Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA5081

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05/950254-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft een 39-jarige man uit Dieren vandaag veroordeeld voor moord op zijn ex-vriendin op 11 november 2005 in zijn woonplaats. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf op van 14 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/950254-05

Data zittingen : 17 februari 2006, 2 mei 2006, 18 juli 2006, 3 oktober 2006,

21 november 2006, 15 februari 2007, 1 mei 2007

Datum uitspraak :: 15 mei 2007

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Ir.Molsweg 5

Arnhem.

Raadsman : mr. J.P Plasman, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 november 2005 te Dieren, gemeente Rheden, opzettelijk en

met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin

bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans

na een (kort) tevoren genomen besluit, voornoemde [slachtoffer] een of meerdere

ma(a)l(en) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het

lichaam heeft gestoken/gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 11 november 2005 te Dieren, gemeente Rheden, opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte

opzettelijk voornoemde [slachtoffer] een of meerdere ma(a)l(en) met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam heeft

gestoken/gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 11 november 2005 te Dieren, gemeente Rheden en/of Loenen,

gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig,

(personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de

Wegenverkeerswet 1994, 1,56 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 21 november 2006, 15 februari 2007 en 1 mei 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is - behoudens op 15 februari 2007 - bijgestaan door mr. J.P Plasman, advocaat te Amsterdam.

Als benadeelde partij hebben zich ten aanzien van feit 1 in het geding gevoegd de erfgenamen van [slachtoffer] en hebben daartoe gemachtigd [naam], die telkens ter terechtzitting is verschenen, vertegenwoordigd door mr. C.W. Langereis, advocaat te Zevenaar.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot: een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij tot

een bedrag van € 9.425,77 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 77 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder verdachte inbeslaggenomen mes waarmee het misdrijf is begaan, wordt onttrokken aan het verkeer en de overige inbeslaggenomen goederen teruggegeven zullen worden aan de rechthebbende(n).

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Op 11 november 2005 omstreeks 21.15 uur werd [slachtoffer] door haar vriendin [naam] en haar benedenbuurman [naam] in haar woning op de vloer van de badkamer onder het bloed aangetroffen. Vlak daarvoor hadden [naam] en [naam] verdachte de woning van [slachtoffer] zien verlaten. [slachtoffer] bleek op diverse plaatsen in haar lichaam te zijn gestoken. Enige tijd later werd door ambulancepersoneel vastgesteld dat [slachtoffer] was overleden.

Blijkens het sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is er sprake van een groot aantal steekletsels en verklaren deze zonder meer het intreden van de dood van [slachtoffer] .

Reeds op grond van de uitslag van het door het NFI verrichte sporenonderzoek en de verklaringen van [naam] en [naam] kan naar het oordeel van de rechtbank als vaststaand worden aangenomen dat verdachte de steekletsels heeft toegebracht en dat hij dit heeft gedaan met een mes.

In de door hem op 13 en 14 juli 2006 tegenover de politie afgelegde verklaringen heeft verdachte voor het eerst toegegeven dat hij degene is geweest die [slachtoffer] de dodelijke messteken heeft toegebracht. Het zou echter niet zijn bedoeling zijn geweest haar te doden.

In hoofdzaak heeft verdachte het volgende verklaard over de omstandigheden waaronder hij tot zijn daad is gekomen.

Op 11 november 2005 in de avond heeft verdachte zich begeven naar de woning van [slachtoffer] om haar een geleend geldbedrag terug te geven en om met haar te praten. Nadat hij aanvankelijk tevergeefs bij haar had aangebeld, is hij naar de in de nabijheid gelegen woning van zijn ex-echtgenote gegaan en heeft hij daar ten behoeve van zijn zoon een enveloppe met geld in de brievenbus gedaan. Nadien is verdachte opnieuw naar de woning van [slachtoffer] gegaan om met haar te praten en haar iets uit te leggen. Zij was ditmaal wel thuis, maar wilde hem niet binnenlaten en zij schreeuwde van achter de gesloten voordeur allerlei lelijke dingen naar hem, waardoor verdachte boos werd. Daarop heeft verdachte een paar maal tegen het glas van de voordeur geslagen, waarna dit brak. Vervolgens heeft verdachte via de ontstane opening de voordeur van binnenuit geopend en is hij de trap van de (boven)woning opgelopen.

