Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA5756

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
131471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In dit geding wordt door de rechtbank geen noodweg aangewezen, maar wordt beoordeeld of er in het verleden tussen de (rechtsvoorgangers van) partijen zulk een aanwijzing heeft plaatsgevonden. Hetgeen in HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 664 omtrent het opleggen van voorwaarden wordt overwogen is dus hier niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 131471 / HA ZA 05-1703

Vonnis van 25 april 2007

in de zaak van

[eisers],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur en advocaat mr. P.F.M. Verstegen te Heilig Landstichting, gemeente Groesbeek,

tegen

[gedaagden]

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. M.H. Kemna te Arnhem.

De partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Voor het verloop van de procedure tot het in deze zaak gewezen vonnis van 18 oktober 2006 verwijst de rechtbank naar dat vonnis. Ingevolge dat vonnis heeft wederom een comparitie van partijen plaatsgehad. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. De partijen zijn niet verenigd. [eisers] hebben vervolgens – [gedaagden] hadden zich daarover ter comparitie reeds uitgelaten – bij akte hun eis vermeerderd, waarna opnieuw vonnis is bepaald.

2. De verdere beoordeling, in conventie en in reconventie

2.1. De rechtbank volhardt bij hetgeen zij in haar in deze zaak gewezen tussenvonnis van 18 oktober 2006 reeds over de feiten, het geschil en de beoordeling daarvan heeft overwogen en beslist. Op grond daarvan dient er in deze zaak van worden uitgegaan dat de last van noodweg tevens rust op het gedeelte van de landweg, dat in eigendom toebehoort aan [eisers]

2.2. Voor dat geval verlangen [eisers], “als voorwaarde”, onder meer de betaling van een vergoeding van € 3.000,-- per jaar (bij vooruitbetaling te voldoen), althans een door de rechtbank te bepalen vergoeding. Hoewel [eisers] dat niet met zoveel woorden vorderen, verlangen zij daarmee, behalve de vaststelling van die (jaarlijkse) vergoeding, tevens de veroordeling van [gedaagden] tot betaling daarvan.

Als ‘peildatum’ voor de bepaling van die vergoeding moet worden genomen het moment waarop [eisers] de eigendom van hun perceel hebben verkregen, te weten december 2003.

Bij de in dit verband relevante bepaling van de door de noodweg ten laste van [eisers] ingenomen oppervlakte kan worden aangeknoopt bij het ter comparitie door [gedaagden] overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte kadastrale veldwerk, waarbij de thans bestaande feitelijke grenzen van de landweg – voor zoveel hier van belang afgebakend door de door [eisers] aan hun zijde geplaatste afrastering – geacht mogen worden ook die van december 2003 te zijn geweest. Op basis van dat kadastrale veldwerk en de huidige feitelijke toestand van de weg kan derhalve tot een bepaling van die oppervlakte worden gekomen. Om die reden hoeft dus geen “vaststelling van de exacte loop van de noodweg alsmede kadastrale inmeting daarvan voor rekening van [gedaagden]”, zoals [eisers] verlangen, plaats te vinden.

2.3. Het door [eisers] verlangde bedrag van € 3.000,-- per jaar is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet toewijsbaar. De rechtbank zal dus zelf een bedrag aan schadevergoeding bepalen. Het gaat daarbij om het verschil tussen de waarde van het met de noodweg belaste perceel van [eisers] met en zonder de last van noodweg (vgl. NTBR 1999, p. 147). Te harer voorlichting dienaangaande heeft de rechtbank behoefte aan deskundig advies. Zij heeft daartoe reeds in beginsel bereid en in staat bevonden [betrokkene]. te Woudenberg. Alvorens de rechtbank tot benoeming overgaat zullen de partijen zich daarover eerst nog moeten kunnen uitlaten. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

2.4. De overige door [eisers] verlangde “voorwaarden” bij toewijzing van de door [gedaagden] gevorderde verklaring voor recht zijn niet toewijsbaar, al was het maar omdat in dit geding door de rechtbank geen noodweg wordt aangewezen, maar wordt beoordeeld of er in het verleden tussen de (rechtsvoorgangers van) partijen zulk een aanwijzing heeft plaatsgevonden. Hetgeen in HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 664 omtrent het opleggen van voorwaarden wordt overwogen is dus hier niet van toepassing.

2.5. Ten overvloede zij in dit verband opgemerkt dat [gedaagden] bij het gebruik van de landweg aan [eisers] geen onrechtmatige hinder mogen toebrengen in de vorm van overmatige stof- en lawaaioverlast. Zo nodig kunnen [eisers] (in samenwerking met Otters), zoals zij hebben aangegeven van plan te zijn, een beperkt aantal drempels op de weg aanbrengen, maar dit mag weer niet zo ver gaan dat het gebruik van de noodweg op onredelijke wijze wordt belemmerd.

Verder zijn de partijen het erover eens dat het onderhoud van de weg voor rekening komt van [gedaagden] Ter comparitie bleek dat daarin ten gevolge van het tussen de partijen ontstane geschil wat achterstand was gekomen, doch de toestand van de weg was niet van dien aard dat op grond daarvan aan [eisers] wegens verwaarlozing (zaaksbeschadiging door nalaten) of uit die toestand noodzakelijkerwijs voortvloeiende onrechtmatige hinder bij het gebruik ervan een aanspraak tot verbetering jegens [gedaagden] zou toekomen.

Ten slotte is er geen rechtsgrond voorhanden om [gedaagden] te belasten met de helft van de door [eisers] geplaatste afrastering, ook niet als artikel 5:49 BW hier bij wijze van analogie zou kunnen worden toegepast, nu de percelen van de partijen zich niet bevinden in een aaneengebouwd gedeelte van de gemeente als in die bepaling bedoeld.

2.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

IN CONVENTIE:

3.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 9 mei 2007 voor uitlating door [eisers] en vervolgens door [gedaagden] omtrent hetgeen hierboven onder 2.3 is overwogen,

IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE VOORTS:

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2007.

De griffier De rechter