Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA5564

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
142142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van artikel 2 van de in deze van toepassing zijnde verordening (EG) Nr. 44/1001 van de Raad van de Europese Unie (EEX-verordening). Immers, beide gedaagden hebben woonplaats in Nederland.

Voorts dient beoordeeld te worden door welk recht de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst.

Nu er door partijen geen rechtskeuze is gedaan in de zin van artikel 3 van het in deze zaak toepasselijke Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980 (EVO), wordt de overeenkomst op grond van het EVO beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is.

Op grond van artikel 3 eerste lid van de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad zal de vraag of de conservatoire beslagen op de in Nederland gelegen onroerende zaken onrechtmatig waren echter naar Nederlands recht worden beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 142142 / HA ZA 06-1101

Vonnis van 18 april 2007

in de zaak van

rechtspersoon naar Belgisch recht

THEMENOS,

gevestigd te Antwerpen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. P.A.M. de Jong,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde].,

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. S.A.H. van Ramele te Arnhem.

Partijen zullen hierna Themenos, PPOZ en de heer [gedaagde sub 2] genoemd worden. Gedaagden tezamen zullen worden aangeduid als PPOZ c.s.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 september 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2007

- de akte van PPOZ c.s. van 24 januari 2007

- de akte van Themenos van 21 februari 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Themenos is een Belgische coöperatieve vennootschap die (teken)werkzaamheden verricht zoals het schetsen van stedenbouwkundige ontwerpen en het maken van architectonische (voor)ontwerpen van woningen. Themenos heeft sinds 2002 in opdracht van PPOZ tekenwerkzaamheden verricht.

2.2. Themenos heeft aan PPOZ facturen toegezonden voor, vanaf 2002, in totaal een bedrag van € 191.166,26. PPOZ heeft van de volgende facturen de volgende bedragen onbetaald gelaten:

mbt [projectnaam]” te [woonplaats]

factuur 2005/15 dd 24-02-2005 € 5.605,32

mbt “Plan [gedaagde sub 2]” te [woonplaats]

factuur 2005/47 dd 02-06-2005 mbt woning 31 € 3.098,67

factuur 2005/82 dd 20-09-2005 mbt bijgebouwen van woningen 4, 31 en 33 € 4.147,50

factuur 2005/99 dd 04-11-2005 mbt woning 19 € 7.436,80

factuur 2005/105 dd 07-11-2005 mbt woning 13 € 7.436,80

factuur 2006/01 dd 10-01-2006 mbt woning 41 € 7.436,80

factuur 2006/50 dd 20-04-2006 mbt woning 41 € 1.859,20

totaal €37.021,09

3. Het geschil

in conventie

3.1. Themenos vordert samengevat - veroordeling van PPOZ c.s. tot betaling van € 37.021,09, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

3.2. Themenos vordert als hoofdsom, kort gezegd, de betaling van de in r.ov. 2.2. genoemde facturen, die volgens haar zien op door haar in opdracht van PPOZ uitgevoerde werkzaamheden. Themenos heeft daarbij aangevoerd dat PPOZ, omdat zij de facturen heeft ontvangen en behouden, omdat zij deze deels heeft betaald en omdat zij niet binnen acht dagen, althans een redelijke termijn daartegen heeft geprotesteerd, volgens het Belgische recht het recht heeft verwerkt daar tegen op te komen en dat PPOZ daarom - onafhankelijk van haar verweren - tot betaling gehouden is.

3.3. PPOZ voert verweer. Zij stelt kort gezegd dat Themenos de werkzaam¬heden die zien op het project Vroondaal niet in haar opdracht maar in opdracht van haar zustervennootschap [gedaagde sub 2] Villa’s B.V. (verder [gedaagde sub 2] Villa’s) heeft uitgevoerd, dat Themenos de overeen¬ge¬ko¬men werkzaamheden voorts niet volledig heeft uitgevoerd en dat Themenos te veel in rekening heeft gebracht. Zij claimt verder een recht op opschorting in verband met het volgens haar niet nakomen van Themenos van haar verplichtingen jegens PPOZ en zij beroept zich op verreke¬ning met vorderingen die zij vanwege tekortkomingen van Themenos en uit hoofde van onverschuldigde betaling op Themenos zegt te hebben.

in reconventie

3.4. PPOZ vordert samengevat - veroordeling van Themenos tot betaling van een bedrag van € 93.664,16 en een bedrag van € 33.144,68, vermeerderd met rente en kosten. Bij akte van 24 januari 2007 heeft PPOZ de gevorderde hoofdsom verminderd tot bedragen van € 78.790,56 en € 33.144,68.

