Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA5767

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
137700
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van gedaagde alsnog (nader) tegenbewijs te mogen leveren richt zich in wezen tegen de genoemde eindbeslissing die is genomen zonder (nadere) tegenbewijslevering aan de zijde van ghedaagde. Inwilliging van zijn verzoek alsnog (nader) tegenbewijs te mogen leveren zou met zich brengen dat (in ieder geval voorlopig, in afwachting van de uitkomst van het tegenbewijs) zou worden teruggekomen van die bindende eindbeslissing. In hetgeen gedaagde heeft aangevoerd en overgelegd ziet de rechtbank geen aanleiding op haar beslissing over het tegenbewijs en op haar daaruit voortvloeiende eindbeslissing terug te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is van een juridische (en daaruit voortvloeiende feitelijke) misslag geen sprake. De inhoud van het rapport levert geen bijzondere omstandigheid op die het onaanvaardbaar maakt dat de rechtbank gebonden is aan de eerder gegeven beslissingen. Gedaagde zal daarom niet alsnog worden toegelaten tot het leveren van (nader) tegenbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 137700 / HA ZA 06-346

Vonnis van 2 mei 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats]

eiseres,

procureur en advocaat mr. C.W. Langereis te Zevenaar,

tegen

[gedaagde],

wonende te Velp, gemeente Rheden,

gedaagde,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. Z.J. Rittersma te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 juli 2006

- het deskundigenbericht

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres]

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht met producties van [gedaagde].

1.2. Op 21 maart 2007 is vonnis bepaald.

1.3. Bij brief van 26 maart 2007 heeft de advocaat van [eiseres] de rechtbank verzocht alsnog op één van de bij antwoordconclusie na deskundigenbericht overgelegde producties te mogen reageren, nadat de daartoe op 21 maart 2007 beoogde gelegenheid abusievelijk onbenut was gelaten. In de schriftelijke reactie hierop van 27 maart 2007 heeft de rolrechter meegedeeld, samengevat, dat daartoe zonodig in een later stadium nog gelegenheid zou worden geboden.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 26 april 2006 heeft de rechtbank als vaststaand aangenomen dat [gedaagde] [eiseres] gedurende enkele weken in de periode eind maart 2001/begin april 2001 meermalen heeft aangerand en dat [gedaagde] op grond van dit onrechtmatig handelen jegens [eiseres] aansprakelijk is voor de dientengevolge door haar geleden schade. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat zij behoefte heeft aan voorlichting door een deskundige over de precieze psychische gevolgen van de aanrandingen in deze periode. Met dat doel is bij tussenvonnis van 12 juli 2006 de psychiater [deskundige] als deskundige benoemd. Op 29 november 2006 heeft de deskundige aan de rechtbank gerapporteerd.

2.2. In haar conclusie na deskundigenbericht heeft [eiseres] laten weten de inhoud van het deskundigenrapport te onderschrijven. [gedaagde] heeft in zijn antwoordconclusie allereerst de eerdere (bewijs-)beslissingen van de rechtbank aan de orde gesteld en daarna zijn kritiek op de inhoud van het rapport van [deskundige]. Aan zijn antwoordconclusie na deskundigenbericht heeft hij een rapport gehecht van de klinisch psychologe [betrokkene] over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [eiseres] in de strafzaak. Ook heeft hij een aantal schoolrapporten van [eiseres] in het geding gebracht.

2.3. Als eerste zal worden beslist op het (herhaalde) verzoek van [gedaagde] alsnog tegenbewijs te mogen leveren tegen hetgeen door de rechtbank in het tussenvonnis van 26 april 2006 als vaststaand is aangenomen: dat [gedaagde] [eiseres] vanaf het moment dat zij haar paard in maart 2001 bij hem had gestald in een periode van enkele weken meermalen heeft aangerand (rov. 4.10). Daartoe beroept [gedaagde] zich thans op het hiervoor genoemde, in zijn opdracht opgestelde rapport van [betrokkene]. De inhoud van dit rapport, waarin de betrouwbaarheid van de verklaringen van [eiseres] in de strafzaak in twijfel wordt getrokken, voert hij - vooruitlopend op de beslissing van de rechtbank op zijn verzoek - op als deel van dat tegenbewijs.

