Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA4556

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
05/900133-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geldboetes en celstraffen voor valsheid in geschrift, corruptie en heling

De rechtbank Arnhem heeft op 3 mei een ambtenaar van de Rijksgebouwendienst, een ingehuurde directievoerder, een aannemingsbedrijf en haar directeur veroordeeld tot gevangenisstraffen en geldboetes.

De ambtenaar van de Rijksgebouwendienst is veroordeeld voor jarenlange ambtelijke corruptie (o.a. door het zich laten fêteren door een aannemer), heling van een rijkseigendom en valsheid in geschrift tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan vijf voorwaardelijk.

De rechtbank heeft de door de Rijksgebouwendienst ingehuurde directievoerder veroordeeld wegens corruptie (o.a. door het zich laten fêteren door een aannemer), valsheid in geschrift en diefstal van rijkseigendommen tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan drie voorwaardelijk.

Het aannemingsbedrijf en de directeur zijn veroordeeld tot geldboetes van respectievelijk € 10.000,=, waarvan € 5.000,= voorwaardelijk en € 2.500,= wegens valsheid in geschrift (valse factuur voor niet-uitgevoerde werkzaamheden). De achtergrond van deze valsheid hield verband met het omkopen van de ambtenaar van de Rijksgebouwendienst en de door deze dienst ingehuurde directievoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/900133-05

Datum zitting : 11 mei 2006, 7 december 2006 en 20 april 2007

Datum uitspraak : 3 mei 2007

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [geboorteplaats],

Raadsman : mr. J.W. Verhoef, advocaat te Uithoorn.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Aannemersbedrijf [verdachte] en Zonen BV op of omstreeks 3 december 1996 te Huizen

en/of elders in Nederland, een geschrift, te weten:

een declaratie/factuur van 3 december 1996, genummerd 300001/96423, referentie nummer: JB/jb/10096128 (project/object Douane Fultonbaan Nieuwe Gein, ii6DOA026012) (dossierpagina 110369),

zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs te dienen van het feit dat opgedragen werk (aan een in een opdracht genoemd gebouw/bouwproject van de Rijksgebouwendienst (RGD) en/of de Staat der Nederlanden) volledig en correct is verricht, althans om tot bewijs te dienen van enig feit, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken, bestaande de valsheid hierin dat verdachte opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid op de factuur schriftelijk heeft vermeld/verklaard en/of heeft doen vermelden -zakelijk weergegeven-

- dat de in de factuur genoemde opdracht volledig en correct was verricht en/of

- dat de gedeclareerde goederen en/of diensten werden geleverd ten behoeve van het in de opdracht genoemde project en/of object van de RGD en/of de Staat der Nederlanden en/of

- het betreffende geschrift heeft ondertekend en/of heeft doen ondertekenen als ware het overeenkomstig de waarheid ingevuld,

een en ander met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hij, verdachte, heeft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot dat feit opdracht gegeven, althans feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 11 mei 2006, 7 december 2006 en 20 april 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.W. Verhoef, advocaat te Uithoorn.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot: een geldboete ten bedrage van € 2.500,--, subsidiair te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De bevoegdheid van de rechtbank

Door de raadsman is aangevoerd dat de rechtbank Arnhem niet bevoegd is kennis te nemen van de onderhavige strafzaak. Daartoe is door hem, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De officier van justitie heeft bewust de keuze gemaakt [betrokkene 1] niet in deze zaak als verdachte op te voeren, althans niet zodanig dat de rechtbank in het kader van de zogenaamde megazaak een oordeel zal kunnen vormen over de gedragingen van de verdachte [betrokkene 1] en diens positie binnen het Aannemersbedrijf [verdachte] en Zn B.V. en jegens zijn broer [verdachte]. Naar het oordeel van de raadsman heeft de officier van justitie zelf de tactiek bepaald en gekozen de zaak tegen [betrokkene 1] los te koppelen.

Dientengevolge is geen sprake meer van een megazaak weshalve de rechtbank Arnhem niet langer bevoegd is de zaak tegen verdachte af te doen. Naar het oordeel van de raadsman dient de zaak te worden voortgezet en te worden aangebracht bij de rechtbank te Amsterdam.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Naar het oordeel van de rechtbank is de rechtbank Arnhem op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid Sv bevoegd kennis te nemen van deze zaak. De rechtbank doelt daarbij op de bepaling waaruit volgt dat die rechtbank bevoegd is om over de zaak te oordelen binnen welk rechtsgebied verdachte zich bevindt. Nu verdachte op 8 april 2005 is voorgeleid bij de rechter-commissaris te Arnhem en door deze rechter-commissaris in bewaring is gesteld acht de rechtbank zich bevoegd van het strafbare feit kennis te nemen.

2b De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de raadsman is een aantal niet-ontvankelijkheidsverweren gevoerd. Daartoe heeft de raadsman, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

In de eerste plaats is de raadsman van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op basis van het gelijkheidsbeginsel nu [betrokkene 1], aldus de raadsman, niet voor zijn strafbare gedragingen in dit onderzoek wordt vervolgd.

Dit verweer verwerpt de rechtbank aangezien het elke feitelijke grondslag mist. De officier van justitie heeft tijdens de diverse terechtzittingen kenbaar gemaakt dat [betrokkene 1], net zoals overigens de verdachte en verdachte Aannemersbedrijf [verdachte] en Zn. B.V. een transactie zal worden aangeboden en inmiddels ook is aangeboden. Indien [betrokkene 1], aldus de officier van justitie, dit transactieaanbod niet accepteert zal hij, net zoals verdachte en verdachte Aannemersbedrijf [verdachte] en Zn. B.V. worden gedagvaard.

