Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA8967

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-06-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
06/4000
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV 2001. Artikel 3.91 en 3.92 Wet IB 2001. Tbs-regeling. Onroerende zaken. WEV per 1 januari 2001. Bewijslast WEV rust op eiser. Invloed huurdersinvesteringen. Afschrijving. Artikel 3.94. Resultaat uit een werkzaamheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/51.15 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4000

Uitspraakdatum: 4 juni 2007.

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Y], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P]], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag (aanslagnummer [******]) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.540.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 mei 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 11 juli 2006, ontvangen bij de rechtbank op 12 juli 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2007 te Arnhem.

Namens eiser is zijn gemachtigde [A] verschenen. Namens verweerder is verschenen [B]

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Eiser is voor de onverdeelde helft eigenaar van twee onroerende zaken gelegen aan de [A-]weg 7 (hierna: pand 1) en de [B-]weg 1 (hierna: pand 2) te [Z]. Pand 1 heeft hij samen met zijn broer in 1995 gekocht voor € 249.579. Pand 2 hebben zij samen op 14 december 2000 gekocht voor € 254.117.

2.2 Eiser en zijn broer hebben pand 1 geheel ter beschikking gesteld aan [H-vof] VOF (hierna: [H-vof]), waarvan zij beiden via hun persoonlijke houdstervennootschappen vennoot zijn. De huur voor dit pand bedraagt in het onderhavige jaar

€ 18.136. Er is geen schriftelijke huurovereenkomst opgemaakt.

2.3 Pand 2 wordt voor 76% van het vloeroppervlak verhuurd aan een derde, voor 6% aan [H-vof] en voor 18% aan [T-] BV (hierna: [T-BV]). Eiser houdt indirect 100% van de aandelen in [T-BV]. Er zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten opgemaakt van de verhuur aan [H-vof] en [T-BV]. [H-vof] heeft pand 2 verbouwd. Zowel [H-vof] als [T-BV] betalen vanaf 1 juli 2001 huur aan eiser.

2.4 Op 24 oktober 2001 is de broer van eiser overleden. Ten behoeve van de aanslag successierecht heeft Belastingdienst Ondernemingen [Y] door [D] een taxatie laten verrichten naar de waarde in het economische verkeer (hierna: WEV) van de panden 1 en 2. Hiervan is een taxatierapport opgemaakt met dagtekening 10 december 2002. De WEV in verhuurde staat is voor beide panden tezamen op peildatum 24 oktober 2001 geschat op € 522.000.

2.5 Bij zijn aangifte IB/PVV 2001 heeft eiser een bijlage gevoegd waaruit blijkt dat hij voor de terbeschikkingstellingsregeling is uitgegaan van een WEV per 1 januari 2001 van pand 1 van € 87.000 en van pand 2 van € 174.000. De onder 2.4 genoemde taxatie van € 522.000 is daarbij als uitgangspunt gehanteerd. Eiser heeft daarbij 50% van de totale waarde van beide panden voor 1/3 deel toegerekend aan pand 1 en 2/3 deel aan pand 2. Bij de bepaling van het resultaat uit een werkzaamheid zijn huuropbrengsten, rentelasten en afschrijving in aanmerking genomen. De hiervoor genoemde waardering heeft eiser als basis gehanteerd voor de afschrijving van 3% per jaar. Deze onderdelen zijn uitgesplitst in een bijlage bij de aangifte.

2.6 Naar aanleiding van een vragenbrief van verweerder heeft eiser een herziene bijlage bij de aangifte verstrekt. In deze bijlage is de waardering en de berekening van het resultaat uit een werkzaamheid aangepast aan de omstandigheid dat slechts 24% (berekend naar vloeroppervlak) van pand 2 onder de terbeschikkingstellingsregeling valt.

2.7 Verweerder heeft bij de aanslagregeling beide panden in het kader van de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.91 en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) wederom laten taxeren door [D]. Zij heeft de WEV, deels in verhuurde en deels in vrije staat, op peildatum 1 januari 2001 geschat op € 104.500 voor pand 1 en op € 254.117 (zijnde de koopsom) voor pand 2. Hiervan is een taxatierapport opgemaakt met dagtekening 15 februari 2005. In het taxatierapport is de navolgende toelichting opgenomen:

“(…)

Toelichting

Bovenstaande taxatie is uitgesplitst per pand. Onderstaand de uitsplitsing per pand per gebruiker

