Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA8781

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
149549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vorderingen van eisersjegens Assurantiewacht zijn gebaseerd op de stelling dat eiser onverschuldigd heeft betaald. Voorts verwijt eiser zowel Assurantiewacht als gedaagde dat zij onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 139549 / HA ZA 06-644

Vonnis van 6 juni 2007

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. P.A. Aan de Kerk,

tegen

1. [gedaagde],

voorheen tevens h.o.d.n. “Lekker Leven Hypotheken van [gedaagde]”

wonende te Arnhem,

gedaagde,

procureur mr. J.H.A.M. Hanssen,

2. de commanditaire vennootschap ASSURANTIEWACHT N.L.,

tevens h.o.d.n. Lekker Leven Hypotheken,

gevestigd te Stadskanaal,

gedaagde,

niet verschenen,

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde] en Assurantiewacht genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 juni 2006

- de brief van de zijde van [eiser] van 6 juli 2006 met als bijlagen beslagstukken

- de akte houdende wijziging van eis van 7 augustus 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 27 november 2006

- de akte van depot van stukken gedeponeerd door [gedaagde] van 8 januari 2007

- de akte houdende depot producties met dezelfde inhoud genoemd als de hiervoor genoemde akte

- de akten zowel aan de zijde van [eiser] als van [gedaagde] van 10 januari 2007

- de antwoordakten zowel aan de zijde van [eiser] als van [gedaagde] 7 februari 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] houdt zich blijkens een inschrijving bij de Kamer van Koophandel met ingang van 1 januari 2005 bezig met het verlenen van financiële diensten, administratieve zaken, bemiddelen in aan- en verkoop van roerende en onroerende zaken en adviesbureau. [gedaagde] beschikt niet, en heeft ook nimmer beschikt, over een vergunning als bedoeld in het op dat moment geldende artikel 7 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte) om te handelen als effectenbemiddelaar. [gedaagde] heeft ook nimmer geregistreerd gestaan als cliëntenremisier in het openbare, door de stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) aangehouden, register in de zin van de Wte.

2.2. Eerder heeft [gedaagde] werkzaamheden verricht voor Assurantiewacht, tevens handelend onder de naam Lekker Leven Hypotheken. In een overeenkomst gedateerd 14 september 2000 met de titel samenwerkingsovereenkomst, gesloten tussen Assurantiewacht aangeduid als franchisegever en [gedaagde] aangeduid als franchisenemer, zijn partijen voor zover van belang het volgende overeengekomen:

Artikel 1 Assortiment

1.1 Franchisegever vervult de rol van intermediair als het gaat om afspraken met derden, zoals banken, vermogensbeheerders en verzekeraars. Franchisegever zal naar rato van de individuele bijdrage een beloning toekennen aan franchisenemer als omschreven in artikel 4 “Provisiereglement”. Benadrukt wordt dat franchisenemer geen adviserende rol speelt in het tot stand komen van financiële en aanverwante producten tussen prospect en de financiële instelling. Franchisenemer zal slechts het product aangeboden door franchisegever, bij de prospect toelichten en benodigde bescheiden in ontvangst nemen. (…)

[gedaagde] verrichtte zijn werkzaamheden in het kader van de samenwerking met Assurantiewacht onder de naam “Lekker Leven Hypotheken [gedaagde].”

2.3. Assurantiewacht bood, als tussenpersoon, onder meer een 10-jarige hypotheek aan, al dan niet gecombineerd met beleggingsproducten, waaronder een tweetal producten aangeduid als het “Euro Consultancy certificaat” en het “VastgoedGarant certificaat”. [gedaagde] heeft als franchisenemer van Assurantiewacht deze producten onder de aandacht gebracht van het publiek.

2.4. In de door Euro Consultancy Inc. verspreide brochures met betrekking tot het Euro Consultancy certificaat staat onder het opschrift Investeren zonder beleggingsrisico: ons huismerk onder meer het volgende:

… een veilige investering met een gestaag maar zeker rendement …

Uw inleg wordt na het einde van de looptijd teruggestort. Er is een looptijdkeuze van 20 of 30 jaar. (…)

Gedurende de contractsduur wordt het rendement naar keuze per jaar of aan het einde van de looptijd ineens uitgekeerd. U kunt vanaf elk jaar van de contractsduur laten uitkeren, zover u dat maar bij de aanvraag kenbaar maakt.

