Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA8285

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
449636 CV expl. 3736/06
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurder en inwonende zoon en schoondochter doen verzoek tot bepaling medehuur ex art. 7:267 BW. Verhuurder gaat bij voortduring niet in op de inhoudelijke en feitelijke argumenten van verzoekers. Het verzoek wordt toegewezen. De kantonrechter acht aannemelijk dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De weigeringsgronden van lid 3 van art. 7:267 BW doen zich niet voor, althans de verhuurder heeft de aanwezigheid van die gronden niet of niet deugdelijk onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 449636 \ CV EXPL 06-3736 \ 282fh

uitspraak van 22 juni 2007

Vonnis

in de zaak van

1. [eiser 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

allen wonende te Nijmegen

gemachtigde mr. M.A. Wellen

eisende partijen

toevoeging nummer [nummer]

tegen

1.

de stichting Stichting Portaal

gevestigd en kantoorhoudende te Veenendaal

gemachtigde mr. R.J. Verweij

gedaagde partij

Partijen worden hierna aangeduid als ‘de vader’, ‘de zoon’, ‘de schoondochter’ (deze drie ook gezamenlijk als ‘[eisende partij]’) en ‘Portaal’.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding van 15 juni 2006;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met een productie.

1. De feiten

1.1. De vader heeft op 23 september 1987 samen met zijn echtgenote (de moeder) een huurovereenkomst met Portaal gesloten betreffende de woning aan de [adres] te Nijmegen (verder te noemen: de woning).

1.2. De zoon staat sinds 7 januari 1993 bij [naam] te [naam]st als woningzoekende ingeschreven.

1.3. In de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Nijmegen is ingeschreven dat de zoon sinds 16 juli 2003 en de schoondochter sinds 24 september 2003 mede de woning bewonen. Uit hun huwelijk is op 3 maart 2005 een kind geboren.

1.4. De moeder is overleden in april 2004.

1.5. De vader heeft in mei of juni 2004 schriftelijk aan Portaal verzocht de zoon en de schoondochter als medehuurder op de huurovereenkomst bij te schrijven.

1.6. Portaal heeft bij brief van 8 juli 2004 het aan haar gedane verzoek van de vader “om uw dochter en haar partner” op de huurovereenkomst bij te schrijven afgewezen.

1.7. Bij brief van 24 augustus 2004 heeft de stichting Het Inter-lokaal te Nijmegen (verder: Inter-lokaal) namens [eisende partij] verzocht de afwijzing van het verzoek te heroverwegen, daarbij uitdrukkelijk wijzend op de onjuistheid in de brief van Portaal van 8 juli 2004: [vader] woont samen met zijn zoon en diens vrouw.” Inter-lokaal motiveert het verzoek met een beschrijving van de slechte gezondheidstoestand van de vader en diens overige complicerende persoonlijke omstandigheden (weigeren hulp van buiten te aanvaarden en slecht Nederlands spreken, waardoor hij is aangewezen op de hulp van zijn zoon en schoondochter).

1.8. Portaal schrijft op 13 oktober 2004 aan de vader dat de woning niet op de naam van zijn zoon kan worden overgeschreven “omdat de kinderen normaal gesproken een woning niet kunnen overnemen van hun ouders. (…) Uitzondering op deze regel is dat de zoon zijn leven lang bij zijn ouders gewoond moet hebben en minimaal 35 jaar moet zijn.”

1.9. Portaal bevestigt bij brief van 7 december 2005 aan de vader dat opnieuw een verzoek is ontvangen “om de huurovereenkomst aan te passen en uw dochter en haar man bij te schrijven.” Portaal herinnert aan haar brief van 8 juli 2004 en schrijft dat er geen redenen zijn om nu een ander standpunt in te nemen.

1.10. De zoon doet bij brief van 23 december 2005 een gemotiveerd verzoek om toekenning van het medehuurderschap.

1.11. De raadsman van Portaal deelt bij brief van 12 januari 2006 namens Portaal aan de zoon mee dat het verzoek wordt afgewezen. De raadsman schrijft onder meer:

“In geval van samenwonende familieleden wordt slechts in zeer bijzondere omstandigheden aangenomen dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Aan de hand van de door cliënte aan mij overhandigde stukken en gelezen uw motivering om in aanmerking te komen voor het medehuurderschap, bericht ik u door deze dat u, gezien het vorenstaande, niet aan de wettelijke criteria voldoet.”

