Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA6358

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
05-06-2007
Zaaknummer
130077
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2009:BJ0871, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op basis van het rapport staat vast dat eiser lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Daarmee is voldoende komen vast te staan dat sprake is van geestelijk letsel. Ook staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van het rapport voldoende vast dat dit geestelijk letsel zijn oorzaak vindt in de dood van dochter van eiser, de wijze waarop zij de dood heeft gevonden en de confrontatie van eiser met het lichaam van zijn dochter. De deskundige acht het immers waarschijnlijk dat eiser ook een PTSS zou hebben gekregen indien hij niet de dood van zijn eerste en tweede vrouw had meegemaakt. Daar komt nog bij dat, mocht er al sprake zijn van een zekere geestelijke kwetsbaarheid van eiser door het feit dat hij al de dood van zijn eerste en tweede vrouw had meegemaakt, de gevolgen van deze kwetsbaarheid, te weten het posttraumatische stresssyndroom, als een gevolg van de onrechtmatige daad van gedaagde hebben te gelden en dus aan hem dienen te worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130077 / HA ZA 05-1427

Vonnis van 16 mei 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. L.H. Poortman-de Boer te Drachten,

tegen

[gedaagde],

verblijvende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. W.H.B.M. Litjens,

advocaat mr. R.S. Teekens te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 augustus 2006

- het deskundigenbericht.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij vonnis van 19 juli 2006 is drs. [deskundige], psychiater, tot deskundige benoemd teneinde de volgende vragen te beantwoorden.

“1.Wat zijn thans de klachten en symptomen van [eiser] op uw vakgebied?

2. Kunnen deze klachten en symptomen worden herleid tot een in de psychiatrie erkend ziektebeeld en zo ja, welk?

3. Wat is de diagnose?

4. Kunnen de klachten en symptomen van betrokkene worden herleid tot de moord op zijn dochter in juni 2003 of spelen daarbij (ook) andere factoren een rol? Kunt u uw antwoord zo concreet mogelijk toelichten?

5. Is er naar uw mening sprake van een in de toekomst te verwachten verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde klachten en symptomen?

6. Zo ja, in welke mate en op welke termijn verwacht u deze verbetering of verslechtering?

7. Heeft u therapeutische suggesties voor betrokkene?

8. Hebt u verder nog opmerkingen, die voor de beoordeling van deze casus van belang zijn? Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?”

2.2. De deskundige heeft zijn rapport, gedateerd 24 januari 2007, ter griffie gedeponeerd.

2.3. De deskundige heeft de vragen als volgt beantwoord.

“1.

(...) Samengevat gaat het om een posttraumatische stresstoornis relevante symptomen. Betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring ten gevolge van de confrontatie met de gewelddadige dood van zijn dochter. Dit heeft geleid tot intense angst, hulpeloosheid en afschuw. De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd met recidiverende en zich opdringende onaangename herinneringen aan de gebeurtenis met inbegrip van voorstellingen, gedachten en waarnemingen. Er is sprake van recidiverende akelige dromen over de gebeurtenis. Er is sprake van handelen en voelen als of de traumatische gebeurtenis opnieuw plaatsvindt, zoals illusies en flashbacks. Er is sprake van intens psychisch lijden bij blootstelling aan gebeurtenissen die een aspect van de traumatische gebeurtenis symboliseren of er op lijken. Daaraan gekoppelde lichamelijke reacties zoals zenuwen, trillen, hoge bloeddruk, benauwdheid en moeheid treden op.

Daarbij is er sprake van het aanhoudend vermijden van prikkels die bij een trauma horen, zoals pogingen gedachten, gevoelens of gesprekken behorend bij het trauma te vermijden. Dit lukt betrokkene echter niet. Ook vermijdt hij het huis waar ze heeft gewoond. Er is een onvermogen zich belangrijke aspecten van het trauma te herinneren. Er is een duidelijk verminderde belangstelling voor deelneming aan andere belangrijke activiteiten. Er zijn gevoelens van onthechting en vervreemding van anderen. Er is een beperkt spectrum van gevoelens en het gevoel nog maar een beperkte toekomst te hebben.

Er is sprake van aanhoudende symptomen van verhoogde prikkelbaarheid, zoals moeite met inslapen en doorslapen, prikkelbaarheid en woede uitbarstingen, moeite met concentreren, overmatige waakzaamheid en overdreven schrikreacties. Deze stoornis bestaat vanaf de traumatische gebeurtenis en veroorzaakt in significante mate lijden en beperkingen in sociaal functioneren en op andere belangrijke terreinen.

2.

