Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA8351

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
AWB 06/2241 en 06/2242
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres en haar echtgenoot exploiteren in de vorm van een vof een tandtechnisch laboratorium. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de tandtechnische werkzaamheden de hoofdactiviteit van de onderneming en worden deze vrijwel uitsluitend door de echtgenoot verricht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar verrichte werkzaamheden niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn. Voorts is sprake van een ongebruikelijk samenwerkingsverband. De uren van eiseres tellen daarom niet mee voor het urencriterium. Eiseres heeft geen recht op zelfstandigenaftrek. De stellingen van eiseres dat geen sprake is van een nieuw feit en dat door verweerder vertrouwen is gewekt worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/51.2.2
FutD 2007-1284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2241 en 06/2242

Uitspraakdatum: 31 mei 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [H.17]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.547 en daarbij een vergrijpboete opgelegd van € 422.

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [H.27]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.553 en daarbij een vergrijpboete opgelegd van € 396.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 februari 2006 de navorderingsaanslag voor het jaar 2001 verminderd met het bedrag van de vergrijpboete ad € 422 en bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2006 de navorderingsaanslag voor het jaar 2002 verminderd met het bedrag van de vergrijpboete ad € 396.

Eiseres heeft tegen beide genoemde uitspraken op bezwaar bij brief 24 maart 2006, ontvangen bij de rechtbank op 27 maart 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2007 te Arnhem.

Namens verweerder is verschenen [gemachtigde]. Eiseres is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 28 november 2006 aan gemachtigde [A], op het adres [a-straat 1] te [Q], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 9 januari 2007, ontvangen door de rechtbank op 11 januari 2007. De uitnodiging om op de zitting te verschijnen is derhalve op juiste wijze, tijdig op het juiste adres aangeboden.

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de rechtbank. De pleitnota bevat onder meer aantekeningen die verweerder heeft gemaakt van de hoorzitting op 24 januari 2006 die in het kader van de behandeling van de bezwaren heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat eiseres niet met deze aantekeningen bekend is. Nu eiseres, als gevolg van haar afwezigheid ter zitting, ook niet in de gelegenheid is geweest aldaar hiervan kennis te nemen en daarop te reageren, zou het in strijd zijn met een goede procesorde om deze aantekeningen tot de gedingstukken te rekenen. De pleitnota is daarom buiten beschouwing gelaten.

2. Feiten

Eiseres, geboren in 1951, is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [Y]. Sinds 1 juli 1991 drijven eiseres en [Y] een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: v.o.f.) onder de naam tandtechnische laboratorium [B]. Daarvoor werd deze onderneming gedreven door [Y] in de vorm van een eenmanszaak. In de overeenkomst van de v.o.f., opgemaakt op 1 juli 1991 (hierna: de v.o.f.-akte), is onder meer het volgende bepaald:

“De ondergetekenden:

1. [Y] (…) hierna te noemen partij sub 1 en

2. [X] (…) hierna te noemen partij sub 2 (…)

verklaren te zijn overeengekomen als volgt: (…)

Artikel 2

De vennootschap heeft ten doel voor gezamenlijke rekening een tandtechnische laboratorium uit te oefenen en al hetgeen in de ruimste zin genomen daarmee verband houdt.

(…)

Artikel 5

(...) Ieder der vennoten is bevoegd de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te binden echter met die bedoeling dat de medewerking van alle vennoten is vereist voor het verrichten van onder meer de navolgende beschikkingshandelingen:

- aankoopcontracten groter dan f 10.000,

- samenwerking met een inkoopkombinatie,

- aangaan van andere verplichtingen die een waarde hebben van meer dan f 10.000,

en voorts alle overige verrichtingen welke niet kunnen worden aangemerkt als behorend tot de normale dagelijks voorkomende bedrijfsuitoefening.

Artikel 6

De werkzaamheden van de vennootschap onder firma zullen door de vennoten in onderling overleg worden verdeeld. Hierbij zal zo mogelijk partij 1 zich met name richten op de technische produktie binnen het laboratorium, terwijl partij 2 zich hoofdzakelijk richt op het brengen en halen van opdrachten, kontakten met kliënten, administratie en dergelijke.

(…)

Artikel 9

De winst of het verlies zal door de vennoten worden genoten of gedragen in verhouding partij 1: partij 2 als 60%-40%.