Bovengekomen keek verdachte om zich heen, maar zag hij niemand. Verdachte wilde de deur van de badkamer openen, omdat [slachtoffer] daar zou kunnen zijn en hij nog steeds met haar wilde praten. Die deur zat echter op slot, waarna verdachte tegen het glas, dat zich in het bovenste deel van die deur bevond, heeft geslagen waardoor dit brak. Om het slot van binnenuit te kunnen openen, is verdachte met zijn bovenlichaam door de raamopening gegaan. Hij zag toen van achter een dichtgetrokken douchegordijn een hand met daarin een mes tevoorschijn komen, zonder te weten of dat een hand van [slachtoffer] of van een ander was. Verdachte wilde het mes bemachtigen en heeft daarom de hand en het mes vastgepakt. Daarop werd er teruggetrokken waardoor verdachte door de raamopening gleed en met zijn hoofd op de grond terechtkwam. Verdachte voelde dat hij werd aangevallen en er kwam een andere persoon op hem terecht, die aan het zicht was onttrokken door het douchegordijn. Daarop heeft verdachte terwijl hij het mes vasthield zwaaiende bewegingen met beide armen gemaakt om overeind te komen. Toen hij eenmaal stond en het douchegordijn had weggetrokken, zag hij [slachtoffer] liggen en zag hij wat hij had aangericht. Vervolgens heeft verdachte, met medeneming van het mes, in paniek de woning verlaten.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of aannemelijk is dat de lezing van verdachte op waarheid berust. Zij overweegt in dit verband het volgende.

Val op de grond

Tijdens de op 15 februari 2007 gehouden reconstructie heeft verdachte gedemonstreerd hoe hij na het stukslaan van de ruit van de badkamerdeur met zijn bovenlichaam door de ontstane opening zou zijn gegaan bij zijn poging die deur van binnenuit te openen. De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte na een resolute sprong iets boven zijn middel op de onderste rand van de raamopening terechtkwam en vanuit die positie het slot aan de binnenkant kon bereiken.

Nadien heeft verdachte verdere medewerking aan de reconstructie geweigerd, naar hij aangaf omdat het hem emotioneel teveel werd.

Vervolgens heeft een figurant dezelfde positie als verdachte in de raamopening van de badkamerdeur ingenomen en zich vervolgens verder naar binnen en naar de grond gewerkt.

De rechtbank heeft waargenomen dat het de figurant grote moeite kostte vanuit zijn aanvangspositie verder door de raamopening te komen. Op grond van deze waarneming acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat verdachte naar binnen getrokken is nadat hij een door hem waargenomen hand met daarin een mes had vastgepakt. Daaraan doet niet af dat de figurant een iets groter en steviger postuur heeft dan verdachte. Overigens is minder begrijpelijk waarom verdachte bij het zien van de hand met daarin het mes in paniek daarnaar zou grijpen in plaats van zich weer uit de raamopening te werken.

Letsel door zwaaiende bewegingen

Dat het bij [slachtoffer] ontstane letsel het gevolg is geweest van door verdachte in onderop liggende positie gemaakte zwaaiende bewegingen met het mes, is onverenigbaar met het oordeel van de arts/patholoog F.R.W. van de Goot . In zijn brief van 26 april 2007 stelt deze deskundige onder meer:

“Aan het lichaam waren vele steekletsels. Er waren o.a. twee doorsteken door de linker arm waarbij bij de steek door de linker bovenarm het steekkanaal verder te vervolgen was in de romp. Er waren o.a. steekkanaallengten, gemeten aan het lichaam in horizontale en gestrekte positie, van circa 13 cm”

Gezien de ernst van de steekletsels (…) en vele diepe insteken in de romp kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten dat dergelijk letsel kan worden opgeleverd door een persoon in een “half liggende/staande houding” welke min of meer zwaaiende bewegingen met een mes maakt, zoals ik mij een "half liggende/staande positie” voorstel.

Daar komt nog bij dat op het lichaam vrijwel geen krassporen of snijwonden aanwezig zijn die verwacht zouden worden bij het min of meer heen en weer zwaaien met een mes.

Voorts acht de rechtbank de lezing van verdachte op dit punt ook niet verenigbaar met de omstandigheid dat op de jas die verdachte droeg slechts een kleine hoeveelheid bloed is aangetroffen.

Gemoedstoestand

Dat verdachte heeft gehandeld vanuit paniek verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de wijze waarop hij, zoals door [naam] en [naam] is waargenomen, de woning heeft verlaten en zijns weegs is gegaan. Zou verdachte werkelijk in paniek zijn geraakt door wat hij had aangericht en enige compassie met [slachtoffer] hebben gehad, dan zou hij in plaats van [naam] van zich af te schudden toen deze hem volgde, hem toch tenminste hebben toegeroepen dat er geen tijd te verliezen was en dat onmiddellijk een ambulance moest worden besteld. Maar in plaats daarvan bedacht verdachte, naar hij heeft verklaard, dat er anderen ter plaatse waren en dat die, na het aantreffen van [slachtoffer], wel spoedeisende hulp zouden regelen.

Ook de aard van het toegebrachte letsel duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat

er niet gestoken is in een toestand van paniek, maar als uiting van agressie.

Herkomst van het mes

Aangenomen kan worden dat [slachtoffer] zich uit angst voor verdachte in de badkamer heeft opgesloten. In de lezing van verdachte ligt besloten dat [slachtoffer] toen een mes bij zich had. Hoewel die mogelijkheid naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid kan worden uitgesloten, acht zij dit om de volgende redenen uiterst onwaarschijnlijk.

Tijdens het voorlaatste gesprek tussen [slachtoffer] en haar vriendin [naam] op 11 november 2005 om 21.09 uur gaat de voordeurbel en spreekt [slachtoffer] het vermoeden uit dat dat verdachte wel zal zijn. Op de vraag van [naam] of zij naar [slachtoffer] moet toekomen, antwoordt [slachtoffer] dat dat niet hoeft en dat zij de deur toch niet opendoet . Op dat moment gaf [slachtoffer] nog geen blijk van angst. Een motief om een mes te pakken, kan er voor [slachtoffer] pas zijn geweest op het moment dat haar duidelijk werd dat verdachte op het punt stond haar woning binnen te dringen.

Dat zou haar wel enige tijd kosten, met het risico dat zij zich niet meer voordat verdachte boven was, in de badkamer zou kunnen opsluiten. Het lag veeleer in de rede dat [slachtoffer] alles in het werk zou stellen om de nog geen 150 meter verderop wonende [naam] alsnog zo spoedig mogelijk naar haar toe te laten komen door haar - zoals ze ook heeft gedaan - opnieuw te bellen. Voorts acht de rechtbank het moeilijk voorstelbaar dat [slachtoffer] tezelfdertijd én haar mobiele telefoon én een mes zou hebben gehanteerd en dan ook nog kans zou hebben gezien de badkamerdeur af te sluiten.

Wat de rechtbank verder onwaarschijnlijk acht is dat [slachtoffer] nu juist het mes waarmee zij

door verdachte is gestoken, zou hebben gepakt. Uit onderzoek is gebleken dat dit mes komt uit dezelfde productielijn als de messen die zijn aangetroffen in de woning van de ouders van verdachte, waar verdachte ook woonachtig was, en dat eenzelfde mes ontbreekt in de messenset van verdachtes ouders .