2.4. Vooropgesteld wordt dat het de rechtbank op zichzelf zou zijn toegestaan terug te komen van haar beslissing [gedaagde] niet tot (nader) tegenbewijs toe te laten van hetgeen voorshands als bewezen was aangenomen. Dat is immers in wezen geen eindbeslissing betreffende een de partijen verdeeld houdend juridisch of feitelijk geschilpunt, maar een beslissing inzake de instructie van de zaak. Anders ligt dat voor de vervolgens op grond van de als vaststaand aangenomen feiten zonder voorbehoud door de rechtbank gegeven beslissing dat het ervoor moet worden gehouden dat [gedaagde] [eiseres] in een periode van enkele weken, die is begonnen in maart 2001 en is geëindigd in april 2001, meermalen heeft aangerand, dat hij daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat hij de dientegengevolge door [eiseres] geleden schade moet vergoeden. Op grond van vaste rechtspraak geldt voor dergelijke, bindende eindbeslissingen de, op beperking van het processuele debat gerichte, regel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere, door de rechter nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing zou zijn gebonden. Het verzoek van [gedaagde] alsnog (nader) tegenbewijs te mogen leveren richt zich in wezen tegen de genoemde eindbeslissing die is genomen zonder (nadere) tegenbewijslevering aan de zijde van [gedaagde]. Inwilliging van zijn verzoek alsnog (nader) tegenbewijs te mogen leveren zou met zich brengen dat (in ieder geval voorlopig, in afwachting van de uitkomst van het tegenbewijs) zou worden teruggekomen van die bindende eindbeslissing. In hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd en overgelegd ziet de rechtbank geen aanleiding op haar beslissing over het tegenbewijs en op haar daaruit voortvloeiende eindbeslissing terug te komen. Naar het oordeel van de rechtbank is van een juridische (en daaruit voortvloeiende feitelijke) misslag geen sprake. De inhoud van het rapport van [betrokkene] levert geen bijzondere omstandigheid op die het onaanvaardbaar maakt dat de rechtbank gebonden is aan de eerder gegeven beslissingen. [gedaagde] zal daarom niet alsnog worden toegelaten tot het leveren van (nader) tegenbewijs. In verband met deze beslissing is een reactie namens [eiseres] op het rapport van [betrokkene] niet noodzakelijk, want niet ter zake dienend.

2.5. Dan de inhoudelijk kritiek van [gedaagde] op het rapport van [deskundige]. Zijn meest verstrekkende bezwaar luidt dat de deskundige bij zijn onderzoek en beoordeling ervan is uitgegaan dat de aanrandingen zich gedurende de periode 2001-2002 frequent hebben voorgedaan, in plaats van vanaf enig moment in maart 2001 tot begin april 2001 gedurende enkele weken. Ondanks een hiertoe strekkende opmerking van de advocaat van [gedaagde] heeft de deskundige dit niet rechtgezet, aldus [gedaagde].

2.6. Ook de rechtbank is het opgevallen dat de deskundige bij zijn onderzoek voor de duur van de aanrandingen is uitgegaan van de in de strafrechtelijke uitspraken vermelde periode van 1 maart 2001 tot december 2002 en niet van de in de onderhavige civielrechtelijke procedure aangenomen duur van enkele weken in de periode maart 2001-april 2001. Er is, kennelijk, sprake geweest van een misverstand. [gedaagde] heeft (tevergeefs) gepoogd dit recht te zetten, bij zijn opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport, [eiseres] niet. Hoe dit ook zij, door dit misverstand is in elk geval een deel van het deskundigenbericht in zijn huidige vorm niet bruikbaar als middel ter voorlichting van de rechtbank, namelijk voor zover het (mede) berust op de aanname door de deskundige dat de aanrandingen van maart 2001 tot december 2002 hebben geduurd.

2.7. Het is, in verband met de inhoud van de niet op het misverstand terug te voeren onderdelen van de rapportage en gelet op hetgeen door [gedaagde] over het moment van het verslechteren van de schoolprestaties van [eiseres] is aangevoerd, niet zonder meer vanzelfsprekend dat een nieuw deskundigenbericht (door een andere deskundige) of een nader deskundigenbericht (door dezelfde deskundige) zal worden gelast. De mogelijkheid bestaat dat de vraag naar het al dan niet bestaan van causaal verband tussen de aanrandingen en de verslechtering van de schoolprestaties zonder een nieuw of nader deskundigenbericht kan worden beantwoord. Aan de partijen, [eiseres] als eerste, wordt verzocht zich hierover bij akte uit te laten. Aan [eiseres] wordt verzocht zich in die akte bovendien uit te laten over haar schoolprestaties voor, tijdens en na de relevante periode van aanrandingen. Aan haar wordt verzocht alle schoolrapporten en tussenrapportages inzake haar jaren op de reguliere MAVO (schooljaren 1999-2000, 2000-2001 en 2001-2002) in het geding te brengen en in haar toelichting op die rapporten in te gaan op hetgeen [gedaagde] daarover bij antwoordconclusie na deskundigenbericht heeft aangevoerd. Uit een oogpunt van proceseconomie wordt aan de partijen voorts verzocht in hun akte ook de eventuele nadere vragen aan de deskundige [deskundige] te vermelden en een suggestie te doen voor de persoon van de eventueel te benoemen nieuwe deskundige. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor deze aktewisseling.

2.8. In afwachting hiervan zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 mei 2007 voor het nemen van een akte door [eiseres] over al hetgeen is vermeld in rechtsoverweging 2.7, waarna de zaak op de rol van 27 juni 2007 voor het nemen van een antwoordakte door [gedaagde],

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2007.