Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA8793

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
141905
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderzocht moet worden of de advocaat een beroepsfout heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

Vonnis van 25 april 2007

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 141905 / HA ZA 06-1052 van

de maatschap

[eiseres] ADVOCATEN,

gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. J.H. Steverink te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POUWER VILLA'S B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zetten,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. S.A.H. van Ramele te Arnhem,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 147596 / HA ZA 06-1938 van

de maatschap

[eiseres] ADVOCATEN,

gevestigd en kantoorhoudende te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. J.H. Steverink te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POUWER HOLDING B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zetten,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POUWER PROJECT ONROERENDE ZAKEN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zetten,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. S.A.H. van Ramele te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres], Pouwer Villa's, Pouwer Holding en PPOZ genoemd worden. Pouwer Holding en PPOZ zullen gezamenlijk worden aangeduid als Pouwer Holding c.s.

De procedure in de beide zaken

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 december 2006,

- het proces-verbaal van comparitie van 26 maart 2007,

- Daarna is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

in de zaak 06-1052

1.1. [eiseres] heeft in opdracht en voor rekening van Pouwer Villa’s juridische werkzaamheden verricht.

1.2. In verband met deze werkzaamheden heeft [eiseres] de navolgende declaraties aan Pouwer Villa’s verzonden:

Dossier Declaratie Factuurdatum Bedrag

a. Pouwer Villa’s/advies 560659 31-10-2005 1.481,14

b. Pouwer Villa’s/advies 600739 23-02-2006 661,48

c. Pouwer Villa’s/Van [betrokkene] 560645 31-10-2005 11.352,60

d. Pouwer Villa’s/Van [betrokkene] 600740 23-02-2006 460,91

e. Pouwer Villa’s/Gemeente Overbetuwe 560706 31-10-2005 3.614,16

f. Pouwer Villa’s/Gemeente Overbetuwe 561205 30-11-2005 397,48

g. Pouwer Villa’s/Gemeente Overbetuwe 563130 31-12-2005 843,62

h. Pouwer Villa’s/Gemeente Overbetuwe 600178 31-01-2006 3.414,11

i. Pouwer Villa’s/Gemeente Overbetuwe 600629 14-02-2006 964,21

j. Pouwer Villa’s/Tunnelloods 560707 31-10-2005 2.158,92

k. Pouwer Villa’s/Tunnelloods 561206 30-11-2005 153,39

Totaal € 25.502,02

1.3. Pouwer Villa’s is in haar geschil met Van [betrokkene] - waarop de declaraties sub c en d zien - feitelijk bijgestaan door mr. [betrokkene 2].

1.4. Van [betrokkene] heeft in november 2004 bij de Raad van Arbitrage een verzoekschrift ingediend met het verzoek een met Pouwer Villa’s gesloten koop- aannemingsovereenkomst nietig te doen verklaren, althans te vernietigen en/of te ontbinden. De Raad van Arbitrage heeft het verzoek bij vonnis van 18 februari 2005 afgewezen.

1.5. Bij scheidsrechterlijk vonnis in hoger beroep van 14 september 2005 is het vonnis van 18 februari 2005 vernietigd en is het verzoek alsnog toegewezen in die zin dat de tussen Pouwer Villa’s en Van [betrokkene] gesloten overeenkomsten zijn ontbonden. Voor de vaststelling van de gevolgen van de ontbinding hebben de arbiters Van [betrokkene] verwezen naar de gewone arbitrageregeling. Een datum voor de teruglevering van de grond was in het vonnis niet bepaald.