Deze verhouding geldt uitsluitend als beiden voor een vrijwel gelijke tijd ten behoeve van de onderneming werkzaam zijn.

Indien er een sterk verschillende werkduur ten behoeve van de onderneming is zal tussen beide vennoten jaarlijks een betere winstverdeling worden afgesproken.”.

De v.o.f. heeft geen personeel in dienst.

Eiseres heeft van de door haar en [Y] verrichte werkzaamheden de volgende specificatie overgelegd:

werkzaamheden uren uren uren

[X] [Y] (totaal)

vervaardiging en reparaties

gebitsprotheses en frames 45 45

afdruk uitgieten 3 3

bepalen beleid onderneming/nemen investeringsbeslissingen 2 2 4

onderhoud commerciële contacten met tandartsen 5 3 8

inkoop en onderhandeling leveranciers 1 1 2

opstellen offertes 2 - 2

verzorgen administratie 2,5 - 2,5

facturering 5 - 5

planning werkzaamheden 5 - 5

halen/brengen protheses 10 - 10

Totaal 35,5 51 86,5

[Y] is tandtechnicus van beroep en beschikt over de daarvoor vereiste diploma’s.

De v.o.f. werkt hoofdzakelijk voor een vaste groep tandartsen.

In haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2001 heeft eiseres aangifte gedaan van een winst uit onderneming van € 9.430 na aftrek van € 5.238 ter zake van de zelfstandigenaftrek. De aanslag is overeenkomstig de aangifte opgelegd, rekening houdend met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.309. In haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2002 heeft eiseres aangifte gedaan van een winst uit onderneming van € 11.174 na aftrek van € 4.906 ter zake van de zelfstandigenaftrek. De aanslag is, overeenkomstig de aangifte opgelegd, rekening houdend met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.647.

Op 19 januari 2005 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij de v.o.f. Tijdens dit onderzoek zijn de aangiften IB/PVV over de jaren 2000 tot en met 2003 van eiseres en haar echtgenoot beoordeeld. Van dit onderzoek is op 21 maart 2005 door [C] een controlerapport uitgebracht. In dit rapport staat onder meer het volgende vermeld:

“2.2 Bedrijfsactiviteiten

De ondernemingsactiviteiten bestaan uit het vervaardigen en het herstellen van gebitsprotheses en frames.

De activiteiten vinden plaats vanuit een tot laboratorium verbouwde houten garage, gelegen naast de privé-

woning.

De taakverdeling binnen de vennootschap is als volgt:

[Y] neemt de vervaardiging van de protheses en frames en het herstel hiervan voor zijn rekening, terwijl [X] het ophalen en wegbrengen van deze zaken verzorgt. Zij rijdt hiertoe tweemaal per dag haar routes langs de verschillende opdrachtgevers. Daarnaast verzorgt [X] de (maand)facturering.

(...)

2.4 Administratie

[X] verzorgt de dagelijkse administratie. Zij bergt de in- en verkoopfacturen op in een ordner en doet dit tevens voor de (zakelijke) bankafschriften.

Eenmaal per jaar brengt men de administratie naar de adviseur welke deze geautomatiseerd verwerkt. De adviseur verzorgt vervolgens de aangiften inkomstenbelasting en stelt daarbij de jaarrekening samen.

(…)

4.3 Ondernemersaftrek

[Y] en [X] voeren de activiteiten uit in de vorm van een man/vrouwfirma. Beiden claimen in de controle-periode ondernemersaftrek c.q. zelfstandigenaftrek.

4.3.1 Zelfstandigenaftrek

Voor aanvang van het onderzoek is uitgebreid gesproken met beide vennoten inzake de bedrijfsvoering en de onderlinge taakverdeling. Tijdens dit gesprek kwam naar voren dat [Y] de hoofdwerkzaamheden binnen de onderneming verricht, namelijk de vervaardiging en reparatie van gebitsprotheses en frames. [X] maakt haar dagelijkse routes langs opdrachtgevers om de produkten af te halen dan wel af te leveren. Tevens doet zij een deel van de administratie, factureert maandelijks en handelt de telefonische gesprekken af.”.

Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft verweerder de voor de jaren 2001 en 2002 geclaimde zelfstandigenaftrek gecorrigeerd. Met inachtneming daarvan is de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.547 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.553. Gelijktijdig met het opleggen van deze navorderingsaanslagen zijn aan eiseres vergrijpboetes van 25% opgelegd, voor het jaar 2001 berekend op € 422 en voor het jaar 2002 op € 396. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de vergrijpboetes vernietigd. De navorderingsaanslagen zijn (overigens) gehandhaafd.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres voor de jaren 2001 en 2002 recht heeft op de zelfstandigenaftrek als bedoeld in artikel 3.76 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door eiseres gewerkte uren meetellen voor het urencriterium van artikel 3.6, eerste lid van de Wet, zoals eiseres bepleit, dan wel dat deze daarvan moeten worden uitgesloten op de voet van artikel 3.6, tweede lid van de Wet, zoals verweerder bepleit.

Voor het geval eiseres geen recht heeft op zelfstandigenaftrek, is voorts in geschil of het ontbreken van een nieuw feit dan wel het vertrouwensbeginsel aan navordering in de weg staat. Eiseres beantwoordt deze vragen bevestigend. Verweerder beantwoordt deze vragen ontkennend.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Zelfstandigenaftrek

Ingevolge artikel 3.76 eerste lid, van de Wet voor zover hier van belang geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, van de Wet wordt onder urencriterium verstaan: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, indien:

a. de tijd die in totaal wordt besteed aan die ondernemingen en het verrichten van werkzaamheden in de zin van de afdelingen 3.3 en 3.4, grotendeels wordt besteed aan die ondernemingen of

b. de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was.

Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet tellen voor het urencriterium niet mee werkzaamheden ten behoeve van een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet en die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer met hem verbonden personen, indien de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden ten behoeve van het samenwerkingsverband hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan.

Niet in geschil is dat eiseres en haar echtgenoot verbonden personen zijn als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van de Wet.

Op eiseres rust de last te bewijzen dat de door haar ten behoeve van de onderneming gewerkte uren niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en voorts dat geen sprake is van een ongebruikelijk samenwerkingsverband.

Aard en omvang van de werkzaamheden

Volgens eiseres is de hoofdwerkzaamheid van de v.o.f. het uitoefenen van een tandtechnisch laboratorium. Eiseres verwijst voor haar werkzaamheden naar het overzicht dat zij heeft overgelegd zoals opgenomen onder 2. Volgens eiseres kunnen alleen het verzorgen van de administratie, de facturering en het halen en brengen van de protheses als werkzaamheden van ondersteunende aard worden aangemerkt en zijn de overige daarin genoemde werkzaamheden van niet-ondersteunende aard. Volgens eiseres maken de niet-ondersteunende werkzaamheden 50,7% van het totaal van de door haar verrichte werkzaamheden uit en zijn de werkzaamheden dus niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn. Eiseres wijst er in dit verband op dat [Y] alleen over vakkennis en niet over commerciële vaardigheden beschikt. Volgens eiseres is het binnenhalen van opdrachten een essentieel onderdeel van haar werk en heeft zij een leidende rol in de onderneming. Volgens eiseres zijn de door haar verrichte werkzaamheden gelijkwaardig aan de werkzaamheden die door haar echtgenoot worden verricht en dragen haar werkzaamheden substantieel bij aan de omzet. Eiseres stelt voorts dat zij over de vaktechnische kennis die nodig is om offertes te maken beschikt.

Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat bij hoogtechnische beroepen als die van tandtechnicus de persoonlijke dienstverlening voorop staat. Volgens verweerder is het tandtechnische werk de enige hoofdwerkzaamheid en verricht eiseres feitelijk geen hoofdwerkzaamheid. Ter zitting heeft verweerder in aanvulling hierop verklaard dat het opstellen van facturen een gestandaardiseerde werkzaamheid is, dat het niet aannemelijk is dat eiseres 5 uur per week besteedt aan commerciële werkzaamheden en planning en dat het urenoverzicht van eiseres is opgemaakt 5 jaar na dato en dat hieraan mitsdien geen bewijskracht toekomt.