Naar DSM IV TR kenmerken is sprake van een posttraumatische stressstoornis.

3.

Posttraumatische stressstoornis.

4.

Deze klachten en symptomen zijn in grote mate te herleiden tot de moord op zijn dochter in juni 2003.

Uiteraard kan deze ernstige posttraumatische stressstoornis niet los worden gezien van alles wat er eerder in zijn leven is gebeurd, zoals de dood van zijn eerste en tweede vrouw en zijn hele persoonlijkheidsontwikkeling. Dat geldt voor ieder mens.

Ik heb voor zover dat mogelijk is geprobeerd dit te kwantificeren met betrokkene. Ik wil wel met nadruk stellen dat psychiatrie, zoals veel vakgebieden binnen de geneeskunde, geen wiskunde is.

Betrokkene denkt dat de posttraumatische stressstoornis voor 90% veroorzaakt wordt door de gewelddadige dood van zijn dochter.

Op grond van kennis en ervaring lijkt het mij waarschijnlijk dat betrokkene ook een ernstige posttraumatische stressstoornis had gekregen als hij niet de dood van zijn eerste en tweede vrouw had meegemaakt.

Daarnaast heb ik geprobeerd met hem de schok van het horen en de schok van het zien uit elkaar te halen en te kwantificeren. De schok van het horen van de dood van zijn dochter schat betrokkene ongeveer op 20%, de schok van het zien van zijn vermoorde dochter schat hij op ongeveer 80%. Dat lijkt mij plausibel, maar ook hier geldt uiteraard dat kwantificeren een arbitrair iets is.

Voor de achtergronden hiervan verwijs ik naar de anamnese en de forensisch psychiatrische beschouwing.

5.

Ik verwacht dat de klachten en symptomen niet zullen verbeteren en ook niet zullen verslechteren.

6. In therapeutisch opzicht is, voor zover ik kan zien, alles al geprobeerd wat redelijkerwijs succesvol zou kunnen zijn. Op langere termijn lijkt mij een langdurig onderhoudscontact bij de GGz Drenthe in Hoogeveen in combinatie met antidepressieve medicatie het beste.

7.

Als psychiater is het voor mij volstrekt evident dat er bij betrokkene sprake is van een zeer ernstige posttraumatische stressstoornis welke in zeer grote mate veroorzaakt is door de confrontatie met de gewelddadige dood van zijn dochter. In diagnostisch opzicht is dit volkomen duidelijk.

Omdat dit psychiatrisch onderzoek plaatsvindt in een juridisch kader, heb ik geprobeerd de gevolgen van de schok van de moord op zijn dochter samen met betrokkene enigszins te kwantificeren. Het moge duidelijk zijn dat dit geen harde diagnostische feiten zijn, maar slechts een inschatting; een poging een handreiking aan de rechtbank te doen in het gecompliceerde grensgebied tussen forensische psychiatrie en rechtspraak.”

2.4. Het deskundigenbericht is gelast ter voorlichting van de rechtbank in verband met de vraag of bij [eiser] sprake is van geestelijk letsel en, als dat zo is, de vraag naar het causale verband tussen het geestelijke letsel en het handelen van [gedaagde]. Nu partijen geen gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid opmerkingen te maken over het rapport van de deskundige en hebben afgezien van conclusie na deskundigenbericht, en nu de rechtbank overigens geen aanleiding heeft de deugdelijkheid van het rapport te betwijfelen, zal bij de verdere beoordeling van de vordering van [eiser] van dit rapport worden uitgaan.

2.5. Op basis van het rapport staat vast dat [eiser] lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Daarmee is voldoende komen vast te staan dat sprake is van geestelijk letsel. Ook staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van het rapport voldoende vast dat dit geestelijk letsel zijn oorzaak vindt in de dood van [-----], de wijze waarop zij de dood heeft gevonden en de confrontatie van [eiser] met het lichaam van zijn dochter. De deskundige acht het immers waarschijnlijk dat [eiser] ook een PTSS zou hebben gekregen indien hij niet de dood van zijn eerste en tweede vrouw had meegemaakt. Daar komt nog bij dat, mocht er al sprake zijn van een zekere geestelijke kwetsbaarheid van [eiser] door het feit dat hij al de dood van zijn eerste en tweede vrouw had meegemaakt, de gevolgen van deze kwetsbaarheid, te weten het posttraumatische stresssyndroom, als een gevolg van de onrechtmatige daad van [gedaagde] hebben te gelden en dus aan hem dienen te worden toegerekend.