1.6. Bij “akte tot herstel ex artikel 1060 Rv.” d.d. 23 september 2005 hebben de arbiters overwogen dat zij hebben moeten “constateren dat uit het dictum van dat vonnis een regel is weggevallen bij de uitwerking ervan” en dat zij “deze kennelijke fout (wensen) te herstellen”. Het dictum is vervolgens opnieuw geformuleerd. Daaraan is toegevoegd:

“veroordelen C.C. Pouwer om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis mede te werken aan - en alles te doen wat nodig is voor - de teruglevering, door opdrachtgevers aan hem, van de bouwkavel, dat wil zeggen de onroerende zaak die door hem aan opdrachtgevers is geleverd bij de akte tot levering van 3 december 2003, onder gelijktijdige terugbetaling door hem aan opdrachtgevers van de betaalde koopprijs van € 336.325,00 (...) en voldoening door hem van de aan de teruglevering verbonden kosten”

Deze veroordeling is versterkt met een dwangsom van € 25.000, - voor iedere dag dat Pouwer in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen.

1.7. Op 28 september 2005 heeft [betrokkene 2] aan de Raad van Arbitrage - zakelijk weergegeven - geschreven, onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 29 april 1994 omtrent het herstel van ‘kennelijke fouten’, dat het hier niet gaat om een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare verschrijving, met het verzoek aan de Raad haar standpunt daarover kenbaar te maken.

1.8. Daarop heeft de Raad van Arbitrage bij brief 29 september 2005 aan [betrokkene 2] geantwoord dat naar haar oordeel sprake was van een kennelijke schrijffout in de zin van artikel 1060 lid 4 Rv.

1.9. Op 30 september 2005 heeft [betrokkene 2] aan de Rechtbank Amsterdam, afdeling voorlopige voorzieningen, verzocht Pouwer te horen indien door Van [betrokkene] wordt verzocht het scheidsrechterlijk (herstel)vonnis tenuitvoer te leggen.

1.10. Nadat Van [betrokkene] een dergelijk verzoek hadden ingediend, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het verzoek van [betrokkene 2] gehonoreerd en een mondelinge behandeling bepaald.

1.11. De mondelinge behandeling van het verzoek tot tenuitvoerlegging is vervolgens, op verzoek van Pouwer Villa’s en Van [betrokkene], enkele malen aangehouden, zulks met het oog op tussen hen gevoerde/te voeren onderhandelingen.

1.12. Met betrekking tot de teruglevering van de bouwkavel en de terugbetaling van de koopsom door Pouwer Villa’s aan Van [betrokkene] is uiteindelijk overeenstemming bereikt in die zin, dat het transport en de terugbetaling van de koopsom zullen plaatsvinden op uiterlijk 15 november 2005. Dat is ook gebeurd. Daarop heeft Van [betrokkene] bij brief van 28 november 2005 aan de rechtbank Amsterdam het verzoek tot tenuitvoerlegging van het arbitraal (herstel)vonnis ingetrokken.

in de zaak 06-1938

1.13. [eiseres] heeft ook in opdracht en voor rekening van Pouwer Holding c.s. juridische werkzaamheden verricht. De advocaten die de werkzaamheden in de verschillende dossiers voor Pouwer Holding c.s. hebben verricht zijn mrs. [betrokkene 2] voornoemd en [betrokkene 3].

1.14. In verband met deze werkzaamheden heeft [eiseres] de navolgende declaraties aan Pouwer Holding c.s. verzonden:

Dossier Declaratie Factuurdatum Bedrag

a. Pouwer Holding/Gademan Consulting 560657 31-10-2005 1.610,56

b. PPOZ/[betrokkene 6] 560660 31-10-2005 805,28

c. PPOZ/[betrokkene 4] 561872 14-12-2005 274,87

Totaal € 2.690,71

1.15. PPOZ is in haar geschil met [betrokkene 4] - waarop de declaratie sub c ziet - grotendeels bijgestaan door mr. [betrokkene 3].

1.16. Tussen [betrokkene 4], de architect/adviseur van PPOZ en C.C.Pouwer (hierna Pouwer te noemen) is een geschil ontstaan met betrekking tot door PPOZ/Pouwer aan [betrokkene 4] te betalen facturen en nog door [betrokkene 4] voor PPOZ/Pouwer uit te voeren werkzaamheden. Een en ander had betrekking op de projecten te Zetten, Gassel en ’s-Gravenhage (project Vroondaal).