3.5. PPOZ stelt, kort gezegd, dat zij Themenos onverschuldigd een bedrag van € 23.082,50 heeft betaald, althans dat Themenos door die betaling ongerechtvaardigd verrijkt is en voorts dat Themenos jegens haar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat zij daardoor € 70.342,14 en - voorzover zij als contractspartij ten aanzien van het project Vroondaal wordt gezien - € 27.500,00 schade plus ‘nader vast te stellen schade’ heeft geleden. Van deze bedragen resteert na verrekening van het toewijsbare deel van de vordering in conventie van Themenos volgens PPOZ voornoemde in reconventie gevorderde bedragen. Daarnaast vordert zij een vergoeding van € 1.935,52 voor schade die zij heeft geleden door een volgens haar onrechtmatig gelegd beslag.

3.6. Themenos voert verweer. Zij voert - kort weergegeven - opnieuw aan dat PPOZ haar rechten heeft verwerkt, zij betwist te veel in rekening te hebben gebracht, zij betwist dat een deel van de betalingen van PPOZ onverschuldigd is geweest en zij betwist in haar verplich¬tin¬gen te zijn tekortgeschoten.

4. De beoordeling

Bevoegdheid en het toepasselijke recht

4.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering van Themenos kennis te nemen. De recht¬bank beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van artikel 2 van de in deze van toepassing zijnde verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie (EEX-verordening). Immers, beide gedaagden hebben woonplaats in Nederland. Ten overvloede vermeldt de rechtbank dat zij voor de rechtbank zijn verschenen zonder de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten.

4.2. Gelet op artikel 6, derde lid van de EEX-verordening en gezien het feit dat de recon¬ven¬tionele vordering gebaseerd is op dezelfde rechtsverhouding als de vordering in con¬ventie is de rechtbank ook bevoegd van de reconventionele vorderingen kennis te nemen.

4.3. Voorts dient beoordeeld te worden door welk recht de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst. De rechtbank stelt vast dat zowel de vordering van Themenos als de recon¬ven¬tionele vordering van PPOZ c.s. gebaseerd is op de tussen partijen (althans, volgens PPOZ c.s., deels tussen partijen en deels tussen [gedaagde sub 2] Villa’s en Themenos) gesloten overeenkomst op grond waarvan Themenos voor PPOZ/[gedaagde sub 2] Villa’s tegen betaling teken-werkzaamheden heeft verricht. Nu er door partijen geen rechtskeuze is gedaan in de zin van artikel 3 van het in deze zaak toepasselijke Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980 (EVO), wordt de overeenkomst op grond van het EVO beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is. Aangezien het door Themenos krachtens de overeen¬komst te verrichten tekenwerk de voor de overeenkomst kenmerkende prestatie is, wordt dit op grond van het tweede lid van artikel 4 EVO vermoed België te zijn, waar Themenos gevestigd is. Aan¬gezien de overige omstandig¬heden, waaronder de door PPOZ c.s. aangevoerde omstandigheid dat de tekenwerkzaamheden zien op huizen die in Nederland worden ge¬bouwd en dat daarop ook het Nederlandse bouwbesluit van toepassing is, niet de conclusie rechtvaardigen dat de overeenkomst in afwijking met het voornoemde vermoeden nauwer met Nederland is verbonden, wordt de overeenkomst beheerst door het Belgische recht en zal de rechtbank de zaak naar dat recht dienen te beoordelen.

4.4. Op grond van artikel 3 eerste lid van de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad zal de vraag of de conservatoire beslagen op de in Nederland gelegen onroerende zaken van PPOZ onrechtmatig waren echter naar Nederlands recht worden beoordeeld.