2.6. [eiser] heeft ter vergoeding van zijn immateriële schade een bedrag gevorderd van € 45.000,00. Bij de begroting van het smartengeld moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waarbij met name gedacht kan worden aan de aard en ernst van het letsel, de gevolgen daarvan voor betrokkene en de aard van de aansprakelijkheid. Ook dient te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Voor de onderhavige zaak leidt dat tot het volgende. Als gevolg van de onrechtmatige daad van [gedaagde] lijdt [eiser] aan een blijkens het deskundigenrapport uitzonderlijk ernstige posttraumatische stressstoornis, die een grote invloed heeft op zijn dagelijks leven, door slaapproblemen, akelige dromen, prikkelbaarheid en woede-uitbarstingen, illusies en flashbacks en verminderde belangstelling voor activiteiten. [eiser] is langdurig onder behandeling geweest. De prognose is in die zin ongunstig, dat verbetering noch verslechtering van de symptomen wordt verwacht. De door [gedaagde] geschonden norm (opzettelijke levensberoving met voorbedachte rade) is bovendien van de meest ernstige soort. Lettend op de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, waaronder die in het “shockschade-arrest” HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240, wordt het smartengeld naar billijkheid begroot op € 12.000,00.

De buitengerechtelijke kosten

2.7. Naar aanleiding van rechtsoverweging 3.13 van het vonnis van 29 maart 2006 heeft [eiser] zijn vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten als volgt toegelicht. Er is sprake van twee dossiers, te weten het dossier “[eiser]/[gedaagde]”, dat ziet op zijn vordering als benadeelde partij in de strafzaak, en het dossier “[eiser]/[gedaagde] schadevergoeding”, dat ziet op de vordering van smartengeld wegens shockschade voor de burgerlijke rechter, nadat de strafrechter [eiser] in deze vordering niet-ontvankelijk had verklaard. Het totaal van de kosten gemaakt in deze beide dossiers bedraagt € 15.114,42, hetgeen het gevorderde dus zelfs overstijgt. Daarnaast is sprake van een dossier “[eiser]/boedel- en nalatenschap”, dat ziet op de problematiek rond de afwikkeling van de boedel en nalatenschap. De daarin gemaakte kosten worden thans niet gevorderd.

2.8. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] al de hoogte van de kosten betwist; gesteld dat ze ook zien op het geschil rond de boedel en nalatenschap en daarom niet in deze procedure toewijsbaar zijn; gesteld dat ze niet redelijk zijn, dat ze vallen onder de proceskostenveroordeling en dat [eiser] op grond van zijn schadebeperkingsplicht gehouden was een toevoeging aan te vragen. [gedaagde] heeft de nadere toelichting van [eiser] vervolgens niet betwist, maar aangevoerd dat [eiser] niet heeft gespecificeerd welke kosten het directe gevolg zijn van het overlijden van zijn dochter.

2.9. Hierover wordt als volgt overwogen. In deze procedure kunnen slechts worden toegewezen de buitengerechtelijke kosten die [eiser] heeft gemaakt ten behoeve van zijn vordering tot vergoeding van shockschade. De kosten vanwege de geschillen rond de boedel en de nalatenschap vallen daarbuiten. Uit de nadere toelichting van [eiser], die door [gedaagde] niet is betwist, blijkt dat hij deze ook niet vordert. De kosten die [eiser] wel vordert zien op de strafzaak en op de onderhavige zaak. Daarmee staat voldoende vast dat zij het gevolg zijn van de shockschade van [eiser]. In de onderhavige zaak is immers uitsluitend die schade aan de orde, terwijl in de strafzaak de shockschade veruit het belangrijkste en bewerkelijkste onderdeel van de vordering betrof.

2.10. Voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten moet echter ook zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:96 BW. Anders dan [eiser] veronderstelt, komen niet alle kosten voor werkzaamheden van vóór de dagvaarding als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking. De kosten die zien op “instructie van de zaak”, dat wil zeggen feitenvergaring, juridische analyse van de feiten, bewijsgaring, vallen, als het eenmaal tot een procedure is gekomen, onder de proceskostenveroordeling van artikel 237 tot en met 240 Rv, zo volgt uit artikel 241 Rv. Dat geldt eveneens indien sprake is van een voeging als benadeelde partij in de strafzaak, zo volgt uit het arrest HR 29 mei 2001, NJ 2002, 123. De kosten van een benadeelde partij in de strafzaak komen dus voor vergoeding in aanmerking volgens de systematiek van artikel 237 tot en met 241 Rv en artikel 6:96 BW. Dat betekent dat de kosten van de instructie van de zaak in de strafprocedure door de strafrechter dienen te worden begroot op de voet van de artikelen 237 tot en met 240 Rv. Die kosten kunnen thans in deze civiele procedure dus niet worden toegewezen.

2.11. De buitengerechtelijke kosten die voorafgaand aan de strafprocedure zijn gemaakt kunnen echter wel nog als vermogensschade in deze civiele procedure worden gevorderd. Uit de overgelegde declaraties en urenverantwoordingen blijkt dat de werkzaamheden in het dossier “[eiser]/[gedaagde]” hebben bestaan uit overleg met cliënt, correspondentie, opbouwen dossier, bestudering jurisprudentie. Er zijn schikkingsvoorstellen gedaan, doch die zijn door [gedaagde] van de hand gewezen omdat hij van mening was dat aan de criteria voor toewijzing van shockschade niet was voldaan. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat het grootste deel van de werkzaamheden ziet op de instructie van de zaak. De buitengerechtelijke kosten zullen daarom slechts worden toegewezen tot een bedrag van € 904,00, dat wil zeggen op grond van het rapport Voorwerk-II begroot op twee punten van het toepasselijke liquidatietarief II.

2.12. Nu [eiser] heeft gesteld dat het dossier “[eiser]/[gedaagde] schadevergoeding” is geopend nadat hij niet-ontvankelijk was verklaard in de strafzaak en deze beslissing onherroepelijk was geworden, moet worden aangenomen dat de kosten die in dat dossier zijn gemaakt, zien op de instructie van de onderhavige civiele procedure. Zij vallen derhalve onder de proceskosten en komen dus niet op grond van artikel 6:96 BW voor toewijzing in aanmerking.

2.13. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat [eiser] op grond van zijn schadebeperkingsplicht gehouden was een toevoeging aan te vragen. Of [eiser] voor een toevoeging in aanmerking zou zijn gekomen, kan de rechtbank op basis van de voorhanden zijnde stukken niet beoordelen. Zelfs al zou dat echter zo zijn, dan nog kon [eiser] in redelijkheid besluiten dat niet te doen, te meer nu de thans toewijsbaar geachte buitengerechtelijke kosten beperkt van omvang zijn. Gezien deze beperkte omvang was [eiser] niet jegens [gedaagde] gehouden ter verdere beperking van de buitengerechtelijke kosten en op straffe van een geslaagd beroep op art. 6:101 BW een toevoeging aan te vragen.

2.14. [eiser] heeft nog aangevoerd dat het hem gaat om erkenning, hetgeen hij door middel van deze procedure wil bereiken, zodat de daarvoor gemaakte kosten dienen te worden beschouwd als redelijke kosten ter beperking van de schade. Kennelijk bedoelt [eiser] daarmee dat de procedure de gevolgen van het geestelijk letsel, de posttraumatische stressstoornis, vermindert. In deze redenering volgt de rechtbank [eiser] niet. Juridische procedures die uitmonden in een gunstige beslissing voor de benadeelde hebben mogelijk als neveneffect dat de benadeelde zich in zijn leed erkend voelt. Dat wil in het algemeen echter niet zeggen dat, andersom, een juridische procedure de aangewezen weg is voor een benadeelde die zich in zijn leed niet erkend voelt. Een juridische procedure is niet bedoeld om erkenning te verkrijgen (zie HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853). Daarom kan het voeren van een procedure niet worden beschouwd als een redelijk middel ter beperking van schade (te weten: geestelijk letsel) in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a BW. De kosten voor die procedure komen dus niet op de voet van die bepaling voor toewijzing in aanmerking.

2.15. Voorzover [eiser] – met zijn bij akte ingenomen stelling dat de buitengerechtelijke kosten ook zien op een conservatoir beslag - heeft beoogd de kosten van het gelegde beslag te vorderen, zal dit worden afgewezen omdat de beslagstukken niet zijn overgelegd en daarom niet kan worden beoordeeld of aan de wettelijke vereisten is voldaan en deze kosten overigens ook niet kunnen worden begroot.

2.16. De gevorderde rente over de hoofdsom is toewijsbaar vanaf 22 juni 2003, de datum waarop de onrechtmatige daad, te weten de moord op [-----], is gepleegd. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten vanaf de dag der dagvaarding is eveneens toewijsbaar.

2.17. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,60

- vast recht € 1.315,00

- deskundigen € 1.500,00

- salaris procureur € 1.130,00 (2,5 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 4.030,60

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.000,00 (twaalfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 22 juni 2003 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 904,00 (negenhonderd en vier euro) wegens buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 27 juli 2005 tot de dag van volledige betaling,

3.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 4.030,60,

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2007.