1.17. Op 19 juli 2005 heeft [betrokkene 4] ten laste van PPOZ en Pouwer conservatoir beslag laten leggen op diverse onroerende zaken (percelen grond) te Zetten, gelegen binnen het door PPOZ/Pouwer te realiseren “Plan Pouwer Zetten”. Begin augustus 2005 heeft [betrokkene 4] de dagvaarding in de hoofdzaak tegen PPOZ/Pouwer doen uitbrengen.

1.18. Op 7 september 2005 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen Pouwer/[betrokkene 3] enerzijds en [betrokkene 4] en diens advocaat anderzijds. Over de inhoud van die bespreking is tussen de advocaten van PPOZ/Pouwer en [betrokkene 4] in september 2005 veelvuldig gecorrespondeerd, onder andere bij (fax)brieven van 7, 8, 9, 13, 23, 26 en 27 september 2005.

1.19. Bij brief van 14 oktober 2005 heeft [betrokkene 3] aan PPOZ (ter attentie van Pouwer en M. Verloop) geschreven:

“Marieke (Verloop; de rechtbank) meende dat ten gevolge van een fout van mij jullie onderhandelingspositie jegens [betrokkene 4] (neutraal gezegd) niet optimaal is. Ik heb bestreden dat mij een fout te verwijten valt en heb ontkend dat ik met Marieke destijds over de derde fase of welke fase dan ook gesproken heb. Zij meende dat zij daar inderdaad niet met mij over heeft gesproken, maar dat de vermelding daarvan in haar faxbericht van 9 september jl. door mij in het nadien aan jullie aangereikte concept had moeten worden verwerkt. Reeds omdat jij dat concept diezelfde dag hebt goedgekeurd, deel ik die mening niet (...). Ondertussen komt een oplossing voor de resterende verschillen van inzicht met [betrokkene 4] niet naderbij (...). Voor mijn vakantie heb ik al geopperd dat het wellicht niet verstandig zou zijn als ik na mijn vakantie de behandeling van de zaak weer zou voortzetten, vanwege onze steeds terugkerende verschillen van inzicht over de aanpak van de zaak. Vanochtend bleek dat die verschillen van inzicht nog steeds bestaan. Ik heb Marieke dan ook meegedeeld, mede in het licht van de mij verweten fout, dat de vertrouwensbasis tussen ons zo wankel is dat ik jullie niet langer moet bijstaan (...)”.

in de beide zaken

1.20. Bij brief van 25 januari 2006 heeft mr. Plattel namens [eiseres] aan Pouwer geschreven dat vanwege een vertrouwensbreuk is besloten de bestaande relatie met Pouwer en zijn vennootschappen te staken, met verzoek alle openstaande nota’s te betalen.

1.21. Pouwer Villa’s en Pouwer Holding c.s. hebben de declaraties sub 1.2.a t/m k respectievelijk de declaraties sub 1.14 a t/m c niet voldaan.

Het geschil

in de zaak 06-1052

2. [eiseres] heeft gevorderd Pouwer Villa’s te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 25.502,02, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 30 dagen na declaratiedatum, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met € 1.880,-- wegens buitengerechtelijke kosten, eveneens vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd de hiervoor onder 1.1, 1.2 en 1.21 vermelde feiten.

3. Pouwer Villa’s heeft het gevorderde gemotiveerd weersproken. Zij heeft in reconventie gevorderd [eiseres] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 40.645,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 december 2006 en voor zover nodig te verminderen met hetgeen aan [eiseres] in de conventie wordt toegewezen.

4. Pouwer Villa’s heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat [betrokkene 2] bij de uitvoering van zijn juridische werkzaamheden in de zaak Pouwer Villa’s tegen de familie Van [betrokkene] onzorgvuldig jegens Pouwer Villa’s heeft gehandeld en dat zij als gevolg daarvan extra (financierings)kosten heeft moeten maken ter hoogte van het door haar gevorderde bedrag.