De rechtbank acht het volgende van belang. Ingevolge de parlementaire geschiedenis van artikel 3.6 van de Wet moet bij ondersteunende werkzaamheden worden gedacht aan werkzaamheden die niet als hoofdactiviteit van de onderneming kunnen worden aangemerkt (TK 2000-2001, 27 466. nr.6, p. 48). De hoofdactiviteit van de onderneming bestaat uit het verrichten van tandtechnische werkzaamheden. Met deze werkzaamheden wordt de omzet gegenereerd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen derhalve vervaardiging en reparaties van gebitsprotheses en frames als hoofdwerkzaamheid worden aangemerkt. Van de werkzaamheden die eiseres stelt te verrichten, behoort hiertoe alleen het maken van gipsafdrukken. De stelling van eiseres dat zij de leiding heeft van de onderneming en opdrachten binnenhaalt, wordt niet ondersteund door het urenoverzicht en is door eiseres niet feitelijk onderbouwd. Volgens het urenoverzicht worden het bepalen van het beleid, het nemen van investeringsbeslissingen, het onderhouden van contacten met klanten en de inkoop en onderhandeling van leveranciers door eiseres en haar echtgenoot gezamenlijk gedaan. Gezien de specialistische kennis die nodig is voor de uitoefening van deze onderneming is het niet vanzelfsprekend dat eiseres op inhoudelijke wijze kan meebeslissen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een inhoudelijke bijdrage levert bij het verrichten van deze en de andere door haar als niet-ondersteunend aangemerkte werkzaamheden. De enkele stelling dat zij over vaktechnische kennis beschikt, is daarvoor niet voldoende. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij deze werkzaamheden zelfstandig, dat wil zeggen zonder aanwijzingen van haar echtgenoot te ontvangen, uitvoert. Dat de door eiseres verrichte werkzaamheden van evident belang zijn voor de exploitatie van de onderneming doet niet af aan het ondersteunende karakter ervan. Uit het voorgaande volgt dat eiseres niet geslaagd is in het bewijs dat haar werkzaamheden niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn.

Gebruikelijkheid samenwerkingsverband

Eiseres heeft gesteld dat bij een bedrijf zoals dat in deze v.o.f. wordt gedreven, het niet ongebruikelijk is dat de ene vennoot zich bezighoudt met het productieproces en de andere vennoot verantwoordelijk is voor de commerciële kant. Volgens eiseres zou haar echtgenoot, als zij haar werkzaamheden niet meer zou kunnen verrichten, met een ander een samenwerkingsverband aangaan en zou een willekeurige derde van wie zou worden verwacht dat hij dezelfde werkzaamheden zou verrichten als welke zij verricht, geen genoegen nemen met de positie van werknemer. Volgens verweerder is er wel sprake van een ongebruikelijk samenwerkingsverband.

In de wetsgeschiedenis is over de aanwezigheid van een ongebruikelijk samenwerkingsverband onder meer het volgende opgemerkt:

“ Deze toets houdt in dat allereerst de werkzaamheden van de verbonden personen met elkaar worden vergeleken. De te vergelijken punten zullen afhankelijk zijn van de aard van de onderneming, maar gedacht kan worden aan beroepskwalificaties als vereiste om werkzaamheden te mogen verrichten en de verdeling van niet-ondersteunende werkzaamheden. Bij een groot verschil in werkzaamheden, wordt beoordeeld of het gelet op het verschil gebruikelijk is dat de belastingplichtige in een dergelijk samenwerkingsverband met niet-verbonden personen zou worden opgenomen.” (TK, 1998-1999, 26 727, nr.3, blz. 99)

Deze toelichting is opgenomen bij de tekst van artikel 3.6, tweede lid van de Wet, zoals dat aanvankelijk is voorgesteld en waarin, anders dan in de definitieve tekst, een groot verschil in werkzaamheden uitdrukkelijk als maatstaf voor de ongebruikelijkheid van de werkzaamheden, was opgenomen. De rechtbank acht deze passage niettemin nog steeds van belang nu uit de parlementaire behandeling blijkt dat met de latere wijzigingen van de tekst geen wijziging van de bedoeling daarvan is beoogd (TK, 2000-2001, 27 466, nr. 3, blz. 11 en TK, 2000-2001, 27 466, nr. 7, blz. 10).

In het geval van eiseres en haar echtgenoot is er een groot verschil in werkzaamheden. De hoofdactiviteiten worden vrijwel uitsluitend verricht door haar echtgenoot en de overige werkzaamheden worden door eiseres verricht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat, rekening houdend met het verschil in werkzaamheden, het gebruikelijk is dat zij in een dergelijk samenwerkingsverband met niet-verbonden personen zou worden opgenomen. Hetgeen zij in verband daarmee heeft gesteld, is daarvoor niet voldoende. Eiseres heeft deze stellingen niet met feiten onderbouwd. Derhalve moet worden aangenomen dat sprake is van een ongebruikelijk samenwerkingsverband.

