Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA6830

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
154227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Waardevermindering aandelen.

In beginsel heeft alleen de vennootschap zelf het recht om uit dien hoofde schadevergoeding te vorderen. De rechtbank oordeelt hiermee overeenkomstig het bepaalde in het standaardarrest van de Hoge Raad ABP/Poot (HR 2 december 1994). Slechts wanneer een specifieke zorgvuldigheidsnorm zou zijn geschonden, zou dit mogelijk anders kunnen zijn.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 9
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 705
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2007, 521
JIN 2007/360
JIN 2007/397
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 154227 / KG ZA 07-209

Vonnis in kort geding van 3 mei 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat en procureur mr. M.F.G. Mulders te Zaltbommel,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

advocaat en procureur mr. K.T.W.H. van den Dungen te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en [verweerster] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de concept dagvaarding en de vrijwillige verschijning van partijen

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [verweerster].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] en [verweerster] hebben een relatie gehad, die in oktober 2005 is beëindigd. Zij zijn beiden zelfstandig bevoegd bestuurder en voor 50% aandeelhouder van Pondac Products B.V. (hierna: Pondac).

2.2. Direct na het beëindigen van de relatie heeft [verweerster] beslagverlof gevraagd aan de voorzieningenrechter en verkregen voor € 360.000,--. Vervolgens heeft zij beslag laten leggen op vermogensbestanddelen van [eiser], te weten op zijn giro- en bankrekeningen, zijn spitsgatkotter en zijn woning. [verweerster] heeft [eiser] vervolgens op 26 oktober 2005 gedagvaard voor de rechtbank Arnhem. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 136438/ HA ZA 06-145. Tevens heeft zij Pondac gedagvaard, maar nadat het verzoek om voeging van beide zaken door de rechtbank is afgewezen, staat deze zaak op verzoek van [verweerster] op de parkeerrol. Wel is op haar verzoek door de Ondernemingskamer een onderzoek ingesteld naar het door [eiser] gevoerde beleid ten aanzien van hun gezamenlijke onderneming Pondac.

2.3. In de procedure 136438/ HA ZA 06-145 vordert [verweerster]:

a. betaling van € 30.000,-- ter zake door [verweerster] aan [eiser] geleende gelden;

b. de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dagvaarding;

c. te verklaren voor recht dat [eiser] onrechtmatig jegens [verweerster] heeft gehandeld en dat de schade die daaruit is voortgekomen nader dient te worden opgesteld bij staat;

d. [eiser] te veroordelen om zorg te dragen voor her-inschrijving van [verweerster] als bestuurder van Pondac in het handelsregister;

e. [eiser] te veroordelen om de Spitsgatkotter en alle daarop betrekking hebbende zaken te leveren en ter beschikking te stellen aan [verweerster], zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag;

f. te bepalen dat de conservatoire beslagen in stand blijven totdat in de schadestaatprocedure de omvang van de schade van [verweerster] is vastgesteld;

g. [eiser] te veroordelen in de kosten van het geding en de beslagen.

2.4. De rechtbank heeft in deze procedure op 7 maart 2007 tussenvonnis gewezen.

Uit de overwegingen vloeit voort dat rechtbank dat de vorderingen van [verweerster] onder sub c tot en met f zal afwijzen. De beslissingen dienaangaande heeft de rechtbank echter aangehouden. De rechtbank heeft in het tussenvonnis het volgende beslist:

5.2. draagt [verweerster] op te bewijzen dat zij met [eiser] is overeengekomen dat hij persoonlijk de aan respectievelijk ten behoeve van hem betaalde bedragen van € 10.000,-- en € 20.000,-- aan haar zou terugbetalen,

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 maart 2007 voor uitlating door [verweerster] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel.

2.5. [eiser] heeft naar aanleiding van de overwegingen in het tussenvonnis [verweerster] bij brief van 16 maart 2007 verzocht de beslagen op te heffen. [verweerster] heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven.