5. [eiseres] heeft de vorderingen in reconventie gemotiveerd weersproken.

in de zaak 06-1938

6. [eiseres] heeft gevorderd Pouwer Holding te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 1.610,56, en PPOZ te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 1.080,15, telkens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 30 dagen na declaratiedatum tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met € 486,-- wegens buitengerechtelijke kosten, eveneens vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd de hiervoor onder 1.13, 1.14, en 1.21 vermelde feiten.

7. Pouwer Holding c.s. hebben het gevorderde gemotiveerd weersproken. PPOZ heeft in reconventie gevorderd:

a. te verklaren voor recht dat de overeenkomst tussen haar en [eiseres] betreffende het dossier PPOZ/[betrokkene 4] is ontbonden en dat PPOZ uit hoofde van deze verbintenis geen bedragen meer aan [eiseres] verschuldigd is, alsmede

[eiseres] te veroordelen aan haar (terug) te betalen:

b. de door haar inzake het dossier [betrokkene 4] reeds betaalde facturen tot een bedrag van € 5.294,96, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 december 2006, voor zover nodig te verminderen met hetgeen aan [eiseres] in de conventie wordt toegewezen,

c. een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en voor zover nodig te verminderen met hetgeen aan [eiseres] in de conventie wordt toegewezen,

d. een bedrag van € 3.171,46, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 december 2006, voor zover nodig te verminderen met hetgeen aan [eiseres] in de conventie wordt toegewezen,

8. PPOZ heeft aan de vorderingen sub a t/m c ten grondslag gelegd, kort weergegeven, dat

[betrokkene 3] bij de uitvoering van zijn juridische werkzaamheden in het dossier PPOZ/[betrokkene 4] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens PPOZ en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Aan de vordering sub d heeft PPOZ ten grondslag gelegd dat er voor [eiseres] geen reden was de relatie met haar (en de aan haar gelieerde vennootschappen) te beëindigen en dat zij door die beëindiging gedwongen was al haar dossiers onder te brengen bij een ander advocatenkantoor, hetgeen tot extra kosten heeft geleid.

9. [eiseres] heeft de vorderingen in reconventie gemotiveerd weersproken.

De beoordeling van het geschil

in de zaak 06-1052

In conventie

10. Pouwer Villa’s heeft de hoogte van de declaraties op zichzelf niet betwist, behoudens de onder 1.2.b vermelde factuur d.d. 23 februari 2006. Met betrekking tot die factuur heeft Pouwer Villa’s opgeworpen dat [eiseres] ten behoeve van haar in 2006 geen werkzaamheden (meer) heeft verricht.

Dat verweer faalt, reeds omdat uit de bij die factuur behorende (onweersproken) specificatie blijkt dat het niet gaat om in 2006 verrichte werkzaamheden, maar om werkzaamheden die zijn verricht in november 2005.

11. Dat betekent dat de door [eiseres] gevorderde hoofdsom toewijsbaar is, tenzij het door Pouwer Villa’s gedane beroep op verrekening met de door haar in reconventie ingestelde vordering opgaat. Daarvoor is het volgende van belang.

In reconventie

12. Pouwer Villa’s verwijt [betrokkene 2] dat hij, ondanks een mondelinge opdracht daartoe, heeft verzuimd de vernietiging van het - hiervoor onder 1.5/1.6 bedoelde - arbitrale (herstel)vonnis in te stellen. Als dat was gebeurd was er meer tijd geweest de financiering, benodigd voor de terugbetaling van de koopprijs aan Van [betrokkene], op aanvaardbare condities rond te krijgen. Nu heeft Pouwer Villa’s, door de ontstane tijdsdruk, onder zeer nadelige voorwaarden een financiering moeten aangaan bij haar toenmalige huisbankier.

13. [betrokkene 2] heeft betwist dat Pouwer Villa’s hem mondeling de opdracht heeft gegeven de vernietiging van het (herstel)vonnis te vragen.