Uit het voorgaande volgt dat de uren die eiseres heeft besteed aan werkzaamheden voor de onderneming niet meetellen voor het urencriterium. Eiseres kan voor de betrokken jaren mitsdien geen aanspraak maken op de zelfstandigenaftrek.

Nieuw feit

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor zover hier van belang, kan de inspecteur indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Ingevolge het bepaalde in de tweede volzin van dit artikellid kan een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, behoudens het geval dat de belastingplichtige ter zake van dat feit te kwader trouw is, geen grond opleveren voor navordering.

Eiseres heeft gesteld dat verweerder niet bevoegd is tot navordering omdat hij niet beschikt over een nieuw feit. Eiseres wijst er in dit verband op dat de voorwaarden waaronder de samenwerking tussen de echtgenoten plaatsvindt, waaronder de beperking van beider vertegenwoordingsbevoegdheid, uit de v.o.f.-akte blijken en dat gezien de inschrijving van de v.o.f. in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor de regio [R] (hierna: KvK) verweerder met deze voorwaarden bekend moet worden verondersteld. Eiseres stelt voorts dat verweerder in het kader van de aanslagregeling vragen had moeten stellen, omdat de wettelijke regeling inzake het urencriterium met ingang van 2001 is gewijzigd en als gevolg daarvan sindsdien voor het eerst nadere voorwaarden golden. Eiseres verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2001, 36 088, BNB 2001/260c*, de uitspraak van Hof Amsterdam van 26 juni 2001, 00/2963, LJN AB2395 en de uitspraak van Rechtbank ’s Gravenhage van 18 januari 2006, 05/2546, LJN AX 8456,

V-N 2006/41.2.2.

Verweerder heeft gesteld dat eerst bij het boekenonderzoek is gebleken dat niet aan het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet was voldaan en dat er dus wel sprake is van een nieuw feit.

In het door eiseres genoemde arrest HR 11 april 2001, 36 088, BNB 2001/260c* heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Wel is hij volgens dit arrest tot een nader onderzoek gehouden, als hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. Zo al met eiseres ervan zou moeten worden uitgegaan dat de v.o.f.-akte voldoende aanknopingspunten bevat om twijfel te doen rijzen aan de juistheid van de aangifte op het punt van de zelfstandigenaftrek in de aangiften voor de betrokken jaren, dan kan dit nog niet leiden tot de conclusie dat verweerder een nieuw feit ontbeert, nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder met de inhoud van de akte bekend was. De omstandigheid dat de vennootschap van eiseres in het handelsregister bij de KvK staat ingeschreven, is hiervoor niet voldoende.

De rechtbank verwerpt de opvatting van eiseres dat de wijziging van de wettelijke regeling inzake het urencriterium verweerder verplichtte een onderzoek in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de aangifte op het punt van de zelfstandigenaftrek. Een zo ver gaande onderzoeksplicht kan niet worden aanvaard, nu de wijziging van de wettelijke regeling daaromtrent niet meebrengt dat in alle gevallen waarin sprake is van een zogenoemde man-vrouw-firma voor één van beide partners geen recht meer bestaat op de zelfstandigenaftrek.

Vertrouwensbeginsel

Eiseres heeft voorts gesteld dat verweerder door het jarenlang volgen van de aangifte de indruk heeft gewekt dat sprake is van een bewuste standpuntbepaling. Eiseres verwijst hiervoor onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 13 december 1989, 25 077, BNB 1990/119*.

In genoemd arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor in rechte te beschermen vertrouwen meer vereist is dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag de aangifte op een bepaald punt heeft gevolgd en dat de gerechtvaardigdheid van het vertrouwen afhangt van de waardering van –voor zoveel nodig- in onderlinge samenhang te beoordelen omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Van in rechte te beschermen vertrouwen is geen sprake reeds omdat in het licht van de nieuwe wettelijke regeling van de zelfstandigenaftrek met ingang van

1 januari 2001 ten opzichte van de voorafgaande periode geen sprake is van dezelfde aangelegenheid.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 31 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E.C.G. Okhuizen , voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M.M. Bijker - Veen, rechters in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.