Verdachte heeft ter verklaring voor de aanwezigheid van dit mes in de woning van [slachtoffer] onder andere gezegd dat dit mes door hem enkele jaren terug bij werkzaamheden in de woning van [slachtoffer] is gebruikt, onder meer voor het snijden van gipsplaten. Daarvan uitgaande ligt het naar het oordeel van de rechtbank bepaald niet voor de hand te veronderstellen dat juist dát mes op de fatale avond als eerste voor het grijpen lag voor [slachtoffer].

Bovendien bevreemdt het de rechtbank dat verdachte met zoveel stelligheid weet te verklaren over de herkomst van het mes en wat hij daarmee in het verleden heeft gedaan, terwijl hij op

13 juli 2006 tegenover de politie heeft verklaard het mes op de hem getoonde twee foto’s daarvan niet te herkennen .

Dat verdachte pas na 8 maanden met zijn versie van het gebeuren is gekomen, doet naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf genomen reeds afbreuk aan de geloofwaardigheid daarvan, nu die verklaring in feite niet meer inhoudt dan dat het gebeuren verdachte is overkomen en dat verdachte de dood van [slachtoffer] nooit heeft gewild, hetgeen verdachte toch wel eerder had kunnen vertellen. Het feit dat verdachte bij de politie zijn verhaal wilde doen zonder daarbij te worden onderbroken door vragen die daarbij begrijpelijkerwijs aan de zijde van de verbalisanten zouden kunnen rijzen, ziet de rechtbank als een aanwijzing dat verdachte een bedacht scenario wilde presenteren in plaats van waarheidsgetrouw te verklaren wat zich op 11 november 2005 in de woning van [slachtoffer] heeft afgespeeld.

Overigens past in het door verdachte geschetste scenario, waarin van een doelbewust handelen van zijn kant geen sprake zou zijn geweest, niet verdachtes uitgesproken behoefte in het Pieter Baan Centrum vooral ook de schaduwzijden van [slachtoffer] te belichten. Dat duidt veeleer op het zoeken naar een (zekere) rechtvaardiging voor een opzettelijk verrichte handeling.

Het geheel van de hiervoor genoemde omstandigheden maakt dat de rechtbank de lezing die verdachte van het gebeuren geeft, ongeloofwaardig acht en daaraan voorbijgaat.

Opzet

Op grond van de aard van de steekletsels die [slachtoffer] zijn toegebracht en hetgeen de arts/patholoog Van de Goot daarover heeft verklaard, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] doelbewust met een veelheid van messteken om het leven heeft gebracht.

Voorbedachte raad

Voorts acht de rechtbank op grond van hetgeen is komen vast te staan over de herkomst van

het mes waarmee [slachtoffer] is gedood, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit mes bij zich droeg toen hij zich naar de woning van [slachtoffer] begaf. Nu het gaat om een mes waarvan

- gelet op soort en grootte - niet kan worden aangenomen dat verdachte dit gewoonlijk op zak had, houdt de rechtbank het er voor dat verdachte dit mes met een vooropgezet plan heeft meegenomen. Als verdachte al niet zonder meer vastbesloten was [slachtoffer] te doden, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval de mogelijkheid overwogen haar te doden in geval zij niet op de in zijn ogen gepaste wijze op zijn bezoek aan haar zou reageren. Derhalve heeft verdachte zich in ieder geval vooraf rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen van zijn handelen en is er daarom sprake van voorbedachte raad.

Op welke wijze verdachte de badkamer is binnengedrongen, is niet met zekerheid vast te stellen. Het meest waarschijnlijk acht de rechtbank dat verdachte, na het forceren van het glas in de badkamerdeur, het slot van binnenuit heeft opengemaakt. De aangetroffen sporen op het slot aan de buitenzijde bezigt de rechtbank niet voor het bewijs. Ook al zou komen vast te staan dat die sporen afkomstig zijn van het gebruikte mes, dan is daarmee nog niet gezegd dat verdachte het slot van buitenaf met het mes heeft opgemaakt. Evenzeer is in dat geval mogelijk dat verdachte tevergeefs heeft geprobeerd dit te doen. Aan dit punt kan de rechtbank echter voorbijgaan, nu zij om de hiervoor genoemde redenen reeds aanneemt dat verdachte toen hij zich naar de woning van [slachtoffer] begaf, het mes al bij zich droeg.

