Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA5817

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
154162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vraag die in dit kort geding dient te worden beantwoord is, of eiser inbreuk heeft gemaakt op het kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 11 augustus 2006 en dus dwangsommen heeft verbeurd. Daarbij is van belang dat het niet aan de voorzieningenrechter is om de rechtsverhouding tussen partijen zelfstandig opnieuw te beoordelen (vergelijk Hoge Raad 19 januari 2007, NJ 2007, 59).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 154162 / KG ZA 07-205

Vonnis in kort geding van 10 mei 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 10 april 2007,

advocaat en procureur mr. I.P. Rietveld,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat en procureur mr. R.P. Zwarts.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met een productie

- de producties van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 11 augustus 2006 is onder meer het volgende bepaald.

“5.2. verbiedt [eiser] gedurende één jaar na betekening van dit vonnis - anders dan via zijn advocaat - direct of indirect schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met [gedaagde] en/of de kinderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per overtreding tot een maximum van € 10.000,00, met dien verstande dat het [eiser] is toegestaan aan de kinderen een kaartje of een briefje te sturen op de verjaardagen van de kinderen en/of op erkende feestdagen;”

2.2. [gedaagde] heeft deurwaarderskantoor [betrokkene] te [woonplaats] opdracht gegeven over te gaan tot het incasseren van € 750,00 aan dwangsommen, omdat [eiser] in strijd met het opgelegde contactverbod op 6 november 2006, 25 november 2006 en 13 januari 2007 een ansichtkaart zou hebben gestuurd.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt verboden over te gaan tot het incasseren van dwangsommen in verband met het verzenden van bovengenoemde ansichtkaarten.

3.2. [eiser] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. Het is juist dat hij op 6 en 25 november 2006 een ansichtkaart heeft verzonden. Op laatstgenoemde datum heeft hij een kaart gestuurd in verband met de sinterklaasviering. Hij wist niet dat Sinterklaas geen erkende feestdag is. [eiser] ontkent dat hij op of omstreeks 13 januari 2007 een ansichtkaart heeft gestuurd. Hij heeft deze met Nieuwjaarsdag gestuurd.

[eiser] is thans zijn leven weer aan het opbouwen en heeft met diverse schuldeisers betalingsregelingen getroffen. Onder deze omstandigheden is het volgens [eiser] niet passend om over te gaan tot het incasseren van € 750,00 aan dwangsommen. Dit geldt te meer nu hij de betalingsregelingen met zijn schuldeisers niet meer zal kunnen nakomen indien de executiemaatregelen worden voortgezet.

3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eiser].

4.2. De vraag die in dit kort geding dient te worden beantwoord is, of [eiser] inbreuk heeft gemaakt op het kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 11 augustus 2006 en dus dwangsommen heeft verbeurd. Daarbij is van belang dat het niet aan de voorzieningenrechter is om de rechtsverhouding tussen partijen zelfstandig opnieuw te beoordelen (vergelijk Hoge Raad 19 januari 2007, NJ 2007, 59). In dit kader is het volgende van belang.

4.3. Uitgangspunt is dat het [eiser] op grond van genoemd vonnis is verboden om gedurende één jaar na betekening van dat vonnis - anders dan via zijn advocaat - direct of indirect schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met [gedaagde] en/of de kinderen. In uitzondering hierop is het [eiser] toegestaan om de kinderen een kaartje of een briefje te sturen op hun verjaardagen en/of op erkende feestdagen.

4.4. [gedaagde] stelt dat [eiser] drie keer een ansichtkaart heeft gestuurd (en dus het contactverbod heeft overtreden), terwijl er geen sprake was van een verjaardag van (een van) de kinderen of een erkende feestdag. Deze drie gevallen worden hierna afzonderlijk besproken.

6 november 2006

4.5. [eiser] erkent dat hij op 6 november 2006 een kaartje naar de kinderen heeft gestuurd. Volgens hem is dit een ‘misser’ geweest. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter staat hiermee evenwel vast dat [eiser] met betrekking tot deze ansichtkaart het opgelegde contactverbod heeft overtreden.

25 november 2006

4.6. [eiser] erkent dat hij ook op 25 november 2006 een ansichtkaart heeft verzonden. Hij heeft deze kaart gestuurd in verband met de sinterklaasviering. Hij wist niet dat Sinterklaas geen erkende feestdag is.

4.7. Ingevolge artikel 3 van de Algemene termijnenwet is Sinterklaas geen algemeen erkende feestdag, in tegenstelling tot Nieuwjaarsdag, tweede Paas- en Pinksterdag, beide Kerstdagen, Hemelvaartsdag, Koninginnedag en 5 mei. Desalniettemin kan de voorzieningenrechter begrijpen dat [eiser] het sinterklaasfeest wel aldus heeft opgevat, aangezien Sinterklaas een feest is dat op grote schaal in Nederland wordt gevierd en waaraan in de samenleving ook veel aandacht wordt besteed. Dit betekent dat ten aanzien van deze ansichtkaart [eiser] weliswaar naar de letter het opgelegde contactverbod heeft overtreden, maar dat de voorzieningenrechter daaraan geen gevolgen zal verbinden. [eiser] heeft derhalve geen dwangsom verbeurd.

13 januari 2007

4.8. [eiser] ontkent dat hij op 13 januari 2007 een ansichtkaart heeft gestuurd naar de kinderen. Volgens hem heeft hij die rond Nieuwjaarsdag gestuurd. Vaststaat inderdaad dat [eiser] op 4 januari 2007 een ansichtkaart heeft gestuurd. Deze kaart is blijkens de daarop aangebrachte tekst verzonden in verband met Nieuwjaarsdag en is gericht aan beide kinderen. Maar daarnaast bevindt zich bij de stukken een ansichtkaart waarvan [gedaagde] stelt dat deze op of omstreeks 13 januari 2007 door haar is ontvangen. Deze kaart is blijkens de daarop aangebrachte tekst ook gestuurd door [eiser] en is wederom gericht aan beide kinderen. De ansichtkaart vermeldt niets dat erop duidt dat hij is verzonden in verband met Nieuwjaarsdag.

4.9. Onder deze omstandigheden heeft [eiser] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het opgelegde contactverbod overtreden. Het was [eiser] niet toegestaan om, kort nadat door hem een kaart in verband met Nieuwjaarsdag was verzonden, nóg een kaart aan de kinderen te sturen, ongeacht of dit op 13 januari 2007 of enkele dagen daarvoor is gebeurd.

4.10. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat met betrekking tot de gestuurde ansichtkaarten van 6 november 2006 en 13 januari 2007 [eiser] het opgelegde contactverbod heeft overtreden en derhalve ook dwangsommen heeft verbeurd (voor een bedrag van 2 x € 250,00 = € 500,00). In zoverre zal de vordering worden afgewezen. Met betrekking tot de ansichtkaart van 25 november 2006 heeft [eiser] geen dwangsom verbeurd. In zoverre zal de vordering worden toegewezen.

4.11. Aangezien elk van partijen als deels in het ongelijk gesteld is te beschouwen,

zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze. Daarbij speelt tevens een rol de relatie die tussen partijen heeft bestaan.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. verbiedt [gedaagde] over te gaan tot het incasseren van een dwangsom in verband met het verzenden van de ansichtkaart, d.d. 25 november 2006;

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 10 mei 2007.