2.5. In de brochure over het certificaat van VastgoedGarant staat onder meer het volgende:

…wordt u als deelnemer ingeschreven in de administratie van stichting VastgoedGarant (sVG). (…) U bent dus volledig eigenaar van een deel van een vastgoedportefeuille. U komt met SVG overeen dat deze uw vastgoed aan het einde van de looptijd van u terugkoopt voor gegarandeerd dezelfde prijs als waarvoor u kocht. Gedurende, of aan het einde van de looptijd ineens, ontvangt u gegarandeerd een rendement van 8%. SVG zal aan het einde van de looptijd het vastgoed verkopen, over de winst bij verkoop ontvangt u 3%.

2.6. [gedaagde] heeft verklaard betrokken te zijn geweest in de periode 2001-2003 bij + 30 á 40 klanten die een Euro Consultancy certificaat hebben gekocht en in de periode 2003-2005 bij eenzelfde aantal klanten dat een Vastgoedcertificaat heeft gekocht. [gedaagde] heeft de samenwerkingsovereenkomst met Assurantiewacht in september 2005 beëindigd.

2.7. Assurantiewacht is op 6 juni 2006 failliet verklaard. Uit de faillissementsverslagen volgt dat de aangemelde schulden de bekende baten overtreffen.

2.8. Uit verslagen van de curator blijkt voorts dat de heer [voorletters] [betrokkene] (hierna “[betrokkene]”), directeur van Assurantiewacht, door de Belgische justitie wordt verdacht van oplichting. Ook de FIOD heeft een onderzoek ingesteld. De curator schrijft in zijn faillissementsverslag van 24 oktober 2006 over Euro Consultancy en VastgoedGarant:

Deze beide vennootschappen gaven beleggingscertificaten af met zeer hoge rendementswaarden, waar – naar thans is gebleken – in ieder geval 175 mensen aan hebben deelgenomen voor een totale inlegwaarde van plus minus 5,4 miljoen. Vanuit de vennootschap Vastgoed Garant II B.V. zijn in het verleden rendementen daadwerkelijk uitgekeerd, waarvan overigens het vermoeden bestaat dat dit door middel van het zogenaamde “pyramidespel-principe” is gebeurd en vanuit Euro Consultancy is nimmer enig rendement uitgekeerd. (…) Vooralsnog bestaat bij justitie het idee dat Euro Consultancy in het geheel nooit heeft bestaan als zelfstandig rechtspersoon en in het leven is geroepen door de heer [betrokkene] in verband met de hem toegedichte oplichting.

2.9. De curator schrijft in dat verslag voorts dat op basis van de beschikbare informatie moet worden aangenomen dat Assurantiewacht juridisch aansprakelijk is jegens de diverse gedupeerden.

2.10. In een inmiddels in Nederland aanhangige strafzaak wordt [betrokkene] ten laste gelegd dat hij, al dan niet samen met Assurantiewacht, buiten een besloten kring beleggingsproducten, waaronder certificaten van Euro Consultancy en VastgoedGarant zonder vergunning heeft aangeboden en voorts dat hij beleggers heeft bewogen tot de afgifte van geldsbedragen en/of het aangaan van een hypotheekschuld. Onderdeel van de tenlastelegging is voorts:

Het meedelen en/of laten meedelen door de desbetreffende tussenpersoon aan een of meerdere van voornoemde personen (bedoeld zijn beleggers – rb.) dat:

- er sprake zou zijn van een garantieproduct,

- er een gegarandeerd rendement zou worden uitgekeerd, en/of

- er voor de desbetreffende belegger geen enkel risico aan zou vastzitten (…).