Motief

Onder meer uit de verklaring van [naam] en de SMS-berichten tussen [slachtoffer] en verdachte kan worden afgeleid dat [slachtoffer] in de weken voor haar gewelddadige dood had besloten de relatie met verdachte definitief te verbreken en dat verdachte vermoedde dat er een andere man in het spel was.

Verdachte heeft zowel de relatiebreuk als problemen zijnerzijds daarmee ontkend. De SMS- berichten van verdachte aan [slachtoffer] van 3 november 2005, 18.38 uur en 7 november 2005, 00.15 uur acht de rechtbank hiermee in tegenspraak. Daarin laat verdachte [slachtoffer] weten dat zij hem echt in zijn ziel heeft getrapt en dat er een dag komt dat zij in een flits gaat denken: ik had dit allemaal niet bij hem moeten doen. De bewering van verdachte dat dergelijke uitlatingen geheel passen in de wijze waarop hij en [slachtoffer] in een emotionele gemoedstoestand plachten te communiceren, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Ook de boosheid die zich naar eigen zeggen van verdachte meester maakte toen [slachtoffer] vanachter de voordeur allerlei lelijke dingen naar hem schreeuwde - hetgeen volgens verdachte wel vaker gebeurde -, duidt erop dat

het om iets wezenlijk anders ging dan om de gemoedstoestand waarin verdachte bij eerder emotionele aanvaringen met [slachtoffer] verkeerde.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 11 november 2005 te Dieren, gemeente Rheden, opzettelijk en

met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin

bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans

na een (kort) tevoren genomen besluit, voornoemde [slachtoffer] een of meerdere

malen met een mes, in het

lichaam heeft gestoken tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden.

Tevens acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat

2.

hij op 11 november 2005 in Nederland, als bestuurder van een voertuig,

(personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de

Wegenverkeerswet 1994, 1,56 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van

het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

“moord”

Ten aanzien van feit 2:

“overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994”

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten, met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte, gedateerd

31 oktober 2006;

- een rapportage van de Reclassering Nederland, d.d. 24 januari 2006;

- een voorlichtingsrapportage van de psychiatrische observatiekliniek Pieter Baan Centrum d.d. 21 april 2006;

- een rapportage van de GZ-psycholoog, P. Kristensen, van de Forensisch Psychiatrische Dienst, Arnhem, d.d. 24 september 2006;

- een rapportage van psychiater Offermans, van de Forensisch Psychiatrische Dienst, Arnhem, d.d. 28 september 2006;

- een multidisciplinaire rapportage van de psychiatrische observatiekliniek Pieter Baan Centrum van 13 april 2007.

Aan laatstgenoemd rapport ontleent de rechtbank het volgende:

“Betrokkene is een 39-jarige, Nederlandse man van Turkse afkomst die goed is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. Hij imponeert als een controlebehoeftige man die moeilijk of verminderd contact heeft met zijn emotionele gevoelens, waaronder boosheid en mogelijk ook krenking, maar niet is gebleken dat betrokkene hierdoor in significante mate lijdt of wordt gehinderd in zijn functioneren. Tijdens dit onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van enige psychische stoornis. (…) Het onderzoekend team concludeert dat de informatie over de precieze toedracht van hetgeen betrokkene ten laste is gelegd tot op zekere hoogte beperkt is. Het komt het onderzoekend team als waarschijnlijk voor dat betrokkene de afwijzing door het slachtoffer als krenkend heeft ervaren en in grote woede ontstak, leidende tot de agressieve ontlading naar het slachtoffer, indien bewezen. Op basis van het huidige onderzoek kan echter niet worden gesteld dat de krenkbaarheid van betrokkene in pathologische termen omschreven kan worden.”