[A-]weg 7

Gebruiker betaalde huur markthuur waarde

Geheel tbv [H-vof] (%TBS) 18.136 9.400 104.500

Incl. aanbouw geinvest. Huurder 12.400 136.400

Grondwaarde geheel 62.040

[B-]weg 1

Gebruiker betaalde huur markthuur waarde

TCT 13.300 13.300 139.650

[H-vof] (%TBS) 3.700 3.700 38.850

[T-BV] (TBS) 5.445 7.200 75.617

Grondwaarde geheel 72.710

Bij deze taxatie dient te worden opgemerkt dat het pand ook per 24 oktober 2001 is getaxeerd tbv de successie. De panden waren toen al verbouwd en in gebruik genomen, terwijl dit op peildatum 01 januari 2001 niet het geval was. Tevens zijn destijds tijdens de taxatie andere huurinkomsten opgegeven dan thans het geval is. Dit heeft deze keer aanleiding gegeven de huurprijzen nader te onderzoeken en uit te gaan van de markthuur. Derhalve wijkt de destijds getaxeerde waarde

ad 522.000 af van de in dit rapport genoemde waarde. Mede daar de TBS delen gewaardeerd zijn in vrije staat en door de bedrijfsgedane investeringen (o.a. bouw tussenstuk) niet zijn meegenomen in de waardering. Slechts de door TCT gedane investeringen zijn in beide taxaties niet meegenomen. Ook zit er natuurlijk bijna een jaar tussen de peildata.”

2.8 Bij het vaststellen van de aanslag neemt verweerder de onder 2.7 geschatte WEV van pand 1 en 2 als uitgangspunt.

De afschrijving wordt gecorrigeerd met inachtneming van deze waarden per pand, tevens wordt de grondwaarde op de afschrijvingsbasis in mindering gebracht. Daarnaast corrigeert verweerder de huuropbrengsten voor pand 2, voor zover deze betrekking hebben op de verhuur aan [T-BV].

2.9 In beroep neemt eiser het nadere standpunt in dat voor de bepaling van het resultaat uit een werkzaamheid de betaalde rente voor de schuld van pand 2 moet worden gerelateerd aan de huurwaarde in plaats van aan het verhuurde vloeroppervlak.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil:

-of verweerder terecht de WEV van de panden 1 en 2 per 1 januari 2001, en daarmee de grondslag voor de afschrijving, heeft gecorrigeerd;

-welk deel van de betaalde rente over de aan pand 2 gerelateerde schuld kan worden toegerekend aan het ter beschikking gestelde gedeelte van het pand.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat:

-de terbeschikkingstelling van beide panden aanvangt per 1 januari 2001;

-voor de bepaling van het resultaat uit een werkzaamheid kan worden uitgegaan van de door eiser gestelde feitelijke huuropbrengsten van [T-BV], zijnde € 1.360 in 2001, zodat aan huuropbrengsten voor beide panden een totaalbedrag van 11.598 in aanmerking wordt genomen;

-voor de berekening van de afschrijving een percentage van 3% moet worden gehanteerd;

-de afschrijvingsbasis moet worden verminderd met de daaraan gerelateerde grondwaarde van € 62.040 voor pand 1 en van € 72.710 voor pand 2.

4.Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel I, onderdelen M en AJ, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 worden vermogensbestanddelen die bij het begin van het kalenderjaar 2001 tot een werkzaamheid worden gerekend te boek gesteld voor de WEV op dat tijdstip.

4.2 De rechtbank stelt voorop dat de WEV van een ter beschikking gestelde - in onderhavig geval een verhuurde - onroerende zaak kan worden omschreven als de waarde die de beste koper in de markt bij aanbieding voor verkoop bereid is te betalen voor die onroerende zaak. Dit betekent dat voor de bepaling van de WEV van de panden 1 en 2 zoals bedoeld in voornoemde artikelen moet worden uitgegaan van de WEV in verhuurde staat.

4.3 De rechtbank is voorts van oordeel dat de invloed van huurdersinvesteringen bij de bepaling van de WEV buiten beschouwing dient te worden gelaten. De WEV in verhuurde staat zal immers bepaald worden door de huuropbrengst. Het is niet aannemelijk dat die huuropbrengst mede wordt bepaald door investeringen die de huurder heeft gedaan omdat deze geen huur zal willen betalen voor zijn eigen investeringen.

4.4 De bewijslast om de WEV van beide panden per 1 januari 2001 aannemelijk te maken rust op eiser. Hij stelt daartoe dat de WEV van de panden 1 en 2 per 1 januari 2001 € 522.000 bedraagt. Als belangrijkste punt ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar het taxatierapport dat is opgemaakt voor het successierecht. Verder verwijst eiser naar de koopsom van € 249.579 die in 1995 is betaald voor pand 1, de waardestijgingen in de periode daarna en de waardeverhogende investeringen die in het pand zijn gedaan.

4.5 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd, omdat het taxatierapport voor het successierecht niet als uitgangspunt voor de WEV van de terbeschikkingstellingsregeling kan dienen. Weliswaar gaat dit rapport uit van een WEV in verhuurde staat, maar ontbreekt een afzonderlijke uitsplitsing van de waarde per pand en van het ter beschikking gestelde gedeelte van pand 2. Voorts is bij de waardering rekening gehouden met de investeringen die door [H-vof] als huurder zijn gedaan.

4.6 Ook de koopprijs uit 1995 voor pand 1 kan naar het oordeel van de rechtbank niet als richtsnoer voor de waardering gelden. De rechtbank wijst daarbij op het ruime tijdsverloop tussen het moment van aankoop en de waardepeildatum en voorts op het feit dat niets bekend is over de feiten en omstandigheden waaronder de koop destijds tot stand is gekomen.