2.11. [eiser] heeft in 2000 contact gehad met [gedaagde] over de afsluiting van een hypothecaire lening. Die lening is ook daadwerkelijk tot stand gekomen. In 2003 heeft [eiser] opnieuw contact opgenomen met [gedaagde] met het verzoek behulpzaam te zijn bij de totstandkoming van een verhoging van zijn hypothecaire lening. [eiser] wilde daarmee een verbouwing van zijn huis financieren. [gedaagde] heeft dat gedaan en [eiser] in dat verband tevens geïnformeerd over certificaten van Euro Consultancy. [eiser] heeft vervolgens besloten de overwaarde van zijn huis te gelde te maken en tegen het verstrekken van een tweede hypotheek, een additioneel bedrag te lenen van EUR 30.000,00. Hij heeft voorts een door [gedaagde] aan hem ter beschikking gesteld “deelnameformulier garantiecertificaat” van Euro Consultancy ingevuld, gedateerd op 18 maart 2003 en ondertekend en aan Assurantiewacht gezonden. Daarin wordt een deelnamesom van EUR 15.000,00 vermeld en een opname na één jaar. Met de hand is bijgeschreven: “EUR 70,00 p. 1000.”

2.12. De notariële akten zijn gepasseerd op 21 mei 2003. De helft van het geleende bedrag ad EUR 30.000,00 heeft [eiser] bestemd voor de verbouwing aan zijn huis. De andere helft heeft hij gebruikt voor de aanschaf van een certificaat van Euro Consultancy. De passerende notaris heeft daartoe een bedrag van EUR 15.000,00 doorbetaald aan Assurantiewacht. Van de laatste heeft [eiser] een document ontvangen getiteld “Euro Consultancy Garantiecertificaat” met een uitgiftedatum van 3 juni 2003 en een einddatum van 3 juni 2033. Het certificaat vermeldt een gegarandeerde jaarlijkse uitkering van EUR 1.050,00 met een eerste uitkering op 3 juni 2004.

2.13. In 2004 heeft [eiser] via een derde, het administratiekantoor Novak B.V., het overeengekomen jaarlijkse rendement ad EUR 1.050,00 ontvangen. Daarna heeft geen uitkering meer plaatsgevonden. [eiser] heeft evenmin de inleg ad EUR 15.000,00 terugontvangen. [eiser] heeft inmiddels een vordering ter verificatie ingediend bij de curator van Assurantiewacht.

2.14. Op 21 juni 2006 heeft [eiser], samen met een vijftal andere partijen, beslag laten leggen op het woonhuis van [gedaagde]. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat die andere partijen eveneens tegen [gedaagde] procederen en dat zij hun vorderingen baseren op - in grote lijnen - hetzelfde feitencomplex en dezelfde grondslagen als aan de orde in deze procedure.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - samengevat - na vermeerdering van eis:

(1) veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de door [eiser] door het handelen van [gedaagde] geleden schade nader op te maken bij staat;

(2) van waarde verklaring van het ten laste van [gedaagde] gelegde beslag;

(3) veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de door [eiser] gemaakte kosten voor juridische bijstand;

(4) veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Omvang van deze procedure

4.1. De vorderingen van [eiser] jegens Assurantiewacht zijn gebaseerd op de stelling dat [eiser] onverschuldigd heeft betaald. Voorts verwijt [eiser] zowel Assurantiewacht als [gedaagde] dat zij onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld.

4.2. Nu alle vorderingen jegens Assurantiewacht, met uitzondering van het sub (2) gevorderde, de voldoening van verbintenissen uit de boedel tot doel hebben, en deze vorderingen uitsluitend door aanmelding ter verificatie ingesteld kunnen worden (artikel 26 Fw.), heeft [eiser] in dit stadium geen belang bij een bespreking van deze vorderingen. De procedure tegen Assurantiewacht zal worden geplaatst op de parkeerrol in afwachting van de afwikkeling van het faillissement. In dit vonnis wordt daarom alleen inhoudelijk beslist op de vorderingen jegens [gedaagde].

4.3. Voorts geldt voor de vordering tot vanwaardeverklaring dat [eiser] daarbij noch in de relatie tot Assurantiewacht noch in die tot [gedaagde], belang heeft. In het huidige systeem van de wet is een aparte vordering tot vanwaardeverklaring niet langer vereist. Deze vordering zal dus worden afgewezen.

4.4. Het verwijt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld onderbouwt [eiser] met een aantal sub-verwijten. In de eerste plaats stelt [eiser] dat [gedaagde] heeft gehandeld als orderremisier en/of cliëntenremisier zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning als bedoeld in artikel 7 Wte en zonder ingeschreven te zijn geweest als cliëntenremisier. Voorts verwijt [eiser] [gedaagde] dat hij cliënten heeft aangebracht bij Euro Consultancy zonder dat deze was geregistreerd bij de AFM. In dit verband doet [eiser] een beroep op artikel 41 Nadere Regeling Gedragstoezicht Effectenverkeer 2002 (NR) waarin onder andere wordt bepaald dat een effecteninstelling zich met betrekking tot een effecteninstelling die niet beschikt over een vergunning ex artikel 7 Wte dient te onthouden van het aanbrengen van cliënten of effectenorders voor rekening van cliënten bij deze instelling. De rechtbank zal deze stellingen hierna bespreken waarbij zij tevens ingaat op het karakter van de relatie tussen [gedaagde] en [eiser].

Juridische context

4.5. [eiser] heeft [gedaagde] benaderd met het verzoek hem te adviseren over de mogelijkheden om zijn hypothecaire lening te verruimen. [gedaagde] erkent (cva punt 3) dat hij [eiser] ook daadwerkelijk daarover heeft geadviseerd. Verder erkent [gedaagde] dat hij ten behoeve van [eiser] heeft bemiddeld bij zowel de totstandkoming van de hypothecaire geldlening als de investering in het certificaat van Euro Consultancy. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat tussen [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Daaraan doet niet af dat daarnaast tevens een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser] en Assurantiewacht en dat het de laatste was met wier tussenkomst de hypotheek tot stand is gekomen en het certificaat is aangekocht. Nu in deze procedure de vorderingen van [eiser] op Assurantiewacht niet inhoudelijk worden behandeld, zal de rechtbank niet ingaan op de inhoud van deze tweede overeenkomst.

4.6. Bij de uitvoering van de hem opgedragen werkzaamheden dient [gedaagde] jegens [eiser] de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (artikel 7:401 BW). De te beantwoorden vraag daarbij is of [gedaagde] heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot zou hebben gedaan. Daarbij dienen in aanmerking genomen te worden hetgeen partijen zijn overeengekomen en voorts alle relevante omstandigheden van het geval, daaronder begrepen de toepasselijke regelgeving. Daaronder zijn ook begrepen de bepalingen van de Wte die blijkens de wetsgeschiedenis mede strekken ter bescherming van de belangen van de beleggers.

4.7. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat hij tegenover [gedaagde] heeft gezegd dat hij geen risico’s wilde nemen. [eiser] heeft voorts gesteld dat [gedaagde] met het voorstel is gekomen om meer te lenen dan nodig was voor de verbouwing waarvoor [eiser] zijn lening wilde verhogen, en het extra deel te gebruiken voor de aanschaf van een beleggingsproduct in de vorm van een certificaat van Euro Consultancy. Dat laatste heeft [gedaagde] wel betwist maar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. [gedaagde] heeft bij de beschrijving van zijn werkwijze aangegeven dat hij in gesprekken met klanten altijd een aantal verschillende beleggingsmogelijkheden besprak.

4.8. Over zijn gesprekken in 2003 met [eiser] heeft [gedaagde] echter tevens verklaard dat, gelet op de eerdere contacten in 2000 toen volgens [gedaagde] wel diverse scenario’s zijn besproken, in 2003 uitsluitend nieuwe mogelijkheden zijn besproken. Die nieuwe mogelijkheden bestond echter blijkens de mededelingen van [gedaagde] uitsluitend uit de certificaten van Euro Consultancy. De rechtbank heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld de diverse berekeningen die hij voor [eiser] stelt te hebben gemaakt, over te leggen. Uit de daarop ingebrachte stukken blijkt inderdaad dat [gedaagde] meer berekeningen heeft gemaakt maar tevens dat de enige variabele daarin is het ingelegde bedrag. Daaruit kan dus niet afgeleid worden dat [gedaagde] [eiser] tevens heeft voorgelicht over andere producten dan het certificaat van Euro Consultancy. Daarmee heeft [gedaagde] de stelling van [eiser] dat [gedaagde] met hem uitsluitend heeft gesproken over het certificaat van Euro Consultancy onvoldoende betwist.