2.6. [eiser] heeft zijn woning - waarop beslag ligt - op 24 maart 2007 verkocht. De levering is bepaald op 25 mei 2007 of zoveel eerder of later als partijen samen nader overeenkomen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - de opheffing van de gelegde beslagen, althans hij verzoekt de voorzieningenrechter een zodanige voorziening te treffen als hem in goede justitie zal vermenen te behoren. Ter zitting heeft [eiser] gesteld dat onder zodanige voorziening in ieder geval zou moeten worden verstaan:

- dat bij toewijzing van de opheffing van de beslagen tevens wordt bepaald dat de opgeheven beslagen opgeheven zullen blijven;

- de toewijzing van een dwangsom.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de gelegde beslagen vexatoir zijn. Hij verwijst daarvoor onder meer naar het overwogene in het tussenvonnis van de rechtbank van 7 maart 2007. Voorts stelt hij dat [verweerster] niet is geslaagd in de bewijsvoering ten aanzien van de door haar gepretendeerde lening aan [eiser] van € 30.000,--, zodat ook ten aanzien van dit bedrag het beslag moet worden opgeheven. [eiser] stelt een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen te hebben vanwege de verkoop van zijn woning, het noodzakelijke onderhoud van de Spitsgatkotter en zijn gebrek aan financiele middelen.

3.3. [verweerster] voert verweer. Zij betwist gemotiveerd het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vordering.

Voorts stelt zij dat de vordering van [eiser] prematuur is, nu er in de bodemprocedure nog niet definitief is beslist. Zij verwijst daarvoor naar een arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2006. Ook stelt zij dat de rechtbank in het tussenvonnis van feitelijke onjuistheden is uitgegaan, zodat [eiser] zich niet op dat vonnis kan beroepen. Zij stelt voorts wel in de bewijsvoering ten aanzien van de lening van haar aan [eiser] van € 30.000,-- te zijn geslaagd. Volgens [verweerster] onderbouwt [eiser] ook geenszins waarom zijn belang bij opheffing van de beslagen zwaarder zou moeten wegen dan haar belang bij het laten voortduren daarvan.

Zij blijft zich op het standpunt stellen dat [eiser] persoonlijk aansprakelijk is voor de door haar aan Pondac verstrekte bedragen, waarvoor zij onder meer wijst op een arrest van het Hof Leeuwarden van 22 maart 2006. Zij handhaaft daarom het totaalbedrag waarvoor beslag werd gevraagd, welk beslag in haar visie uiteindelijk slechts voor slechts € 84.000,-- doel heeft getroffen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Hoewel [eiser] het spoedeisend belang ten aanzien van het opheffen van het beslag op zijn woning zelf in het leven heeft geroepen, zoals [verweerster] stelt, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [eiser] daarnaast voldoende gemotiveerd gesteld heeft dat door alle beslagleggingen door [verweerster] zijn financiële positie ernstig verslechterd is. Alles meewegende is de voorzieningenrechter daarom vooralsnog van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt een spoedeisend belang te hebben bij de opheffing van de beslagen.

4.2. Voorop wordt gesteld dat ingevolge het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv. het beslag onder meer dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert – met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure – aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter zal hebben te beslissen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen.

4.3. Vast staat dat in de bodemprocedure nog niet definitief is beslist en er dus nog geen onherroepelijke uitspraak is. Echter, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ontneemt dit niet het recht aan [eiser] met een beroep op het in dat tussenvonnis overwogene, aangevuld met zijn eigen standpunten, aannemelijk te maken dat de door [verweerster] gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Het arrest van de HR van 30 juni 2006, noch het door [verweerster] reeds bij voorbaat aangekondigde hoger beroep, noch het lopende onderzoek door de Ondernemingskamer, staat hieraan in de weg.

4.4. Dat niet van het bepaalde in het tussenvonnis uitgegaan zou kunnen worden omdat dat vonnis een kennelijke misslag bevat, zoals [verweerster] stelt, volgt de voorzieningenrechter vooralsnog niet. [verweerster] beroept zich voor haar standpunt op wat onder 4.11. van het tussenvonnis is overwogen. Dit betreft echter een inhoudelijke beoordeling van de rechtbank, waarvan de juistheid in hoger beroep zal kunnen worden bestreden. Er blijkt echter niet zonder meer dat sprake is van een kennelijke misslag. De voorzieningenrechter gaat daarom vooralsnog uit van deze beoordeling.

4.5. [verweerster] voert als meest ver strekkende verweer dat [eiser] aansprakelijk gehouden kan worden voor zijn handelen als aandeelhouder/bestuurder van Pondac. Op grond daarvan zou zij een vordering op [eiser] hebben. De rechtbank heeft daarover in haar tussenvonnis van 7 maart 2007 overwogen dat, voor zover [verweerster] in haar hoedanigheid van aandeelhouder [eiser] in zijn hoedanigheid van bestuurder van Pondac wegens ongerechtvaardigde onttrekkingen en onregelmatigheden in de administratie aansprakelijk stelt voor eventuele waardevermindering van haar aandelen, haar vordering dient te worden afgewezen. In beginsel heeft alleen de vennootschap zelf het recht om uit dien hoofde schadevergoeding te vorderen. De rechtbank oordeelt hiermee overeenkomstig het bepaalde in het standaardarrest van de Hoge Raad ABP/Poot ( HR 2 december 1994). Slechts wanneer een specifieke zorgvuldigheidsnorm zou zijn geschonden, zou dit mogelijk anders kunnen zijn.

Voorshands geoordeeld heeft [verweerster] onvoldoende onderbouwd waarom afgeweken zou moeten worden van het oordeel van de rechtbank en het arrest ABP/Poot. De verwijzing naar het arrest van het Hof Leeuwarden van 22 maart 2006 door [verweerster], gaat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op, nu anders dan in dit arrest de door [verweerster] gestelde aansprakelijkheid van [eiser] een bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van artikel 2:9 BW is. Dit artikel is echter niet van overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen bestuurder en een ander orgaan van de rechtspersoon c.q. individuele aandeelhouder, zoals waarvan in onderhavige casus sprake is. Anders dan in bedoeld arrest is hier geen sprake van een onbevoegd handelen waardoor een aandeelhouder direct wordt benadeeld.

4.6. Met een gemotiveerde verwijzing naar het tussenvonnis van de rechtbank heeft [eiser] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering van [verweerster] aannemelijk gemaakt, behoudens het navolgende.

4.7. In het tussenvonnis heeft de rechtbank [verweerster] een bewijsopdracht gegeven ten aanzien van de vermeende geldlening aan [eiser] ten bedrage van € 30.000,--.

Of [verweerster] al dan niet is geslaagd in deze bewijsvoering is niet ter beoordeling aan de voorzieningenrechter maar aan de bodemrechter. Nu het gaat om een bedrag van € 30.000,-- en rekening gehouden moet worden met eventuele bijkomende kosten van circa € 10.000,-- , heeft [eiser] in deze procedure niet summierlijk aannemelijk gemaakt dat de vordering van [verweerster] op hem van € 40.000,-- ondeugdelijk zou zijn.

4.8. Voorshands geoordeeld leidt het bovenstaande tot de conclusie dat de door [verweerster] gelegde beslagen, behoudens die ter zekerheid van haar vermeende vordering op [eiser] van € 40.000,-- moeten worden opgeheven. Een belangenafweging maakt dit niet anders. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het belang van [eiser] bij opheffing van de beslagen – mede gelet op de verkoop van zijn woning en zijn gestelde financiële positie – zwaarder weegt dan het belang van [verweerster] bij handhaving daarvan, behoudens ten aanzien van het beslag dat kan dienen als zekerheid voor de vermeende vordering van [verweerster] op [eiser] van € 40.000,--.

4.9. De voorzieningenrechter zal gelet op het bovenstaande het beslag opheffen tot een bedrag van € 40.000,--. Het staat [verweerster] daarbij vrij aan te geven welke beslagobjecten zij prijs geeft. Met een verwijzing naar artikel 705, lid 2 Rv zal de voorzieningenrechter bevelen dat [verweerster] het door haar op de woning van [eiser] gelegde beslag zal moeten opheffen, indien [eiser] voor de betaling van € 40.000,-- voldoende vervangende zekerheid zal stellen. Aan dit laatste zal een dwangsom worden verbonden op een wijze als hierna bepaald.

4.10. Het opleggen van het door [eiser] gevorderde verbod om ter zake van dezelfde vermeende vorderingen opnieuw beslag(en) ten laste van hem te leggen, is niet toewijsbaar. Het moet immers niet uitgesloten worden geacht dat in hoger beroep de vordering toch toewijsbaar zal blijken.

4.11. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en onderhavig geschil vloeit daaruit nog voort, zodat er aanleiding bestaat de proceskosten te compenseren.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. heft de door [verweerster] op 12 oktober 2005, 17 oktober 2005, 12 december 2005, 21 juni 2006 en 12 september 2006 gelegde beslagen op voor zover deze een bedrag van € 40.000,-- overstijgen,

5.2. beveelt [verweerster], overeenkomstig het bepaalde in artikel 705, lid 2 Rv, het beslag op de woning van [eiser] op te heffen indien [eiser] daar op andere wijze voldoende zekerheid tegenover stelt, bij gebreke waarvan [verweerster], na betekening van dit vonnis, een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- per dag met een maximum van € 40.000,--,

5.3. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A. van Gemert op 3 mei 2007.

.