4.7 Het taxatierapport dat verweerder daartegenover heeft gesteld, verwerpt de rechtbank eveneens, reeds omdat bij de waardering het onjuiste uitgangspunt is gehanteerd dat de WEV van de ter beschikking gestelde delen van de panden in vrije staat is bepaald.

4.8 Nu de rechtbank beide partijen niet kan volgen in de door hen verdedigde waarden, zal zij zelf de waarde van beide panden in goede justitie vaststellen. De rechtbank zal daarbij de WEV in verhuurde staat voor beide panden tezamen van € 522.000, zoals bepaald in het taxatierapport voor het successierecht, als uitgangspunt hanteren. De rechtbank stelt de waardestijging tussen de verschillende peildata op nihil, gelet op het geringe tijdsverloop tussen 24 oktober 2001 en de waardepeildatum 1 januari 2001. Voor de uitsplitsing van de waarde per pand en voor zover ter beschikking gesteld, sluit de rechtbank aan bij de verhouding van de markthuren zoals weergegeven in het taxatierapport van 15 februari 2005. Dit betekent dat aan pand 1 een waarde moet worden toegerekend van 12.400/36.600 * 522.000 = afgerond € 177.000 en aan pand 2 een waarde van 24.200/36.600 * 522.000 = afgerond € 345.000.

4.9 Op de WEV in verhuurde staat van pand 1 ad € 177.000 moet vervolgens een correctie worden toegepast wegens de huurdersinvestering door [H-vof]. Voor de waardering van deze investering sluit de rechtbank aan bij de waardering zoals weergegeven in het taxatierapport d.d. 15 februari 2005, namelijk € 31.900. De WEV in verhuurde staat exclusief huurdersinvestering per 1 januari 2001 stelt de rechtbank in goede justitie vast op € 145.100. Dit betekent dat de onverdeelde helft van pand 1 dat eiser ter beschikking heeft gesteld, moet worden gewaardeerd op € 72.550.

4.10 Op de WEV in verhuurde staat van pand 2 ad € 345.000 moet een correctie worden toegepast wegens het deel dat aan derden is verhuurd. Blijkens het taxatierapport van 15 februari 2005 is dit gedeelte gewaardeerd naar verhuurde staat. Dit betekent een correctie van € 139.650. Ten slotte moet gecorrigeerd worden voor de huurdersinvestering die in de loop van het jaar 2001 heeft plaatsgevonden. Deze heeft immers plaatsgevonden na de voor de terbeschikkingstellingsregeling relevante waardepeildatum. Blijkens de gedingstukken bedragen de kosten van deze verbouwing ongeveer € 42.000. De rechtbank kent aan deze verbouwing een waardevermeerdering toe van € 37.500. De WEV in verhuurde staat exclusief huurdersinvestering per 1 januari 2001 voor het ter beschikking gestelde gedeelte van pand 2 stelt de rechtbank in goede justitie vast op € 167.850 (€ 345.000 -/- € 139.650 -/- € 37.500). Dit betekent dat de waarde van de onverdeelde helft van pand 2 dat eiser ter beschikking heeft gesteld, moet worden gewaardeerd op € 83.925.

4.11 Gelet op de hiervoor vastgestelde waarden kan de afschrijving per pand als volgt worden berekend:

Pand 1

WEV € 72.550

Af: daaraan toe te rekenen grondwaarde 31.020 (50% * 62.040)

Grondslag afschrijving 41.530

Afschrijving 3% 1.246

Pand 2

WEV € 83.925

Af: daaraan toe te rekenen grondwaarde 17.688 [50% * (167.850/345.000 * 72.710)]

Grondslag afschrijving 66.237

Afschrijving 3% 1.987

4.12 Eiser stelt zich in beroep ten slotte op het nadere standpunt dat voor berekening van het resultaat uit een werkzaamheid de betaalde rente voor pand 2 moet worden gerelateerd aan de huurwaarde voor de ter beschikking gestelde delen van het pand, namelijk 45%. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt, omdat dat beter aansluit bij de economische werkelijkheid dan een toerekening naar verhuurd vloeroppervlak.

4.13 Het vorenstaande leidt ertoe dat het resultaat uit een werkzaamheid volgens artikel 3.94 van de Wet moet worden vastgesteld op:

Huuropbrengsten € 11.598

Rente 6.975

Afschrijving 3.233

Resultaat uit een werkzaamheid 1.390

4.14 Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder een resultaat uit een werkzaamheid in aanmerking genomen van € 1.976, zodat het belastbaar inkomen uit werk en woning uiteindelijk moet worden verminderd met € 586 en moet worden vastgesteld op € 49.954.

4.15 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

Bezwaarfase

Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Artikel 7:15, derde lid, van de Awb bepaalt dat het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist.

Nu niet aannemelijk is geworden dat eiser voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar een dergelijk verzoek heeft gedaan, heeft eiser geen recht op een vergoeding van kosten in de bezwaarfase.

Beroepsfase

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.954;

-bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

-gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. I. Linssen, voorzitter en mr. J.J. Catsburg en mr. M.C.G.J. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.