1.12. Het bureau Sociaal Raadslieden van de gemeente Nijmegen (verder: de gemeente) doet bij brief van 31 januari 2006 aan de raadsman van Portaal opnieuw een uitvoerig gemotiveerd verzoek (met onder meer verwijzing naar jurisprudentie over medehuurderschap) om heroverweging van de afwijzing.

1.13. De raadsman antwoordt bij brief van 21 februari 2006 aan de gemeente:

“Uw brief bevat onvoldoende aanknopingspunten over te gaan tot heroverweging van het verzoek van de [vader]. Ik veronderstel bij u bekend dat de rechtspraak ter zake casuïstisch van aard is. Dit blijkt reeds uit de door u aan mij toegezonden, overigens verouderde, jurisprudentie.

Het gegeven dat kinderen weer bij hun ouders gaan wonen op latere leeftijd staat in beginsel niet aan een vordering tot medehuurderschap in de weg. In een dergelijk geval dienen er voldoende concrete feiten en omstandigheden te worden aangevoerd waaruit een gemeenschappelijke huishouding kan worden afgeleid. Volgens vaste rechtspraak heeft het samenwonen van ouders met kinderen geen duurzaam karakter, bijzondere omstandigheden daargelaten. De stelplicht ter zake ligt bij u c.q. uw cliënt, [eiser 1]. Namens cliënte Portaal bericht ik u hierbij dat uw verzoek onvoldoende onderbouwing bevat van de gememoreerde bijzondere omstandigheden. Ik nodig u graag uit binnen veertien dagen na heden het verzoek van de [vader] nader te onderbouwen/motiveren zonodig onder overhandiging van bewijsstukken, waarna ik u het definitieve standpunt van Portaal zal meedelen.”

1.14. Bij brief van 9 maart 2006 deelt de gemeente aan de raadsman van Portaal mee dat nogmaals de bijzondere omstandigheden van [eisende partij] zijn geïnventariseerd en dat daaruit blijkt dat er wel degelijk sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Evenals in de vorige brief volgt een uitvoerige beschrijving van die omstandigheden en verwijzing naar - meer recente - rechtspraak.

1.15. Het aantal slaapkamers in de woning is vier.

2. De vordering en het verweer

2.1. [eisende partij] vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat de zoon en de schoondochter met ingang van de datum van het te wijzen vonnis, althans met ingang van een in goede justitie te bepalen andere datum medehuurder zullen zijn van de woning aan de [adres], en Portaal zal veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen een bedrag voor salaris gemachtigde.

2.2. De vordering is, tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, gegrond op de stelling dat de zoon en de schoondochter, die sinds juli respectievelijk september 2004 hun hoofdverblijf in de woning hebben, een duurzame huishouding voeren met de vader. Laatstgenoemde is ziek en blijvend hulpbehoevend, maar niet in de mate dat opname in een verpleeghuis binnen afzienbare tijd te verwachten is. Bij gebrek aan sociale vaardigheid en kennis van het Nederlands kan hij niet langer zelfstandig wonen. Portaal heeft zonder goede grond herhaalde verzoeken om als medehuurder te worden aangemerkt afgewezen.

2.3. Portaal voert verweer. Dit zal voor zover nodig hierna worden besproken.

3. De beoordeling

3.1. De vordering berust op het bepaalde in artikel 7:267 Burgerlijk wetboek (BW). In het derde lid van dat artikel zijn de toegelaten gronden voor afwijzing van een vordering als bedoeld in lid 1 limitatief opgesomd:

a. indien de persoon bedoeld in lid 1 niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;

b. indien, mede gelet op hetgeen is komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de persoon bedoeld in lid 1 op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;

c. indien de persoon bedoeld in lid 1 vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.

3.2. Dat de zoon en de schoondochter reeds meer dan twee jaar hun hoofdverblijf in de woning hebben gehad, is niet betwist. Portaal stelt zich echter op het standpunt dat de termijn van twee jaren niet beslissend is - en in het algemeen niet voldoende moet worden geacht - in het geval van kinderen die bij hun ouders terugkeren na zelfstandig te hebben gewoond. Zij meent dat van ten minste vijf jaar moet worden uitgegaan.

3.3. De kantonrechter acht evenwel niet de duur van de gezamenlijke huishouding voorafgaand aan het verzoek doorslaggevend - zeker niet in dit geval, waarin aan de onder a van artikel 7:267 lid 3 BW bepaalde termijn ruimschoots is voldaan - maar de gezamenlijkheid van de huishouding en de voor de toekomst beoogde duurzaamheid daarvan.

3.4. Het valt de kantonrechter op dat Portaal op elk verzoek van of namens [eisende partij], hoe uitvoerig gemotiveerd ook, volstaat met een enkele ongemotiveerde afwijzing of slechts kort reageert met de mededeling dat niet aan de wettelijke criteria voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding is voldaan. De verschillende brieven van Portaal en de omstandigheid dat daarbij de persoonlijke gegevens van [eisende partij] bij herhaling onjuist worden weergegeven, wijzen op een zekere onverschilligheid - om niet te zeggen: onwil - aan de zijde van Portaal om zich in de door en namens [eisende partij] aangevoerde gronden voor het verzoek te verdiepen, ook nog nadat eerst Inter-lokaal en vervolgens de gemeente in hun brief aan Portaal omstandig uiteenzetten waarom de afwijzing van het verzoek door Portaal in aanmerking komt voor heroverweging.

3.5. Ook in deze procedure gaat Portaal niet in op hetgeen van de kant van de zoon en de schoondochter is gesteld over de op de hulpbehoevendheid van de vader gegronde gezamenlijkheid van de huishouding en hun toekomstverwachting daaromtrent. Wat zij hierover aanvoert houdt zakelijk niet meer in dan een enkele ontkenning van die stellingen. Voor het overige volstaat Portaal met het betoog dat haar belang bij afwijzing van de vordering van [eisende partij] gelegen is in haar beleid, dat gericht is op een redelijke en doelmatige verdeling van woonruimte. Zij kan en wil daarom niet accepteren dat haar huurders gaan uitmaken aan wie woningen worden verhuurd, waardoor haar woningdistributiebeleid wordt doorkruist.

3.6. Dit is op zichzelf een gerechtvaardigd belang, maar het wordt beperkt door het bepaalde in artikel 7:267 BW. Portaal geeft niet aan waarom medehuur van de woning door de zoon en de schoondochter met dit beleid onverenigbaar zou zijn. Gegeven de ondersteuning van het verzoek van [eisende partij] door Inter-lokaal en de gemeente is het verweer dan ook onvoldoende gemotiveerd.

3.7. Ook de stelling van [eisende partij] dat de zoon en de schoondochter voldoende financieel draagkrachtig zijn om aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst te kunnen voldoen, is eveneens in het licht van hetgeen Inter-lokaal en de gemeente aan Portaal hebben geschreven - door haar onvoldoende gemotiveerd bestreden. Het door de zoon en de schoondochter gestelde over de duur van hun inschrijving als woningzoekende is door Portaal betwist, maar die betwisting is onvoldoende inzichtelijk om tot afwijzing van de vordering te kunnen komen.

3.8. Ten slotte heeft Portaal haar verweer dat de woning niet geschikt is voor bewoning door meer dan één of twee personen onvoldoende geconcretiseerd, in aanmerking genomen dat [naam] [eisende partij] een plattegrond heeft overgelegd waaruit blijkt dat er vier slaapkamers zijn.

3.9. Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat de afwijzingsgronden van artikel 7:267 lid 3 BW zich niet voordoen en daarmee tot toewijzing van de vordering. Portaal zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden begroot op € 71,32 voor het exploot van dagvaarding, € 105,- voor vastrecht en twee punten à € 200,- voor salaris gemachtigde. Aangezien [eisende partij] met een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand procederen, zullen de kosten moeten worden betaald op de wijze als hierna zal worden vermeld.

3.10. De aard van de beslissing brengt mee dat het vonnis niet vatbaar is voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad, behoudens de veroordeling in de proceskosten.

4. De beslissing

De kantonrechter

- bepaalt dat de zoon en de schoondochter met ingang van de datum van dit vonnis medehuurder zijn van de woning aan de [adres];

- veroordeelt Portaal in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij] begroot op € 576,32 in totaal, welk bedrag bestaat uit de in rechtsoverweging 3.9 genoemde delen;

- bepaalt dat Portaal van het totaalbedrag aan proceskosten het door [eisende partij] zelf betaalde deel van het vastrecht van € 26,25 moet betalen aan (de gemachtigde van) [eisende partij] en het restantbedrag van € 550,07 aan de griffier van deze rechtbank, waarvoor een acceptgirokaart wordt toegestuurd;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.I.M.W. Bartelds en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2007.