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft een jonge vrouw, die aan het begin stond van een periode waarin zij weer opbloeide, op een gruwelijke wijze vermoord door haar vele malen te steken met een mes. Zij was, nadat verdachte eenmaal de badkamer waar zij zich had opgesloten was binnengedrongen, volkomen kansloos en terwijl zij voorbereidingen voor een avondje stappen trof, werd zij door verdachte op een meedogenloze wijze omgebracht.

Dit op zichzelf reeds buitengewoon ernstige feit heeft groot en onherstelbaar leed aan de nabestaanden van het slachtoffer toegebracht en heeft naar moet worden aangenomen tevens geleid tot traumatisering van degenen die [slachtoffer] stervend in de badkamer hebben aangetroffen en tevergeefs hebben getracht haar leven te redden.

Verdachte is tot zijn daad gekomen omdat hij zich ernstig gekrenkt voelde doordat [slachtoffer] had besloten hem uit haar leven te bannen. Het getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de eigen wil en integriteit van de ander om om die reden een dergelijke ultieme daad te stellen.

Het heeft overigens de aandacht van de rechtbank getrokken dat verdachte tot in zijn laatste woord toe rationeel en vrijwel onbewogen over het gebeuren spreekt en vooral emotie toont als het gaat om de situatie waarin hijzélf als gevolg van zijn handelen is terechtgekomen. De rechtbank houdt echter rekening met de mogelijkheid dat verdachte niet met zijn zelfbeeld kan verenigen dat hij de controle over zijn handelen volkomen is verloren en in staat is gebleken tot het plegen van zijn daad en dat hij om die reden is vervallen in een hardnekkige ontkenning van hetgeen zich werkelijkheid heeft voorgedaan.

Het spreekt voor zich dat een zeer langdurige vrijheidsstraf de enige passende reactie is op het door verdachte begane misdrijf. Bij de bepaling van de duur van die straf houdt de rechtbank ook rekening met de gemiddelde duur van de straf die hier te lande in geval van moord pleegt te worden opgelegd. Een en ander brengt mee dat de op te leggen straf enigszins lager zal zijn dan de door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen zoals omschreven op de beslaglijst, welke aan dit proces-verbaal is aangehecht, in beginsel aan de rechthebbende worden teruggegeven.

Het inbeslaggenomen mes waarmee het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit onder 1 primair is gepleegd dient te worden onttrok¬ken aan het verkeer.

6a. De beoordeling van de civiele vordering terzake feit 1 primair, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

[naam] heeft namens de erfgenamen van [slachtoffer] overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De rechtbank zal deze vordering tot een bedrag van € 9.425,77 toewijzen ter zake van begrafeniskosten, kosten voor een gedenksteen, notariskosten en schoonmaakkosten.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake vergoeding van schade omdat dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Voor het toewijsbare deel van de vordering van de benadeelde partij geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36f, 57, 91 en 289 van het Wetboek van Strafrecht

en de artikelen 8, 176 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- het mes waarmee het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit onder 1 primair is gepleegd.

Beveelt de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals omschreven in de aangehechte beslaglijst, aan de rechthebbende.

De beslissing op de vordering ter zake feit 1 primair van de benadeelde partijen, zijnde de erfgenamen van [slachtoffer], vertegenwoordigd door [naam].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [naam], gemachtigd namens de erfgenamen van [slachtoffer], vertegenwoordigd door mr. C.W. Langereis wonende te [adres], te betalen € 9.425,77 (zegge negenduidendvierhonderdvijfentwintig euro zevenenzeventig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad € 9.425,77, subsidiair 77 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van [naam], gemachtigd namens de erfgenamen van [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 9.425,77, (zegge negenduidendvierhonderd-vijfentwintig euro zevenenzeventig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 77 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. J.H.M. Westenbroek, rechter als voorzitter,

mr. J.P. Bordes rechter,

mr. M.C. Gerritsen, rechter,

en mr. M.C.A. Plantenga, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 mei 2007.