Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA5463

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/6350
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Raad voor Rechtsbijstand (RvR) weigert een toevoeging in een zaak over uithuisplaatsing van een tweede zoon van eiseres. Volgens de RvR valt de aanvraag onder het bereik van de eerder verleende toevoeging, namelijk voor een geschil over uithuisplaatsing van de andere zoon. De rechtbank vindt dit niet en oordeelt dat er sprake is van twee rechtsbelangen. Het geschil over de uithuisplaatsing van de ene zoon verschilt, gezien de verschillen in feitelijke en inhoudelijk juridische omstandigheden, duidelijk van het geschil over de uithuisplaatsing van de andere zoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 90

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/6350

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. L.M.J. Leerkes,

en

de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 november 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen aangezien deze betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan aanspraak op rechtsbijstand kan worden gemaakt op grond van een eerder verstrekte toevoeging.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 28 maart 2007. Eiseres is aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.E. van Schooten.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat van belang is of er sprake is van meerdere rechtsbelangen. Volgens verweerder is hier sprake van één rechtsbelang, namelijk het verweer tegen het uithuisplaatsen van de twee kinderen van eiseres, terwijl de zaken voorts nagenoeg gelijktijdig in behandeling zijn bij één instantie. Tevens is er geen sprake van dermate substantiële extra werkzaamheden dat een afzonderlijke toevoeging is gerechtvaardigd.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van hetzelfde rechtsbelang aangezien het mogelijk is dat de rechter ten aanzien van een kind wel en ten aanzien van een ander kind geen machtiging uithuisplaatsing verleent. Daarbij is er volgens eiseres in dit geval ook geen sprake van dezelfde achterliggende problematiek aangezien het ene kind als gevolg van een taal-en spraakstoornis moeilijkheden heeft op school en het andere kind niet.

Uit de gedingstukken leidt de rechtbank het volgende af. Eiseres heeft twee zoons, [zoon 1] en [zoon 2], welke tot 15 november 2006 onder toezicht zijn gesteld van Bureau Jeugdzorg Overijssel (hierna: Bureau Jeugdzorg). Door Bureau Jeugdzorg is op 28 april 2006 bij de kinderrechter van rechtbank Zwolle-Lelystad een verzoek ingediend tot machtiging voor uithuisplaatsing van de jongste zoon van eiseres, [zoon 2]. Bij besluit van 22 juni 2006, kenmerk 2CS4794, heeft verweerder aan eiseres een toevoeging verleend voor rechtsbijstand in deze zaak met de omschrijving: “verweer UHP minderj. zoon”. Bij verzoek van 23 mei 2006 heeft Bureau Jeugdzorg verzocht om een machtiging voor uithuisplaatsing van de andere zoon van eiseres, [zoon 1]. Op 29 mei 2006 heeft eiseres verzocht om een nieuwe toevoeging, namelijk ten behoeve van rechtsbijstand in de zaak betreffende de uithuisplaatsing van [zoon 1]. In het kader van het verweer tegen beide verzoeken van Bureau Jeugdzorg heeft de advocaat van eiseres twee verweerschriften ingediend, van 30 mei 2006 in de zaak over [zoon 2] en van 31 mei 2006 in de zaak over [zoon 1].

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Ingevolge artikel 32 geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State reeds meerdere malen heeft overwogen volgt uit de artikelen 28 en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang bezien, dat slechts meerdere toevoegingen ten behoeve van dezelfde rechtzoekende kunnen worden verstrekt, indien sprake is van diversiteit van rechtsbelangen of, wanneer sprake van eenzelfde rechtsbelang, van diversiteit van procedures.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van hetzelfde rechtsbelang komt het naar het oordeel van de rechtbank vooral aan op het zelfstandige karakter van het geschil en de omvang van de door de rechtshulpverlener te verrichten werkzaamheden. Daarbij komt het in het bijzonder aan op de verschillen in procedurele, feitelijke en inhoudelijk juridische omstandigheden van de betrokken zaken. Indien de twee geschillen, gemeten aan deze maatstaven, duidelijk verschillen, is sprake van verschillende rechtsbelangen op grond waarvan meerdere toevoegingen moeten worden verstrekt.

In het licht van de hiervoor vermelde maatstaf is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van twee rechtsbelangen. Hiertoe acht de rechtbank ten eerste van belang dat eiseres twee kinderen heeft voor wie middels twee afzonderlijke machtigingen om uithuisplaatsing is verzocht, tegen welke verzoeken eiseres zich in beide gevallen wenst te verzetten.

De rechtbank neemt voorts in ogenschouw dat in het algemeen geldt dat kinderen -ook al zijn ze aan elkaar verwant en leven zij binnen hetzelfde gezin- verschillend (kunnen) zijn in diverse zaken zoals in karakter, ontwikkeling, opvattingen, relatie met hun ouders, en in hun positie binnen een gezin c.q. vervangend tehuis. Bij de beoordeling door de kinderrechter in een geschil over uithuisplaatsing zullen voornoemde zaken van belang zijn en zal de rechter zich hierover in het licht van de door hem toe te passen regelgeving, per kind een beeld trachten te vormen.

Bovenstaande ziet de rechtbank bevestigd in de verweerschriften die namens eiseres zijn ingediend aangezien daaruit blijkt dat elk kind met zijn eigen problematiek kampt en dat per kind verschillende therapieën en interventies nodig zijn (geweest) om te komen tot een oplossing daarvan.

Dit maakt dat in onderhavig geval het geschil over de uithuisplaatsing van [zoon 1] gezien de verschillen in feitelijke en inhoudelijk juridische omstandigheden duidelijk verschilt van het geschil over de uithuisplaatsing van [zoon 2]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van twee verschillende rechtsbelangen. Verweerder heeft derhalve ten

onrechte de aanvraag van eiseres afgewezen.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 28, eerste lid, onder b, van de Wrb zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 322 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen hier is overwogen;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 38 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M.A. van Eck, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: