Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA6825

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
141233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 141233 / HA ZA 06-929

Vonnis van 30 mei 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMALIA INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Beuningen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. H.C.J. Oomen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PATIENT COMPLIANCE B.V.,

gevestigd te Groesbeek,

2. [gedaagde],

wonende te Nijmegen,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. J.W.J. Hopmans.

Partijen zullen hierna Amalia en PC c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 januari 2007

- de akte uitlating bewijsmogelijkheden in conventie in reconventie van PC en Nillesen

- de akte uitlating na comparitie van Amalia

- de akte uitlating van PC c.s.

- de akte uitlating van Amalia.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in reconventie

2.1. In het tussenvonnis is partijen om een nadere toelichting gevraagd op vier punten. Er moet vanuit gegaan worden dat het debat tussen partijen in deze procedure thans tot deze vier onderwerpen beperkt is.

2.2. De eerste vraag die de rechtbank heeft gesteld, is welke met het opnieuw opstellen van een begroting verband houdende werkzaamheden door BES Groep in rekening zijn gebracht bij haar facturen van 2004 (2 november en 21 december) (tussenvonnis 4.12, ad 3 – begroting onjuist en geen financiers).

2.3. Het door PC c.s. overgelegde overzicht van de facturen van 2004 waarop de kosten die verband zouden hebben gehouden met het opstellen van een nieuwe begroting, zijn aangevinkt en de door haar overgelegde brief en memo dwingen, anders dan PC c.s. stelt, niet tot de conclusie dat de bedoelde kosten € 7.193,31 hebben belopen. Uit het overzicht blijkt onder meer dat kennelijk de financieringskwestie en de afspraken met de brouwerij, onderwerpen die niet meer in het debat betrokken zijn, bij de aangevinkte posten een rol gespeeld hebben. Voorts is niet duidelijk wat werk aan de begroting zonder meer en wat herstel van fouten betrof. Ook de enkele malen terugkerende post ‘aanpassing prognose’ – de enige post waarvan de omschrijving duidt op een verandering ten aanzien van een vorige situatie – behoeft niet op herstel van fouten in de begroting te duiden, omdat het bijstellen van prognoses immers in het algemeen niet ongebruikelijk is.

2.4. Gelet op het voorgaande kan de reconventionele vordering op dit onderdeel niet worden toegewezen.

2.5. De rechtbank zal de derde vraag die het tussenvonnis stelt, vóór de tweede behandelen. Deze vraag is welke schade PC c.s. heeft geleden door het maken van extra portokosten (4.17, ad 7 – extra porto kosten).

2.6. Er zouden, zo stelt PC c.s., aan negentien personen brochures worden toegezonden. Ter adstructie hiervan legt zij een lijst over met achttien namen van personen, enkele adressen en – als nummer 15 – ‘aandeelhouders’ waar met de hand bij geschreven staat ‘aandeelhouders die toegezegd hebben en derhalve een prospectus krijgen.’

Tevens legt zij zonder toelichting een lijst over met negen namen van ‘aspirant aandeelhouders.’

Daarnaast zou Amalia op eigen initiatief ook aan anderen een brochure hebben gezonden. Ter onderbouwing van deze stelling legt PC c.s. een lijst over met honderdzeven namen van personen en bedrijven, waaronder kennelijk ook personen die op (een van) de andere lijsten voorkomen, waar met de hand op geschreven staat ‘krijgen geen prospectus toegezonden.’. Uit deze lijsten blijkt niet aan wie Amalia brochures heeft verstuurd. Het is zelfs zo dat als Amalia de lijsten zoals overgelegd heeft ontvangen, het zonder nadere toelichting niet aannemelijk is dat zij de personen en bedrijven op de lijst waar ‘krijgen geen prospectus toegezonden’ op staat, heeft benaderd. PC c.s. stelt niets waaruit anders blijkt.

2.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft PC c.s. onvoldoende gesteld om, mits het gestelde bewezen is, tot de conclusie te kunnen leiden dat Amalia aan meer of andere dan de door PC c.s. opgegeven adressen brochures heeft gezonden.

2.8. De tweede vraag die de rechtbank in het tussenvonnis heeft gesteld (4.14, ad 4- prospectus) is welke verwijten Amalia worden gemaakt in verband met de aan de beoogde uitgifte van aandelen gestelde eisen. De rechtbank wilde daarbij vernemen aan wie de brochure is toegezonden, hoe de selectie van de geadresseerden tot stand gekomen is, in welke oplage de brochure is verspreid en wat aanvankelijk de afspraken waren met betrekking tot de (beperktere) verspreiding. PC c.s. kan daarbij tevens toelichten welke schade zij als gevolg van door haar gestelde tekortkomingen heeft geleden.