14. Onderzocht moet worden of [betrokkene 2] een beroepsfout heeft gemaakt, voor de gevolgen waarvan hij jegens Pouwer Villa’s aansprakelijk is. Daartoe dient de vraag beantwoord te worden of [betrokkene 2] de belangen van Pouwer Villa’s heeft behartigd op een wijze die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De advocaat dient zich daarbij in beginsel niet te beperken tot verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk heeft gevraagd, maar dient zelfstandig te beoordelen wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar te handelen. De maatstaf die dient te worden aangelegd is dat cliënt niet behoort te worden blootgesteld aan onnodige risico’s, waarbij een risico onnodig is, als het in de gegeven omstandigheden voorzienbaar was en gemakkelijk had kunnen worden vermeden, zonder dat daardoor andere risico’s in het leven zouden zijn geroepen. De volgende omstandigheden zijn van belang.

15. [betrokkene 2] heeft, zoals uit de feiten blijkt, tijdig voordat de voorzieningenrechter op het verzoek van Van [betrokkene] tot tenuitvoerlegging van het arbitraal (herstel)vonnis had te beslissen, een gemotiveerd verzoek ingediend om op dat verzoek te worden gehoord. Direct daarna heeft [betrokkene 2] bij brief van 7 oktober 2005 aan Pouwer Villa’ geschreven dat “voor vernietiging bepaalde en met name beperkte gronden in de Wet worden gegrepen” en dat hij weinig gronden ziet de vernietiging van de uitspraak, met name de eerste uitspraak, in te roepen. Nadat de griffier van de rechtbank Amsterdam bij brief van 10 oktober 2005 aan [betrokkene 2] had laten weten dat de voorzieningenrechter had besloten de partijen op het verzoek tot tenuitvoerlegging te horen zijn tussen Pouwer Villa’s en Van [betrokkene] de onderhandelingen gestart om de gevolgen van de ontbinding te regelen (tegen de ontbinding zelf had Pouwer Villa’s toen geen bezwaren meer). Nadat een aantal malen om uitstel van de mondelinge behandeling was gevraagd hebben die onderhandelingen uiteindelijk geleid tot overeenstemming zoals hiervoor onder 1.12 is vermeld. Tot een tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis is het niet (meer) gekomen.

16. Geoordeeld wordt dat [betrokkene 2] daarmee adequaat heeft gereageerd om te voorkomen dat het in de ogen van Pouwer Villa’s onjuiste herstelvonnis niet of niet spoedig zou worden tenuitvoer gelegd. Daardoor kreeg Pouwer Villa’s de tijd (ongeveer twee maanden) de zaak met Van [betrokkene] te regelen. De conclusie is dan ook dat [betrokkene 2] geen beroepsfout heeft gemaakt door niet uit eigen beweging de vernietiging van het arbitrale herstelvonnis in te roepen.

17. Blijft de vraag of Pouwer Villa’s [betrokkene 2] uitdrukkelijk mondeling de opdracht heeft gegeven dat te doen. Als al geoordeeld zou moeten worden dat dat zo is, het geen gevolg geven is dan een beroepsfout , dan moet worden aangenomen dat die fout niet tot de door Pouwer Villa’s gestelde (financierings)schade kan hebben geleid en wel op grond van het navolgende.

18. Indien [betrokkene 2] de vernietiging van het arbitraal herstelvonnis zou hebben ingeroepen moet worden aangenomen dat Van [betrokkene] - die, begrijpelijk, al eerder had aangedrongen op een spoedige afhandeling van de zaak - een kort geding procedure zou zijn gestart om op die wijze, op basis van de door de arbiters uitgesproken ontbinding van de overeenkomsten, tot een teruglevering van de grond/terugbetaling van de koopsom te komen. Omdat Pouwer Villa’s geen bezwaar (meer) had tegen die door de arbiters uitgesproken ontbinding zou de rechter, oordelend in dat geschil, niet veel ruimte hebben gehad een dergelijke vordering af te wijzen. Aangenomen moet worden dat Pouwer Villa’s dan niet (substantieel) meer tijd zou hebben gehad de financiering van de terugbetaling van de koopprijs te regelen dan de tijd die zij thans hebben gekregen als gevolg van het handelen van Susante zoals hiervoor in rechtsoverweging 15 is neergelegd.