4.9. De rechtbank is verder van oordeel dat de door [gedaagde] verstrekte informatie en inlichtingen concrete aanbevelingen inhielden die door [eiser] als advies beschouwd mochten worden. Bij het geven van dat advies had [gedaagde] rekening moeten houden met de door [eiser] uitdrukkelijk vermelde wens om bij het gebruik van de overwaarde risico’s te mijden.

4.10. Samengevat is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde], gelet op hetgeen partijen zijn overeengekomen en de relevante omstandigheden, niet de als een goed opdrachtnemer in acht te nemen zorg heeft betracht. Dat leidt zij niet af uit het feit dat [eiser] op het certificaat van Euro Consultancy slechts eenmaal een uitkering van rendement heeft ontvangen, en ook niet uit de omstandigheid dat aangenomen moet worden dat [eiser] die uitkering ook niet meer zal ontvangen en ook zijn inleg niet zal terugkrijgen. Dat zijn constateringen achteraf waaruit nog niet volgt dat aan [gedaagde] ter zake enig verwijt gemaakt kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat verwijt echter op grond van wat hierna (4.11 – 4.18) wordt overwogen wel worden gemaakt.

4.11. [gedaagde] heeft ter comparitie verklaard dat hij de brochure voor de certificaten heeft gezien en dat hij verder geen onderzoek heeft gedaan. Daarbij valt op dat uit de overgelegde brochure niet blijkt dat tevens een prospectus beschikbaar is gesteld terwijl ook overigens niet is gesteld of gebleken dat een prospectus beschikbaar is gesteld. [gedaagde] heeft dus geadviseerd over een product waarmee hij niet bekend was en waarover, behalve een summiere brochure, geen aanvullende informatie beschikbaar was.

4.12. Voorts heeft [gedaagde] erkend dat hij ook geen nader onderzoek heeft gedaan naar Euro Consultancy. [gedaagde] heeft wel gesteld dat Euro Consultancy onder de indertijd geldende regelgeving geen registratie bij de AFM behoefde omdat deze zou vallen onder de Luxemburgse regelgeving. Hij heeft daarvoor een beroep gedaan op een brief van Euro Consultancy aan [betrokkene] van “Lekker Leven Hypotheken” van 28 augustus 2001. Wat er ook zij van de juistheid van deze stelling, de rechtbank acht deze brief, die niet afkomstig is van de AFM of haar Luxemburgse evenknie en evenmin van een deskundige derde, (bijvoorbeeld in de vorm van “legal opinion" van een advocatenkantoor) onvoldoende om nader onderzoek achterwege te laten. Het volstaat niet uitsluitend af te gaan op informatie afkomstig van de entiteit die nu juist voorwerp van onderzoek zou moeten zijn.

4.13. [gedaagde] heeft gesteld dat hij niet beter wist dan dat Assurantiewacht deugdelijke producten op de markt bracht (cva punt 8). Waarop [gedaagde] dat vertrouwen baseert en kon baseren, is de rechtbank echter niet duidelijk geworden. [gedaagde] heeft ter comparitie verklaard dat hij Assurantiewacht heeft gevraagd naar haar vergunningen en dat zij hem gezegd zou hebben te beschikken over een SER-inschrijving en over een inschrijving om effecten te mogen verhandelen. [gedaagde] heeft echter tevens verklaard dat hij deze vergunning niet heeft ingezien en dat hij zelf ook geen navraag heeft gedaan. De rechtbank acht dat, mede gelet op het summiere karakter van de informatie over Euro Consultancy en de certificaten van Euro Consultancy, onvoldoende. Voor zover deze stelling van [gedaagde] beschouwd zou moeten worden als een beroep op overmacht, gaat dit dan ook niet op.

