Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA8789

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
147693
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is voornemens aan de deskundige vragen te stellen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 147693 / HA ZA 06-1959

Vonnis van 6 juni 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRORAIL B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in het verzet,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. H.H. Luigies te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE NIJMEGEN,

zetelend te Nijmegen,

gedaagde in het verzet,

procureur mr. P.J.M. van Wersch,

advocaat mr. L.A. de Ruijter te Nijmegen.

Partijen zullen hierna Prorail en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 januari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 26 april 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Burgemeester en wethouders van de Gemeente – hierna: B&W – hebben aan Prorail bij besluit van 6 juli 1998 een milieuvergunning verleend (Wm nr. 365-96) voor het spoorwegemplacement Nijmegen. B&W hebben bij besluit van 5 februari 2002 voorschrift 10.4 van de milieuvergunning opnieuw vastgesteld, welk voorschrift bij besluit van 17 juni 2003 is gewijzigd en vernummerd tot 10.2. Dit voorschrift luidt als volgt:

“Met ingang van 1 januari 2004, of zoveel eerder als de ombouwwerkzaamheden van het emplacement zijn beëindigd, mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr. LT) van het invallend geluid veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, ter plaatse van de in Bijlage III aangegeven beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

- 55 dB(A) in de dagperiode (07.00 – 19.00 uur)

- 50 dB(A) in de avondperiode (19.00 – 23.00 uur)

- 45 dB(A) in de nachtperiode (23.00 – 07.00 uur).”

2.2. B&W hebben Prorail bij besluit van 11 juni 2004 een last onder dwangsom opgelegd in verband met overtreding van voorschrift 10.2 van de milieuvergunning. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 23 september 2004 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – hierna: AbRS – heeft bij uitspraak van 8 juni 2005 het beroep van Prorail tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2.3. Het Bureau geluid van de Gemeente heeft in de nacht van 8 op 9 mei 2006 onderzoek verricht naar de geluidsbelasting van het spoorwegemplacement Nijmegen in de directe omgeving. De conclusie van het onderzoek was dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op beoordelingspunt 21 werd overschreden met minimaal 1,5 dB(A). B&W hebben Prorail bij brief van 7 juni 2006 geschreven dat deze vergunningvoorschrift 10.2 heeft overtreden en dat deze daarom een dwangsom van € 10.000 heeft verbeurd. In verband hiermee heeft de Gemeente op 20 september 2006 een dwangbevel uitgereikt aan Prorail.

3. Het geschil

3.1. Prorail vordert samengevat – dat de rechtbank het dwangbevel van 20 september 2006 buiten effect zal stellen, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding.

3.2. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Prorail in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

4.2. Prorail betwist dat zij vergunningvoorschrift 10.2 heeft overtreden. Zij voert aan dat de Gemeente haar geluidsmetingen onvoldoende heeft gecorrigeerd voor het feit dat is gemeten vanaf een andere locatie dan meetpunt 21 (de gevels van de woningen aan de Tollensstraat 91-129) en voor de weersomstandigheden. Zij beroept zich op de rapporten van haar adviseur, DGMR Bouw B.V. – hierna: DGMR – van 1 juni 2006 en 10 april 2007. Zouden de metingen wel op de juiste manier zijn gecorrigeerd, dan zou het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau zijn vastgesteld op 44,5 dB(A), dus juist onder het maximale niveau. De Gemeente is gebleven bij haar berekeningen en heeft zich daarbij mede beroepen op de nadere toelichting door B.L.T.M. Overes, de akoestisch adviseur die de metingen heeft uitgevoerd, in zijn rapport van 14 december 2006.

4.3. Tijdens de comparitie is tussen partijen besproken dat het verkieslijk zou zijn dat een akoestisch deskundige van de Stichting advisering bestuursrechtspraak – hierna: StAB – zou worden benoemd tot deskundige, opdat deze zou nagaan of de Gemeente de gemeten waarden op de juiste manier heeft gecorrigeerd. De StAB is bereid deze opdracht te aanvaarden, zodat in het volgende tussenvonnis een van haar medewerkers zal worden benoemd tot deskundige.

4.4. Verder is tijdens de comparitie besproken dat in dit tussenvonnis de aan de deskundige te stellen vragen zouden worden geformuleerd en dat partijen daar vervolgens commentaar op zouden mogen leveren bij akte. De rechtbank is voornemens aan de deskundige de volgende vragen te stellen:

1. Heeft de Gemeente in haar akoestisch onderzoek van 15 mei 2006 de metingen op een juiste manier gecorrigeerd voor het meten vanaf een andere locatie, voor de gevelreflectie en voor de weersomstandigheden?

2. Als het antwoord op vraag 1 ontkennend is, wat zou het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op beoordelingspunt 21 voor de nachtperiode van 8 op 9 mei 2006 zijn bij toepassing van juiste correcties?

3. Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

4.5. De procedure wordt verwezen naar de rol van 27 juni 2007, opdat beide partijen bij akte kunnen reageren op de in 4.4 weergegeven concept-vragen. Daarna zal in het volgende tussenvonnis de deskundige worden benoemd. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. De procedure wordt verwezen naar de rol van 27 juni 2007, opdat beide partijen bij akte kunnen reageren op de in 4.4 weergegeven concept-vragen,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2007.