Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA6815

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
151914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zelfs indien opschorting in beginsel gerechtvaardigd is, hetzij op grond van artikel 6:52 BW hetzij op grond van artikel 3:290 BW, kan het nog zijn dat de uitoefening ervan in bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is van oordeel dat voor de afweging van deze redelijkheids- en billijkheidstoets (meer) inlichtingen van partijen nodig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151914 / HA ZA 07-223

Vonnis in incident van 30 mei 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ADMINISTRATIE- & BELASTINGADVIESBURO [eiseres] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Haaften, gemeente Neerijnen,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. D.P. Mommael te 's-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde],

wonende en zaakdoende te Geldermalsen,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiser in reconventie in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

procureur mr. F.P. Lomans,

advocaat mr. A.D.J. van Ruyven te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akte “bewijs aandracht” van eiseres in conventie;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een provisionele voorziening;

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vaststaande feiten

2.1. [eiseres] heeft als administratie en belastingadviesbureau vanaf 1999 in opdracht en voor rekening van de huidige onderneming van [gedaagde], een handel in auto’s, administratieve werkzaamheden verricht.

2.2. In 2005 is door de belastingdienst een boekenonderzoek verricht in de, zich bij [eiseres] bevindende, administratie van [gedaagde] over de jaren 2000 tot en met 2003. Het rapport van dat onderzoek, gedateerd 26 mei 2005, bevindt zich bij de stukken. Naar het oordeel van de belastingdienst voldeed de administratie van [gedaagde] over eerder genoemde jaren, wegens volledig ontbreken van een kasadministratie, niet aan de wettelijke eisen zodat de belastingdienst de administratie heeft verworpen. Door de belastingdienst zijn, als gevolg hiervan, navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Tegen deze aanslagen is door [gedaagde] bezwaar aangetekend.

2.3. [gedaagde] heeft naar aanleiding van (de resultaten van) het boekenonderzoek door de belastingdienst besloten een nieuw boekhoudkantoor in de arm te nemen, te weten MFL Accountants en Fiscalisten. MFL Accountants en Fiscalisten heeft [eiseres], bij brief van 18 april 2006 en bij fax van 11 december 2006 verzocht om, onder andere met het oog op de bezwaarprocedures van [gedaagde] tegen de belastingdienst, delen van de in haar bezit zijnde en op [gedaagde] betrekking hebbende administratie aan haar af te geven. [eiseres] heeft niet aan deze verzoeken voldaan.

2.4. In 2006 zijn door [eiseres] drie facturen verzonden aan [gedaagde] met betrekking tot door [eiseres] ten behoeve van [gedaagde] verrichte werkzaamheden over de jaren 2004, 2005 en 2006. [gedaagde] heeft deze facturen niet betaald.

3. De vorderingen in de hoofdzaak en in het incident

3.1. In de hoofdzaak vordert [eiseres] - samengevat - [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van de facturen van in totaal EUR 6.344,55, vermeerderd met de de wettelijke handelsrente, de buitengerechtelijke kosten en de kosten van de procedure.

3.2. [gedaagde] heeft in de hoofdzaak verweer gevoerd. Hij stelt dat sprake is van wanprestatie aan de zijde van [eiseres] als gevolg waarvan hij schade heeft geleden.

In conventie vordert hij - samengevat - niet ontvankelijk verklaring van [eiseres] danwel integrale afwijzing van de vorderingen van [eiseres] met veroordeling van de [eiseres] in de kosten van de procedure.

In reconventie (bodem) vordert hij - samengevat - een verklaring voor recht dat [eiseres] jegens hem wanprestatie heeft gepleegd en veroordeling van [eiseres] tot vergoeding van de door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van de [eiseres] in de kosten van de procedure.

3.3. Voor alle weren heeft [gedaagde] de afgifte van de bij [eiseres] in het bezit zijnde administratie gevorderd bijwege van een provisionele vordering. [eiseres] heeft daartegen verweer gevoerd.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak

4.1. [gedaagde] vordert in het incident dat [eiseres] wordt veroordeeld om, op straffe van een dwangsom, (een deel van de) in haar bezit zijnde administratie af te geven aan [gedaagde].

4.2. [eiseres] heeft zich verweerd tegen de door [gedaagde] gevorderde afgifte van de administratie en daarbij gesteld dat zij een opeisbare vordering op [gedaagde] heeft als gevolg waarvan zij haar verplichting om (een deel van) haar administratie af te geven aan [gedaagde] kan opschorten tot het moment waarop [gedaagde] de vordering heeft voldaan. [eiseres] beroept zich hiertoe op het, naar haar oordeel aan haar toekomende, retentierecht.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank spits de beoordeling in het incident zich toe op de vraag of [eiseres] zich jegens [gedaagde] op het retentierecht kan beroepen en zo de afgifte van (een deel van) de administratie kan opschorten.

4.4. Vooralsnog moet, gelet op de door [eiseres] in het geding gebrachte stukken, worden aangenomen dat [eiseres] een opeisbare vordering heeft op [gedaagde]. Op grond van artikel 6:52 BW kan zij derhalve, in beginsel, bevoegd zijn de nakoming van haar verbintenis met [gedaagde] strekkende tot teruggave of afgifte van de administratie op te schorten totdat voldoening van de vordering door [gedaagde] plaatsvindt. Voorts komt haar, gelet op artikel 3:290 BW, dan in beginsel ook het recht op retentie van de administratie toe, totdat [gedaagde] aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

4.5. Hiertegenover staat echter de stelling van [gedaagde] dat hij een spoedeisend belang heeft bij afgifte van (een deel van) de administratie. Hij stelt de administratie nodig te hebben met het oog op de bezwaarprocedures tegen de navorderingen van de belastingdienst.

4.6. Zelfs indien opschorting in beginsel gerechtvaardigd is, hetzij op grond van artikel 6:52 BW hetzij op grond van artikel 3:290 BW, kan het nog zijn dat de uitoefening ervan in bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is van oordeel dat voor de afweging van deze redelijkheids- en billijkheidstoets (meer) inlichtingen van partijen nodig zijn.

4.7. De rechtbank zal daarom zowel in het incident als in de hoofdzaak een comparitie van partijen bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van doorverwijzing naar een mediator aan de orde komen.

4.8. Verweerster in reconventie heeft de gelegenheid de conclusie van antwoord in reconventie ter comparitie te nemen. Verweerster in reconventie moet de conclusie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie toezenden. Na de comparitie kan deze conclusie niet meer genomen worden.

4.9. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.10. De partijen wordt verzocht de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.

4.11. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen.

4.12. Ter zitting kan aan de orde komen of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, welke vragen beantwoord moeten worden en wie partijen als deskundige benoemd willen zien.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident en in de hoofdzaak

5.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. R.J.B. Boonekamp in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 juni 2007 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de donderdagen in de maanden juli tot en met september 2007, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

5.3. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

5.4. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.5. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

5.6. bepaalt dat [gedaagde] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat [eiseres] dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

5.7. verzoekt de tijdige toezending van de stukken.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2007.

Coll.: JG