Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA8964

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
AWB 07/439
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkzaamheden distributeur landelijke dagbladen aangemerkt als fictieve dienstbetrekking. Kosten niet aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/51.22 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/439

Uitspraakdatum: 12 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X],

wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst[ te P],

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 met dagtekening 5 april 2006 een aanslag [aanslagnummer] inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.435.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 december 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 13 januari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 16 januari 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2007 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

In het onderhavige jaar had eiser [a] B.V. (hierna: [a]) als opdrachtgever. Eiser verzorgde voor [a] de verspreiding van landelijke dagbladen. [a] heeft hiervoor een loods gehuurd, welke als overslag fungeerde. [a] leverde aldaar de bladen af. Eiser zorgde er vervolgens voor dat de dagbladen werden afgeleverd bij de bezorgers. Hiertoe maakte hij gebruik van een eigen auto. Daarnaast heeft eiser ook een bezorgroute voor zijn rekening genomen. Alle abonnemententransacties liepen via [a] en de afleveradressen werden eveneens bepaald door [a].

Voor deze werkzaamheden ontving eiser diverse vergoedingen van [a]. De hoogte van de vergoedingen werd vastgesteld door [a]. Per periode stuurde [a] een betalingsoverzicht. Daarnaast werden vervoerskosten vergoed.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de door eiser opgevoerde kosten, groot € 5.002 aftrekbaar zijn.

Eiser is van mening dat hij zijn werkzaamheden voor eigen rekening en risico verricht zodanig dat sprake is van de uitoefening van een bedrijf of zelfstandig beroep en dat derhalve de opgevoerde kosten aftrekbaar zijn.

Verweerder is van mijn mening dat de werkzaamheden van eiser kwalificeren als fictieve dienstbetrekking en dat de opgevoerde kosten daarom niet aftrekbaar zijn.

4. Beoordeling van het geschil

Verweerder stelt in zijn beroepschrift dat er sprake is van een fictieve dienstbetrekking zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) juncto artikel 2b Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: Uitvoeringsbesluit). Artikel 2e, tweede lid, onder a, van het Uitvoeringsbesluit bepaalt, onder meer, dat ondernemers zijn uitgezonderd van de toepassing van loonbelasting. De rechtbank zal derhalve allereerst dienen te bepalen of eiser als ondernemer is aan te merken.

Voor de beantwoording van de vraag of de bezorgdiensten een onderneming vormen moet onder meer worden gelet op de duurzaamheid van de verrichte werkzaamheden, de beschikbare tijd, de winstverwachting, het debiteurenrisico, de omvang van de inkomsten, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden tezamen en in onderling verband beschouwd, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie dan dat er in het onderhavige jaar geen sprake was van ondernemerschap. De rechtbank hecht daarbij betekenis aan het feit dat eiser voor één opdrachtgever, namelijk voor [a], heeft gewerkt. Daarbij werden de vergoedingen die eiser voor zijn werkzaamheden ontving, vooraf éénzijdig door [a] vastgesteld. Ook lag het debiteuren- en voorraadrisico op [a], en niet op eiser.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de activiteiten van eiser niet als onderneming zijn aan te merken. Gezien hetgeen verweerder heeft aangevoerd, dat door eiser niet dan wel onvoldoende is weersproken, is overigens wel aan de eisen van artikel 4 van de Wet LB juncto artikel 2b van het Uitvoeringsbesluit voldaan. Dit heeft tot gevolg dat de betalingen van [a] zijn aan te merken als loon uit dienstbetrekking. Aftrek van kosten is dan ook niet mogelijk.

In zijn beroepschrift stelt eiser dat medewerkers van de Belastingtelefoon meegedeeld hebben dat hij recht zou hebben op aftrek van de kosten aangezien hij volgens die medewerkers aangemerkt moet worden als zelfstandige zonder personeel. De rechtbank leest in deze stelling dat eiser een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep faalt. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 3 januari 1990, nr. 26 325, BNB 1990/148. Daarin heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat wanneer het gaat om – ondermeer - telefonisch ingewonnen inlichtingen bij de belastingadministratie, zoals te dezen, in de regel de belastingadministratie door onjuistheden of onvolledigheden in de voorlichting niet wordt gebonden. Voor afwijking van deze regel is slechts plaats ingeval de belastingplichtige de onjuistheid niet had behoeven te beseffen en tevens wordt geconfronteerd met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten. Nu gesteld noch gebleken is dat eiser schade als hier bedoeld heeft geleden, is voor afwijking van de hiervoor vermelde regel geen plaats.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2007

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.