4.5. In verband met het vorenstaande en gelet op de hiervoor - kort weergegeven - standpunten van partijen wenst de rechtbank de volgende vragen te stellen aan het Internationaal Juridisch Instituut te [woonplaats] (I.J.I.) alvorens tot inhoudelijke beoordeling over te gaan.

A. Ten aanzien van de door Themenos gestelde rechtsverwerking.

1) Brengt naar Belgisch recht het niet binnen een termijn van 8 dagen, althans binnen een bepaalde termijn, althans binnen een redelijke termijn, reageren op een ontvangen factuur (met betrekking tot het verrichten van tekenwerkzaamheden) met zich dat het bestaan van een rechtsgrond voor die facturen voor vaststaand wordt aangenomen?

2) Brengt naar Belgisch recht het niet binnen een termijn van 8 dagen, althans binnen een bepaalde termijn, althans binnen een redelijke termijn, reageren op een ontvangen factuur (met betrekking tot het verrichten van tekenwerkzaamheden), het verlies met zich van het recht om zich tegen de verschuldigdheid van de gefactureerde bedragen te verweren?

3) Is daarbij van belang of de facturen (voor een deel) zijn betaald?

B. Ten aanzien van de vraag wie als opdrachtgever voor het project Vroondaal heeft te gelden.

4) Geldt (ook) krachtens Belgisch recht de rechtsregel dat voor de vraag namens wie of namens welke rechtspersoon een overeenkomst wordt gesloten beslissend is wat de bij de totstandkoming van die overeenkomst betrokken personen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen over en weer hebben mogen afleiden?

5) Indien dit niet het geval is, op grond van welk criterium dient dan bepaald te worden namens wie of namens welke rechtspersoon een overeenkomst is gesloten?

C. Ten aanzien van het beroep van PPOZ op opschorting.

6) Wat zijn volgens Belgisch recht de vereisten voor het verkrijgen van een opschortingbevoegdheid?

7) Wat zijn naar Belgisch recht de gevolgen van bevoegde opschorting?

8) Kent het Belgische recht een bepaling als vervat in

artikel 6:52 BW?

artikel 6:54 BW?

artikel 6:262 BW?

artikel 6:263 BW?

D. Ten aanzien van het beroep van PPOZ op verrekening.

9) Wat zijn naar Belgisch recht de vereisten voor het verkrijgen van een verrekeningsbevoegdheid?

10) In welke vorm dient verrekening volgens het Belgisch recht plaats te vinden en op welk moment vindt de verrekening plaats?

11) Kent het Belgische recht een bepaling als vervat in

artikel 6:127 BW?

artikel 6:129 BW?

E. Ten aanzien van de gestelde toerekenbare tekortkomingen.

12) Wat zijn volgens Belgisch recht de vereisten voor het verkrijgen van een schade¬vergoeding vanwege een tekortkoming in de nakoming van de verplichting uit een over¬eenkomst?

13) Kent het Belgische recht een bepaling als vervat in

artikel 6:74 BW?

artikel 6:81-83 BW?

F. Ten aanzien van het beroep van PPOZ op onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking.

14) Kent het Belgische recht een bepaling als vervat in

artikel 6:203 BW?

artikel 6:212 BW?

G. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente.

15) Kent het Belgische recht een bepaling als vervat in

artikel 6:119 BW?

artikel 6:119a BW?

4.6. De rechtbank is voornemens het I.J.I. het tussenvonnis van 18 april 2007, het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2007 en dit tussenvonnis toe te zenden.

4.7. Alvorens deze vragen voor te leggen aan het I.J.I. zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich over deze vragen en de aan het I.J.I. toe te zenden stukken uit te laten en om desgewenst zelf ook vragen voor te stellen. Daartoe zal de zaak verwezen worden naar de hierna te noemen rolzitting voor het nemen van een akte, eerst door Themenos en twee weken daarna door PPOZ.

4.8. Alle overige beslissingen worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 mei 2007 voor het nemen van een akte door Themenos over hetgeen is vermeld onder rechtsoverweging 4.7.,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2007.