Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA5373

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-01-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
129315
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 129315 / HA ZA 05-1294

Vonnis van 3 januari 2007

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROEN INVEST NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Veldhoven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GIN GRONDEXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Utrecht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GIN BOMENEXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseressen,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. G.J.R. Kalsbeek te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALTERRA B.V.,

gevestigd te Wageningen,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. R.P. Elzas,

advocaat mr. M.J.M. Groen te Almere.

Partijen zullen hierna GIN c.s. en Alterra c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 mei 2006

- de akte van Alterra c.s.

- de antwoordakte van GIN c.s.

- de akte uitlating producties van Alterra c.s..

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. GIN c.s. verwijten Alterra c.s. dat zij onrechtmatig hebben gehandeld, omdat het door [gedaagde sub 2] ten behoeve van de uitzendingen van Netwerk opgestelde rapport op vier gronden onzorgvuldig zou zijn:

(1) Nationale-Nederlanden en Alterra zijn vertrouwelijkheid overeengekomen bij de uitvoering van de opdracht in 2000. Het had voor Alterra duidelijk moeten zijn dat die vertrouwelijkheid ook gold tegenover GIN c.s., de wederpartij van Nationale-Nederlanden. Door de opdracht van Netwerk te aanvaarden heeft Alterra de vertrouwelijkheid omzeild.

(2) De inhoud van het rapport is onzorgvuldig samengesteld. [gedaagde sub 2]s oordeel is met name onzorgvuldig omdat hij bij zijn berekeningen geen rekening heeft gehouden met de houtvolumegarantie. Verder is de publicatie verwarrend, omdat [gedaagde sub 2] ten onrechte uitgaat van de prijs van hout op stam, terwijl GIN c.s. aan haar participanten de prijs van gezaagd hout heeft toegezegd. Ten slotte heeft [gedaagde sub 2] onvoldoende rekening gehouden met het feit dat GIN c.s. een duurzame innoverende strategie volgen ten aanzien van de soort hout Robinia pseudoacacia (hierna: de robinia), de ketenbenadering en de omvang van de bosarealen.

(3) Omdat het rapport publiekelijk op televisie bekend werd gemaakt, rustte op [gedaagde sub 2] de plicht het rapport zo zorgvuldig en objectief mogelijk op te stellen. Dat bracht volgens GIN c.s. onder andere mee dat [gedaagde sub 2] aan hen een concept ter beschikking had moeten stellen, waarop zij had kunnen reageren.

(4) Alterra c.s. zijn volgens GIN c.s. onvoldoende deskundig om een oordeel te geven over de mogelijkheden van innovatie, productie en gebruik van de robinia.

De inhoud van het rapport (ad 2)

2.2. Alterra (en [gedaagde sub 2]) zijn door Netwerk benaderd, omdat zij deskundig zijn op het gebied van de teelt van de robinia. Alterra had in 2002 het rapport “Mogelijkheden en beperkingen van de teelt van Robiniahout in Nederland” – hierna naar het publicatienummer het rapport 678 genoemd – gepubliceerd, waarvan [gedaagde sub 2] een van de auteurs was. Netwerk heeft Alterra opdracht gegeven onderzoek te doen naar de rendementsclaims van GIN c.s., zoals gepubliceerd in verkoopfolders, brochures en de website van GIN c.s.. Alterra en [gedaagde sub 2] wisten – of behoorden te weten – dat hun onderzoeksresultaten, vooral als deze negatief over GIN c.s. zouden zijn, zouden worden uitgezonden in een aflevering van Netwerk en zo aan een breed publiek bekend zouden worden gemaakt. Alterra en [gedaagde sub 2] behoorden te weten dat een negatief oordeel over de rendementsclaims hoogstwaarschijnlijk negatieve gevolgen voor de omzet van GIN c.s. zou hebben.

2.3. Als gezaghebbend kennisinstituut van Wageningen UR diende Alterra zich bewust te zijn van de impact van haar oordeel over de rendementsclaims van GIN c.s.. Ook [gedaagde sub 2] diende zich daarvan bewust te zijn. Zij dienden bij de uitvoering van de opdracht – als redelijk bekwame en redelijk handelende deskundigen – rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van GIN c.s.. Tegelijkertijd behoefden de belangen van GIN c.s. er niet aan in de weg te staan dat Alterra en [gedaagde sub 2] hun kritiek op de rendementsclaims open en volledig uitten om zo vanuit het algemeen belang het brede, ondeskundige publiek te waarschuwen voor ongefundeerde rendementsclaims. Waar het op aankomt is of Alterra en [gedaagde sub 2] de rendementsclaims van GIN c.s. zorgvuldig op hun inhoud hebben onderzocht, hun kritiek op deze rendementsclaims adequaat hebben gefundeerd op de bestaande literatuur over de teelt van de robinia en deze kritiek op neutrale en voor het brede publiek begrijpelijke manier hebben geformuleerd. Voor zover Alterra en [gedaagde sub 2] in hun onderzoek de mate van overschatting van het rendement van de belegging in GIN c.s. hebben berekend, dient deze berekening te kunnen worden herleid tot in de literatuur genoemde groeicijfers over de teelt van de robinia. Een participant of mogelijke participant in het Groengroeiplan van GIN zal immers juist op een dergelijke berekening gespitst zijn.

2.4. Het Netwerk-rapport van Alterra en [gedaagde sub 2] is buitengewoon kritisch over de rendementsclaims van GIN c.s.. In r.ov. 2.11 zijn delen uit het rapport geciteerd. Op deze plaats worden de conclusies herhaald:

“Conclusies

• De inleg voor de beplantingen is erg hoog. Dat is een moeilijke start om een belegging terug te verdienen. Zeker als men de grondprijs niet terugkrijgt, wat veel beleggers niet schijnt op te vallen.

• Een oogst op 20 jarige leeftijd van Robinia in Nederland is niet reëel, zeker niet als het de bedoeling is om veel zaaghout te oogsten.

• De groei die GIN verwacht is ongeveer een factor drie hoger dan reëel is, zelfs op goede bodems voor Robinia.

• De houtprijzen die GIN verwacht voor hout op stam zijn ongeveer een factor dertig hoger dan reëel.

• In totaal geeft dit volgens mij een ongeveer honderd keer te hoge verwachting. Beleggers kunnen volgens mij dus zelfs hun geld niet terugkrijgen, mede door de hoge inleg per oppervlakte.

• Als de prijzen inderdaad dertig keer zo laag zijn als GIN prognosticeert, zal de volumegarantie weinig compenseren van de tegenvaller voor de belegger.”

2.5. Hierna zal worden onderzocht of de kritische conclusies van Alterra en [gedaagde sub 2] voldoen aan de normen die in 2.3 zijn vermeld, in het licht van de stellingen van GIN c.s. zoals in 2.2 vermeld. Omdat [gedaagde sub 2] de auteur van het rapport is, zal hierna niet ook telkens Alterra worden vermeld.

2.6. GIN c.s. verwijten [gedaagde sub 2] dat hij in het Netwerk-rapport de rendementsclaims niet goed heeft weergegeven. Zij stellen dat [gedaagde sub 2] bij zijn conclusie dat de groei die GIN c.s. verwachten ongeveer een factor drie hoger dan reëel is, heeft miskend dat GIN c.s. aan beleggers een houtvolumegarantie heeft gegeven. De houtvolumegarantie houdt in dat als de opbrengst van robiniahout op de Nederlandse en Franse percelen tegenvalt, GIN c.s. robiniahout zullen leveren vanuit schaduwbestanden in Frankrijk en Slowakije.

2.7. Uit de laatste bullet van de conclusies, hierboven in 2.4 vermeld, blijkt dat [gedaagde sub 2] niet heeft miskend dat GIN c.s. een houtvolumegarantie heeft gegeven. Zijn redenering is dat GIN c.s. een honderd keer te hoge verwachting bij beleggers heeft gewekt en dat de volumegarantie weinig daarvan kan compenseren. Als de stelling dat de rendementsclaim van GIN c.s. een factor 100 te hoog is, juist is, is de stelling dat schaduwbestanden weinig zullen compenseren van de tegenvaller voor de belegger, correct. GIN c.s. heeft niet gesteld dat de schaduwbestanden een oppervlakte beslaan die een factor 100 groter is dan die van de gewone percelen.

2.8. In de tweede plaats verwijten GIN c.s. dat [gedaagde sub 2] bij zijn oordeel dat GIN c.s. de verwachte houtprijs een factor 30 te hoog voorstellen, heeft miskend dat GIN c.s. uitgaan van de prijs voor gezaagd hout en niet van de prijs voor hout op stam.