2.9. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat PC c.s. onvoldoende duidelijk heeft gemaakt aan wie de brochure is toegezonden, hoe de selectie van de geadresseerden tot stand gekomen is, in welke oplage de brochure is verspreid en wat de afspraken waren met betrekking tot de verspreiding. Amalia volstaat er wat dit betreft mee te stellen dat zij heeft gedaan wat PC c.s. haar vroeg te doen en dat zij volgens de voor haar geldende wettelijke voorschriften heeft gehandeld, een stelling die als verweer op dit punt voldoende is. De conclusie is dat niet duidelijk is geworden aan wie de brochure is toegezonden, hoe de selectie van de geadresseerden tot stand gekomen is en in welke oplage de brochure is verspreid.

2.10. Bij eis in reconventie heeft PC c.s. gesteld dat er sprake is van een publieke uitgifte van aandelen waarbij iedere gegadigde één of meer aandelen kan verwerven zodat er geen sprake is van uitgifte in een besloten kring. Hierin is op zichzelf echter niet te lezen waarom PC c.s. van mening is dat Amalia niet heeft voldaan aan de verplichtingen die bij de uitgifte van aandelen voor een prospectus gelden. Dat ieder van de voor de uitgifte benaderde personen aandelen kan verwerven, betekent immers nog niet dat er sprake is van een publieke uitgifte op een zodanige schaal dat er geen vrijstelling van de prospectusplicht geldt. De Wte 1995 was gebaseerd op de Prospectusrichtlijn die voorzag in een vrijstelling als bedoeld in art. 3 lid 1 Wte 1995 voor het aanbieden van effecten aan het publiek aan niet meer dan 100 personen niet zijnde professionele marktpartijen (art. 1c Vrijstellingsregeling Wte 1995 zoals laatstelijk gewijzigd 15 mei 2006 Stcrt 98). De stellingen van PC c.s. leiden, gelet op de omstandigheden van het geval, waar het in beginsel ging om de uitgifte van aandelen binnen een vriendenkring, niet tot de conclusie dat er sprake is geweest van een openbare uitgifte waarbij niet de hier bedoelde vrijstelling gold. Onder verwijzing naar 2.9 hierboven overweegt de rechtbank dat onvoldoende is gesteld om te kunnen concluderen dat de brochures naar meer dan honderd personen zijn verstuurd. De rechtbank acht Amalia’s stelling dat er sprake is geweest van een voorgenomen uitgifte in besloten kring daarmee onvoldoende weerlegd.

2.11. Ook op dit onderdeel zal dus geen toewijzing van de reconventionele vordering volgen.

2.12. De vierde en laatste vraag was hoe PC c.s. denkt te kunnen bewijzen dat overeengekomen is dat de opening € 2000,00 zou kosten (4.18, ad 8 – kosten opening).

2.13. De toelichting die PC c.s. op dit onderdeel geeft houdt in dat zij te bewijzen aanbiedt dat was afgesproken dat de opening € 2.000,00 zou kosten, zoals ook van tevoren door Amalia was opgegeven. Het aanbod te bewijzen dat dit is overeengekomen stelt de rechtbank niet gelijk met een aanbod concrete feiten en omstandigheden te bewijzen die, mits bewezen, tot de conclusie dwingen dat Amalia zich verbonden had om de openingskosten tot € 2.000,00 te beperken. Dit geldt te sterker waar juist in het tussenvonnis is overwogen dat een rekenmodel en brochure de kosten op € 4.000,00 stelden. Omdat het bewijsaanbod niet voldoende onderbouwd is, passeert de rechtbank het.

2.14. De slotsom uit het tussenvonnis en het voorgaande is dat de reconventionele vordering moet worden afgewezen.

2.15. PC c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Amalia worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 723,75 (2,5 punten × factor 0,5 × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 723,75

in conventie

2.16. Gelet op hetgeen in reconventie is overwogen en op de overwegingen 4.6 en 4.7 van het vonnis van 10 januari 2007, is in conventie de conclusie dat de vordering toegewezen moet worden.

2.17. PC c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Amalia worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,32

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 296,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1152,00 (3,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.519,32

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. veroordeelt PC c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Amalia te betalen een bedrag van EUR 9.182,95 (negenduizendéénhonderdtweeëntachtig euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 25 november 2004 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt PC c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Amalia tot op heden begroot op EUR 1.519,32,

3.3. verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.4. wijst de vorderingen af,

3.5. veroordeelt PC c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Amalia tot op heden begroot op EUR 723,75.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2007.