

Eiseres heeft nog aangevoerd dat de eigenlijke reden voor de afwijzing zou zijn gelegen in het feit dat gedeputeerde Aalderink weinig sympathie had voor het project, omdat hij onvoldoende bij de voorbereiding betrokken was geweest. De rechtbank stelt echter vast dat het besluit kan worden gedragen door de daarin gegeven motivering. Het besluit is verder genomen door het voltallige college van gedeputeerde staten. Niet is dan ook kunnen blijken dat de gestelde houding van de betreffende gedeputeerde – die overigens niet bij de bijeenkomst van 11 februari 2004 aanwezig was en wat er verder van diens houding zij – bepalend is geweest bij de beslissing op de aanvraag van eiseres.

Eiseres heeft tenslotte geageerd tegen de in het bestreden besluit vervatte weigering om haar de kosten te vergoeden die zij in het kader van de subsidieaanvraag heeft gemaakt voor het vervaardigen van een discussienota en bij de omwerking van de discussienota tot een projectvoorstel, alsmede bij de nadere uitwerking van dat projectvoorstel.

Verweerder heeft de weigering om die kosten te vergoeden doen steunen op de opvatting dat de kosten die een indiener maakt bij de voorbereiding van een subsidieaanvraag in principe voor eigen rekening zijn en slechts voor vergoeding in aanmerking komen bij honorering van de subsidieaanvraag, als onderdeel van het project. In dit geval is er volgens verweerder ook geen sprake van dat ter zake te honoreren verwachtingen zijn gewekt, te minder nu de vermeende toezeggingen niet schriftelijk zijn vastgelegd.

De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat eiseres door de provincie is benaderd om een subsidiabel project vorm te geven. Voor de voorbereiding van de aanvraag heeft zij op uitdrukkelijk verzoek van een daartoe bevoegde ambtenaar een discussiestuk en een projectvoorstel vervaardigd, waarbij zij substantiële (loon)kosten heeft gemaakt. Eveneens op verzoek van de betreffende ambtenaar heeft eiseres kosten gemaakt bij de uitwerking van dat projectvoorstel, in welk verband zij ook na de indiening van de subsidieaanvraag nog werkzaamheden heeft verricht. Uit de verklaringen van de getuige ter nadere zitting is verder gebleken dat tussen betrokkenen meermaals is gesproken over de financiering van deze kosten. Aan de directeur van eiseres is daarbij door de betreffende ambtenaar bij herhaling medegedeeld dat voor de kosten van het project financiële dekking bestond. Verder staat vast dat die ambtenaar er blijk van heeft gegeven dat hij er op vertrouwde dat het project doorgang zou vinden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aan het voorgaande het gerechtvaardigde vertrouwen mogen ontlenen dat – ingeval de subsidie onverhoopt niet zou worden verleend – verweerder de kosten van de voorbereiding van de aanvraag niet geheel voor haar rekening zou laten. De weigering om eiseres in deze kosten tegemoet te komen kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet worden gedragen door de daaraan gegeven motivering.

Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit komt, voor zover daarbij is geweigerd enige vergoeding voor gemaakte kosten toe te kennen, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, over de vergoeding van die kosten een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Eiseres heeft ten slotte nog verzocht om verweerder de door haar gederfde inkomsten tengevolge van het niet doorgaan van het project te laten vergoeden. De rechtbank stelt allereerst vast dat dit verzoek eerst ter nadere zitting is gedaan en door eiseres niet in de bezwaarfase aan de orde is gesteld. Verweerder heeft bij het nemen van de bestreden beslissing op bezwaar met dit verzoek dan ook geen rekening kunnen houden, zodat dit verzoek de omvang van het geding in deze procedure te buiten te gaat.

Voor zover dit verzoek moet worden aangemerkt als een verzoek van eiseres om op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb verweerder te veroordelen in de (aanvullende) schade die zij stelt te hebben geleden, overweegt de rechtbank als volgt.

In dat artikellid is bepaald dat de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart, indien daarvoor gronden zijn op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

Voor een dergelijke vergoeding voor gederfde inkomsten zijn naar het oordeel van de rechtbank geen termen aanwezig. Het besluit tot afwijzing van de subsidieaanvraag kan immers, behoudens het onderdeel dat gaat over de door eiseres gemaakte kosten, de rechterlijke toets doorstaan. Uit de gedingstukken en uit de verklaringen van de getuige is de rechtbank bovendien genoegzaam gebleken dat voorafgaand aan het primaire besluit naar eiseres helder is gecommuniceerd dat het primaat om te beslissen op de subsidieaanvraag bij verweerder lag. Ook overigens is in de gedingstukken geen steun te vinden voor de opvatting dat eiseres er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat het project doorgang zou vinden.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 49,20 aan reiskosten (tweemaal de reiskosten retour Amsterdam-Arnhem per openbaar vervoer 2e klas). Van andere kosten die in dit kader voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken. Opmerking verdient in dit verband nog dat eiseres verzocht heeft om vergoeding van de kosten van door een jurist verleende rechtsbijstand, welke onder meer bestaat uit verstrekte juridische adviezen, besprekingen en correspondentie met eiseres en bestudering van stukken. De rechtbank overweegt dienaangaande dat voornoemde rechtsbijstand niet heeft geleid tot proceshandelingen welke ingevolge artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met de daarbij behorende bijlage voor vergoeding in aanmerking komen. Voor het door eiseres op eigen naam ingediende beroepschrift en andere bescheiden kan geen vergoeding van proceskosten worden toegekend, ook al zijn die gedingstukken door of met de hulp of na advies van een professioneel rechtshulpverlener opgesteld.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin de weigering is vervat om kosten met betrekking tot de subsidieaanvraag te vergoeden;

- draagt verweerder op om in zoverre een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 49,20 en wijst de Provincie Gelderland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Provincie Gelderland het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 273 aan haar vergoedt;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, voorzitter, mrs. J.A. van Schagen en H.A.W. Snijders, rechters en in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2007.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:14 juni 2007