2.9. [gedaagde sub 2]s redenering is in essentie (1) dat GIN c.s. uitgaan van een opbrengst voor de belegger bij een kap na 20 jaar op basis van de prijs van gezaagd hout, (2) dat volgens de algemene voorwaarden van het Groengroeiplan de kosten van onder meer kappen, vervoeren, zagen, drogen, bekantrechten van het hout voor rekening van de participant zijn, (3) dat GIN c.s. deze kosten in hun reclamemateriaal schatten op 3% van de houtopbrengst, maar dat deze in werkelijkheid veel hoger zijn, (4) waardoor het realistischer is om bij een kap na 20 jaar uit te gaan van een prijs voor hout op stam. Uitgaande van een prijs op stam taxeren GIN c.s. de houtopbrengst volgens [gedaagde sub 2] een factor 30 te hoog. [gedaagde sub 2] heeft zich daarbij gebaseerd op de prijzen voor robiniahout op stam, vermeld in het rapport 678. Verder heeft zij de opbrengst van de robinia bij een kap na 20 jaar ook ontleend aan het rapport 678. Dit oordeel is mede gebaseerd op de vaststelling door [gedaagde sub 2] dat GIN c.s. de prijsontwikkeling van het robiniahout niet heeft gecorrigeerd met de inflatie en op zijn oordeel dat het niet verantwoord was om de prijsontwikkeling van het robiniahout direct te vergelijken met die van goed tropisch hardhout, omdat de kwaliteit daarvan hoger is. Deze gedachtegang hebben GIN c.s. op de keper beschouwd niet, en in ieder geval niet voldoende bestreden. Met name hebben zij geen helderheid kunnen geven, hoe het mogelijk is dat zij de kap- en verwerkingskosten op 3% van de opbrengst voor gezaagd hout taxeren, terwijl daarmee de nodige arbeid is gemoeid en met name het zagen leidt tot het nodige houtverlies. Dit verwijt aan [gedaagde sub 2] is daarom niet terecht.

Deskundigheid (ad 4)

2.10. GIN c.s. stellen dat [gedaagde sub 2] in zijn rapport onvoldoende heeft onderkend dat zij een duurzame, innoverende strategie met ketenbenadering volgen, bovendien op veel grotere arealen dan gebruikelijk in de bosbouw en voorts dat [gedaagde sub 2] daarom over onvoldoende deskundigheid beschikte. Deze stelling is te weinig uitgewerkt om tot het oordeel te kunnen leiden dat [gedaagde sub 2] zich daarom niet had mogen baseren op de gegevens, zoals die voorkomen in de literatuur over de teelt van de robinia. De stelling wordt daarom verworpen.

Vertrouwelijkheid (ad 1)

2.11. Alterra heeft in 2000 in opdracht van Nationale-Nederlanden een veldonderzoek gedaan naar enkele bosarealen van GIN c.s. en daarover vertrouwelijk gerapporteerd aan Nationale-Nederlanden. Deze met Nationale-Nederlanden overeengekomen vertrouwelijkheid stond er niet aan in de weg dat Alterra in 2003 een opdracht van Netwerk aanvaardde om de reclame-uitingen van GIN c.s. te toetsen aan de gangbare opvattingen in de literatuur over de teelt van de robinia. Alterra zou alleen dan de vertrouwelijkheid tegenover Nationale-Nederlanden hebben geschonden, als zij in het Netwerk-rapport gegevens zou hebben onthuld uit het rapport voor Nationale-Nederlanden. Alterra heeft gesteld dat dit niet is gebeurd. Uit het Netwerk-rapport blijkt inderdaad dat gegevens uit brochures e.d. zijn vergeleken met de literatuur over de robinia. Er komen geen gegevens over veldonderzoek voor. Dit betekent dat dit verwijt aan Alterra c.s. ongegrond is.

Hoor en wederhoor (ad 3)

2.12. GIN c.s. stellen dat Alterra c.s. gezien de grote gevolgen die het rapport voor hun organisatie zou inhouden, hun een concept van het rapport hadden moeten sturen. Door dat na te laten, hebben zij onrechtmatig tegenover GIN c.s. gehandeld. Deze stelling wordt verworpen. Mede in het licht van de in art. 10 EVRM verankerde vrijheid van meningsuiting is er geen rechtsregel die meebrengt dat Alterra c.s. in dit geval het rapport pas openbaar mochten laten maken, nadat zij dit eerst in concept aan GIN c.s. hadden voorgelegd. In dit geval heeft Netwerk GIN c.s. bovendien de gelegenheid geboden op het rapport te reageren. Er is daarom aan GIN c.s. de mogelijkheid gegeven over het rapport in debat te treden en hun visie te geven.

2.13. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat Alterra c.s. onzorgvuldig tegenover GIN c.s. hebben gehandeld en dat de vordering van GIN c.s. zal worden afgewezen.

2.14. GIN c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Alterra c.s. worden begroot op:

- vast recht EUR 244,00

- salaris procureur 1.582,00 (3,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.826,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt GIN c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Alterra c.s. tot op heden begroot op EUR 1.826,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2007.