19. De slotsom is dat de vordering van Pouwer Villa’s in reconventie moet worden afgewezen.

20. Door Pouwer Villa’s is ook nog gevorderd [eiseres] te veroordelen aan PPOZ te betalen een bedrag van € 3.171,46. PPOZ heeft deze zelfde vordering ingesteld in de procedure met rolnummer 06-1938. Het is reeds daarom en omdat PPOZ in deze procedure geen partij is, dat deze vordering moet worden afgewezen. Bij de beoordeling van het geschil met rolnummer 06-1938 zal deze vordering verder worden besproken.

In conventie voorts

21. Hetgeen in de reconventie is overwogen brengt mee dat het door Pouwer Villa’s in conventie gedane beroep op verrekening faalt. De vordering van [eiseres] in conventie zal dan ook worden toegewezen. De daarover gevorderde rente is onweersproken en eveneens toewijsbaar.

22. Dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt voor de inning van deze vordering heeft Pouwer Villa’s betwist. Het had op de weg van [eiseres] gelegen te stellen welke werkzaamheden daartoe zijn verricht en welke kosten daarmee gemoeid zouden zijn geweest waarvoor een proceskostenveroordeling geen vergoeding pleegt in te sluiten. Dat heeft zij niet gedaan, bij gebreke waarvan dit gedeelte van de vordering moet worden afgewezen.

In conventie en in reconventie

23. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Pouwer Villa’s de kosten van de procedure in conventie en in reconventie moeten dragen.

In de zaak 06-1938

In conventie

24. Pouwer Holding c.s. hebben de hoogte van de declaraties op zichzelf niet betwist.

Dat betekent dat door [eiseres] gevorderde hoofdsom toewijsbaar is, tenzij het door Pouwer Holding c.s. gedane beroep op verrekening met de door PPOZ in reconventie ingestelde vordering opgaat. Daarvoor is het volgende van belang.

In reconventie

25. Het verwijt van PPOZ aan [betrokkene 3] komt er in de kern op neer dat:

a. [betrokkene 3] niet heeft bewerkstelligd dat het door [betrokkene 4] op 19 juli 2005 gelegde beslag tijdig, dat wil zeggen vóór 15 november 2005, de datum waarop een perceel grond waarop beslag was gelegd moest worden geleverd, werd opgeheven,

b. dat [betrokkene 3] de wensen/instructies van PPOZ/Verloop, zoals die zijn neergelegd in een faxbrief van Verloop aan [betrokkene 3] van 9 september 2005, niet heeft verwerkt in zijn antwoord aan de advocaat van [betrokkene 4] van diezelfde dag, als gevolg waarvan de onderhandelingspositie van PPOZ/Pouwer (onder andere met betrekking tot de opheffing van het beslag) ten opzichte van [betrokkene 4] werd verslechterd.

26. Ook hier gaat het erom of [betrokkene 3] een beroepsfout heeft gemaakt, voor de gevolgen waarvan hij jegens PPOZ aansprakelijk is. Daartoe dient dezelfde vraag te worden beantwoord als hiervoor in rechtsoverweging 14 is vermeld.

27. Dat [betrokkene 3] de onder 25.b bedoelde instructies niet heeft verwerkt in zijn antwoord aan de advocaat van [betrokkene 4] kan niet worden aangenomen. In de faxbrief van 9 september 2005 heeft Verloop aan [betrokkene 3] geschreven dat zij een aantal wijzigingen wenste in de eerder door [betrokkene 3] aan PPOZ/Pouwer gezonden concept-brief, in die zin dat:

-PPOZ voor de werkzaamheden van [betrokkene 4] in het project Vroondaal betaalt voor twee (en niet drie) woningen, en wel een bedrag van (na een reeds gedane betaling van € 4.000,--) € 12.400,--;

-overeenstemming wordt bereikt door wederzijdse bevestiging van de afspraken;

-op 22 september (2005) overleg zal worden gevoerd met de Gemeente;

-een bedrag van € 33.500,-- door Pouwer/PPOZ in depot bij de notaris wordt gestort zodra de eerste overdracht van een kavel in Zetten zal plaatsvinden;

-het depotbedrag aan [betrokkene 4] zal worden uitgekeerd zodra een binnenplanse vrijstelling van het bestemmingsplan onherroepelijk zal worden en

-het bedrag in depot zal blijven als geen of geen tijdige binnenplanse vrijstelling wordt verleend.

Al deze punten zijn terug te vinden in de brief van [betrokkene 3] aan de advocaat van [betrokkene 4] van 9 september 2005. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat en waarom PPOZ/Pouwer als gevolg van deze brief ten opzichte van [betrokkene 4] in een slechtere onderhandelingspositie is komen te verkeren. Daarbij komt dat [betrokkene 3], nadat hij deze wijzigingen had aangebracht, telefonisch contact heeft opgenomen met Pouwer en dat deze hem toen onvoorwaardelijk goedkeuring heeft gegeven de reactie aan de advocaat van [betrokkene 4] te sturen. Dat daarbij mogelijk de communicatie tussen Verloop/Pouwer te wensen heeft overgelaten is voor risico van PPOZ/Pouwer.

28. Voor de vraag of [betrokkene 3] kan worden verweten dat het beslag niet tijdig vóór 15 november 2005 is opgeheven zijn de volgende omstandigheden van belang.

29. Dat met [betrokkene 4] bij gelegenheid van de onder 1.18 bedoelde bespreking op 7 september 2005 een definitieve regeling was overeengekomen (in die zin, dat beslag zou worden opgeheven indien PPOZ voor wat betreft de facturen van [betrokkene 4] voor de projecten Zetten en Gassel een bedrag van € 33.200,-- in depot zou storten bij een notaris), zoals PPOZ heeft gesteld, kan niet worden aangenomen. Dat volgt niet uit de correspondentie tussen de (advocaten van de) partijen nadien. Daaruit blijkt, integendeel, dat PPOZ/Pouwer en [betrokkene 4] van mening bleven verschillen over het project Vroondaal en dat dat aan een totale minnelijke regeling met [betrokkene 4] in de weg heeft gestaan. Dat betekent dat [betrokkene 3] op die grond, anders dan PPOZ meent, de opheffing van het beslag niet kon afdwingen.

30. Een opdracht tot opheffing van het beslag in kort geding heeft [betrokkene 3] van PPOZ en/of Pouwer niet gekregen. Dat lag ook niet in de rede. Onweersproken is immers dat Pouwer tegen [betrokkene 3] heeft gezegd dat de facturen van [betrokkene 4] niet werden betwist, dat het beslag hem/PPOZ de komende maanden niet hinderde en dat te zijner tijd, op het moment dat de beslagen percelen moesten worden geleverd, het beslag kon worden opgeheven door alternatieve zekerheid te bieden. Dat betekent tevens dat er voor [betrokkene 3] ook geen aanleiding bestond er bij PPOZ/Pouwer op aan te dringen een kort geding procedure tot opheffing van het beslag te starten. Die aanleiding was er evenmin op 14 oktober 2005, het moment waarop [betrokkene 3] aan PPOZ/Pouwer heeft geschreven dat hij hen niet langer zal bijstaan om redenen als in die brief vermeld. De beoogde levering van een perceel grond door PPOZ aan een derde was immers gepland medio november 2005. PPOZ heeft wel aangevoerd dat de juridische dienstverlening door [betrokkene 3] langer heeft doorgelopen, maar dat kan niet worden aangenomen. De inhoud van de brief van 14 oktober 2005 is duidelijk. PPOZ en/of Pouwer hebben op die brief niet gereageerd, maar hun financieel adviseur, mr. Schouten, wel. Onweersproken is dat hij op 17 oktober 2005 aan [betrokkene 3] heeft verzocht de benodigde stukken op te sturen opdat hij de zaak verder voor PPOZ/Pouwer kon behandelen. Daarop heeft [betrokkene 3] bij brief van 18 oktober 2005 deze stukken aan Schouten toegestuurd. Aangenomen moet dan ook worden dat de juridische dienstverlening door [betrokkene 3] aan PPOZ/Pouwer op dat moment was beëindigd. Het enkele feit dat [betrokkene 3] op 14 november 2005 nog wat werkzaamheden ten behoeve van PPOZ/Pouwer heeft verricht is daarmee niet in strijd, temeer niet omdat die werkzaamheden zijn verricht op uitdrukkelijk verzoek van Schouten om een urgent probleem op te lossen, hetgeen ook is gelukt.