4.14. [gedaagde] heeft dus (positief) geadviseerd over een product waarover slechts summiere, niet geverifieerde informatie beschikbaar was, afkomstig van een onderneming waarover slechts summiere, niet geverifieerde informatie bestond, en waarbij het initiatief om dit product aan te bieden voorts afkomstig was van een onderneming waarover eveneens slechts niet geverifieerde informatie beschikbaar was.

4.15. Het gebrek aan voldoende en betrouwbare informatie van [gedaagde] klemt te meer omdat uit de door partijen gestelde gang van zaken volgt dat alle contacten met Assurantiewacht via [gedaagde] zijn gelopen. Ter comparitie heeft [gedaagde] toegelicht dat als een klant een bepaalde transactie wilde, hij, [gedaagde], alle benodigde papieren door de klant liet tekenen. [eiser]s besluitvorming was dus geheel gebaseerd op de informatie verstrekt door [gedaagde] en dat was [gedaagde] bekend.

4.16. Het handelen van [gedaagde] is voorts in strijd met de toepasselijke voorschriften uit de Wte. Het stond hem hoe dan ook niet vrij om te adviseren over specifieke beleggings-producten. Op basis van de gebleken feiten moet aangenomen worden dat [gedaagde] heeft gehandeld als cliëntenremisier dan wel orderremisier zonder dat hij daartoe was ingeschreven bij de AFM. Dat levert strijd op met artikel 7 Wte. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt heeft willen stellen dat hij gebruik kon maken van de inschrijving van Assurantiewacht als cliëntenremisier, geldt dat het ook Assurantiewacht als cliëntenremisier niet vrijstond over specifieke producten te adviseren. Overigens geldt dat [gedaagde] niet kan profiteren van een eventuele inschrijving van Assurantiewacht als cliëntenremisier. [gedaagde] was immers niet in dienst van Assurantiewacht maar werkte voor eigen rekening en risico met een vergoeding die gerelateerd was aan de door zijn toedoen door Assurantiewacht bij derden aangebrachte transacties. Voorts is van belang dat het cliëntenremisiers op grond van het (voormalige) artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte niet vrijstond cliënten bij andere cliëntenremisiers aan te brengen. Dat kon uitsluitend bij – verkort weergegeven – vergunninghoudende effecteninstellingen en beleggingsinstellingen.

4.17. [eiser] heeft tenslotte een beroep gedaan op artikel 41 NR. Gelet op de conclusies die reeds uit het voorgaande getrokken kunnen worden, behoeft dit verwijt geen bespreking meer.

4.18. Een en ander tezamen genomen, brengt de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met de zorg die [eiser] van hem als goed opdracht-nemer heeft mogen verwachten. Dat tekortschieten is voorts aan [gedaagde] toerekenbaar.

Causaal verband en schade

4.19. Deze conclusie brengt mee dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van dat tekortschieten heeft geleden. Dat betekent ook dat het sub 1 gevorderde voor toewijzing gereed ligt. Naar het oordeel van de rechtbank is een verwijzing naar de schadestaatprocedure echter niet noodzakelijk nu [eiser] de door hem gestelde schade heeft gespecificeerd en toegelicht en [gedaagde] daarop heeft kunnen reageren. De vaststelling van de schade kan dus in het kader van deze procedure plaatsvinden.

4.20. Naar aanleiding van hetgeen ter comparitie is besproken heeft [eiser] een (herziene) schadeopstelling gemaakt (productie 5 bij akte van 10 januari 2007). Deze gaat uit van het bestaan van causaal verband tussen de gestelde schade en de aan [gedaagde] verweten gedragingen waarbij een beroep wordt gedaan op de omkeringregel.

4.21. De rechtbank oordeelt als volgt. Zonder advies van [gedaagde] zou [eiser] geen certificaat van Euro Consultancy hebben gekocht. De rechtbank verwerpt daarmee de stelling van [gedaagde] dat indien niet hij [eiser] zou hebben bezocht maar een andere franchisenemer van Assurantiewacht, [eiser] eveneens een Euro Consultancy certificaat zou hebben gekocht. Die stelling gaat niet op omdat voor de vaststelling van het causale verband uitsluitend vergeleken wordt met de situatie waarin het schadeveroorzakende feit – lees het advies van [gedaagde] om een certificaat aan te koop en daartoe een extra bedrag te lenen – zich niet zou hebben voorgedaan. Aan een beoordeling van het beroep op de omkeringregel, wat daar ook van zij, komt de rechtbank niet toe.