31. De slotsom is dat [betrokkene 3] geen beroepsfout heeft gemaakt en dat de vorderingen van PPOZ in reconventie sub 7.a t/m c moeten worden afgewezen.

32. De vordering sub 7.d moet eveneens worden afgewezen. PPOZ heeft gesteld dat geen sprake was van een vertrouwensbreuk. [eiseres] heeft dat gemotiveerd betwist. Zij heeft daarvoor verwezen naar hetgeen in de hierboven genoemde zaken is voorgevallen en naar de brieven van [eiseres] (Plattel en [betrokkene 3]) van 14 oktober 2005 en 25 januari 2006. Daartegenover heeft PPOZ niet nader toegelicht dat en waarop er in haar ogen geen sprake zou zijn geweest van een vertrouwensbreuk. Daarmee heeft PPOZ niet mogen volstaan. Als onvoldoende weersproken moet dan ook worden aangenomen dat de vertrouwensrelatie tussen [eiseres] en PPOZ/Pouwer zodanig was verstoord, dat [eiseres] de relatie heeft mogen beëindigen.

In conventie voorts

33. Hetgeen in de reconventie is overwogen brengt mee dat het door Pouwer Holding c.s. in conventie gedane beroep op verrekening faalt. De vordering van [eiseres] in conventie zal dan ook worden toegewezen. De daarover gevorderde rente is onweersproken en eveneens toewijsbaar.

34. Dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt voor de inning van deze vordering hebben Pouwer Holding c.s. betwist. Het had op de weg van [eiseres] gelegen te stellen welke werkzaamheden daartoe zijn verricht en welke kosten daarmee gemoeid zouden zijn geweest waarvoor een proceskostenveroordeling geen vergoeding pleegt in te sluiten. Dat heeft zij niet gedaan, bij gebreke waarvan dit gedeelte van de vordering moet worden afgewezen.

In conventie en in reconventie

35. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen Pouwer Holding c.s. de kosten van de procedure in conventie en PPOZ die in reconventie moeten dragen.

De beslissing

De rechtbank

In de zaak 06-1052

In conventie

veroordeelt Pouwer Villa’s tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 25.502,02 (vijfentwintigduizend vijfhonderd twee euro en twee eurocent), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 30 dagen na de verschillende factuurdata, telkens tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt Pouwer Villa’s in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.158,-- voor salaris van de procureur en op € 656,32 wegens verschotten,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

wijst de vordering van Pouwer Villa’s af,

veroordeelt Pouwer Villa’s in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 579,-- voor salaris van de procureur,

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In de zaak 06-1938

In conventie

veroordeelt Pouwer Holding tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.610,56 (eenduizend zeshonderd tien euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 30 dagen na de factuurdatum tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt PPOZ tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.080,15 (eenduizend tachtig euro en vijftien eurocent), telkens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 30 dagen na de verschillende factuurdata, telkens tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt Pouwer Holding c.s. in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 768,-- voor salaris van de procureur en op € 123,32 wegens verschotten,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

wijst de vorderingen van PPOZ af,

veroordeelt PPOZ in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 452,-- voor salaris van de procureur,

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2007.

Coll.: ED