4.22. Er is dus sprake van een causaal verband tussen de kosten die zijn gemaakt voor de aanschaf van het certificaat en het tekortschieten van [gedaagde]. Nu er geen concreet vooruitzicht bestaat dat de inleg op dit certificaat terugbetaald zal worden, beschouwt de rechtbank de ingelegde gelden als schade. De rechtbank brengt daarop in mindering het bedrag dat [eiser] bij wijze van rendement heeft ontvangen. Nu partijen niet anderszins hebben gesteld, gaat de rechtbank uit van betaling op de in het certificaat vermelde datum. De rechtbank zal de wettelijke rente over de ingelegde gelden toekennen, te rekenen vanaf de datum waarop deze aan Assurantiewacht zijn betaald, en zal de opbouw van rendement buiten beschouwing laten.

4.23. De aldus te ontvangen schadevergoeding stelt [eiser] in staat om desgewenst het extra deel van de hypothecaire lening dat destijds is aangewend voor de aankoop van het certificaat van Euro Consultancy kopen, af te lossen. Van een verdere opbouw van schade gedurende de resterende looptijd van de hypothecaire lening, waarvan uitgegaan wordt in de schadeberekening, is dan geen sprake.

4.24. De vordering tot vergoeding van de kosten voor juridische bijstand, die niet (gemotiveerd) is betwist, ligt voor toewijzing gereed voor zover deze zich beperkt tot de buitengerechtelijke incassokosten berekend conform het rapport Voorwerk II, dus tot een bedrag van EUR 904,00.

4.25. Samengevat liggen de volgende posten voor toewijzing gereed:

- hoofdsom certificaat minus rendement EUR 13.950,00

- wett. rente over EUR 15.000 21-5-03 t/m 2-6-04 786,67

- wett. rente over EUR 13.950 3-6-04 t/m 6-6-07 1.799,24

- kosten cf Voorwerk II 904,00

Totaal EUR 17.439,91

4.26. De rechtbank begrijpt dat [eiser] de beslagkosten van [gedaagde] wil terugvorderen. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. Gelet op het feit dat het beslag mede is gelegd ten behoeve van andere crediteuren van [gedaagde], die eveneens procederen tegen [gedaagde] en in welke (vijf) andere procedures vergoeding van dezelfde proceskosten wordt gevorderd, zal de rechtbank [gedaagde] in deze procedure veroordelen tot het aandeel van [eiser] in deze kosten, te weten 1/6 deel van de kosten. De beslagkosten worden begroot op EUR 265,25 voor verschotten en EUR 452,00 voor salaris procureur (1 rekest x EUR 452,00). Het aandeel daarin van [gedaagde] bedraagt dus EUR 119,50.

4.27. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank gaat er vanuit dat enige betaling door Assurantiewacht uit hoofde van een proceskostenveroordeling, niet aan de orde zal zijn. De rechtbank begroot op basis van het toegewezen bedrag (hoofdsom plus rente) de proceskosten aan de zijde van [eiser] op:

- dagvaarding EUR 84,87

- vast recht 365,00

- salaris procureur 1.356,00 (3,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.805,87

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 13.950,00 (dertienduizend negenhonderdenvijftig euro) vermeerderd met de wettelijke rente over (i) EUR 15.000,00 vanaf 21 mei 2003 tot en met 2 juni 2004 en (ii) over EUR 13.950 vanaf 3 juni 2004 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 904,00,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.805,87 en in zijn aandeel in de beslagkosten ad EUR 119,54, totaal EUR 1.925,41,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde jegens [gedaagde] af.

5.6. verstaat dat de procedure tegen Assurantiewacht op de parkeerrol van 3 oktober 2007 wordt geplaatst.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. F. M.A. ‘t Hart en mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2007.