De tweede reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren is, aldus de raadsman, de omstandigheid dat tijdens de huiszoeking op 16 november 2004 stukken van de raadsman in beslag zijn genomen. Naar het oordeel van de raadsman blijkt uit de stukken dat het opsporingsteam, buiten het strafrechtelijk kader van de zaak is getreden en onderzoek daarbuiten heeft verricht naar ondermeer de verdediging en in het bijzonder naar de relatie van de raadsman met zijn cliënten.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Voor zover al stukken van de raadsman in beslag zijn genomen, welke stukken via de rechter-commissaris zijn teruggegeven, is niet aannemelijk gemaakt noch aangetoond dat daarmee doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging in deze procedure zijn geschaad. De stukken waarop de raadsman doelt betreffen, volgens zijn zeggen, correspondentie in civiele kwesties en processtukken waaronder in het bijzonder de civiele procedure gevoerd voor de rechtbank Amsterdam tussen verdachte en [betrokkene 1]. Welk verdedigingsbelang zou zijn geschaad op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard is, zoals gezegd, niet aannemelijk gemaakt, of gebleken.

Voor zover de raadsman tevens heeft willen betogen dat door de inbeslagname van voornoemde ordners sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, wordt dit verweer op dezelfde gronden als hierboven genoemd verworpen.

Een derde reden om de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uit te spreken is, aldus de raadsman, gelegen in de omstandigheid dat de inbeslagname bij verdachte Aannemersbedrijf [verdachte] en Zn. B.V. en daarmee ook bij verdachte en de vordering tot het gerechtelijk vooronderzoek (hierna: gvo) is gebaseerd op het in zijn ogen inmiddels verjaarde artikel 177 Sr.

Naar het oordeel van de raadsman heeft zowel de officier van justitie als de rechter-commissaris erkend dat zij dat over het hoofd hebben gezien.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer bij gebreke van feitelijke grondslag.

De vordering gvo, gedateerd 29 oktober 2004, welke vordering op 21 maart 2006 aan verdachte [verdachte] & Zn. BV is toegezonden, is blijkens de stukken inderdaad gebaseerd op het strafbare feit omschreven in artikel 177 Sr. Maar de vordering gvo heeft het over een pleegperiode die loopt tot en met 15 november 2004 als pleegperiode aangehaald. Zo er dus al sprake is van enige verjaring, dan niet voor de gehele periode.

Voorts is verdachte, zo blijkt uit het bevel tot inverzekeringstelling, in verzekering gesteld wegens verdenking van het plegen van valsheid in geschrift met betrekking tot facturen aan de Rijksgebouwendienst en/of oplichting gepleegd met betrekking tot bouw-, verbouw- en renovatieprojecten ten behoeve van het Ministerie van VROM, in die zin dat er is gefactureerd terwijl de werkzaamheden niet of ten behoeve van andere werk/bouwprojecten zijn aangewend, in de periode van 1 januari 1996 tot en met 15 november 2004. Verdachte is ter zake voornoemde feiten, te weten valsheid in geschrift en oplichting, aldus de vordering tot inbewaringstelling en het bevel inbewaringstelling, door de rechter-commissaris in bewaring gesteld.

De vierde door de raadsman aangevoerde reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren is gelegen in de omstandigheid dat, aldus de raadsman, buitensporige dwangmiddelen zijn toegepast waarbij de raadsman, voor wat betreft verdachte, kennelijk doelt op de inverzekeringstelling gevolgd door de inbewaringstelling met beperkingen.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. In casu is sprake van een gesloten stelsel van rechtsmiddelen wat inhoudt dat de zittingsrechter thans niet oordeelt over zaken die bij de rechter-commissaris zelf dan wel na beroep bij de raadkamer van de rechtbank, aan de orde hadden kunnen worden gesteld.

Tot slot is door de raadsman de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit op basis van schending van artikel 6 EVRM. Daartoe heeft raadsman aangevoerd dat het feit waarvan verdachte verdacht wordt dermate lang geleden is dan van verdachte niet verwacht mag worden, gelet op de grote hoeveelheid werkzaamheden welke door verdachte zijn verricht en grote hoeveelheden namens het bedrijf verstuurde facturen, dat hij daarop adequaat kan reageren.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. In het dossier bevinden zich verklaringen van getuigen en schriftelijke stukken. Het gaat dus niet alleen om subjectieve herinneringen. De wetgever heeft bovendien aan feiten een verjaringstermijn verbonden zoals omschreven in artikel 70 Sr, welke niet in strijd zijn met artikel 6 EVRM.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Aannemersbedrijf [verdachte] en Zonen BV op 3 december 1996 te Huizen een geschrift, te weten:

een declaratie/factuur van 3 december 1996, genummerd 300001/96423, referentie nummer: JB/jb/10096128 (project/object Douane Fultonbaan Nieuwe Gein, ii6DOA026012) (dossierpagina 110369),

zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs te dienen van het feit dat opgedragen werk (aan een in een opdracht genoemd gebouw/bouwproject van de Rijksgebouwendienst (RGD) en de Staat der Nederlanden) volledig en correct is verricht, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken, bestaande de valsheid hierin dat verdachte opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op de factuur schriftelijk heeft verklaard -zakelijk weergegeven-

- dat de in de factuur genoemde opdracht volledig en correct was verricht en

- dat de gedeclareerde goederen en/of diensten werden geleverd ten behoeve van het in de opdracht genoemde project en/of object van de RGD en de Staat der Nederlanden en

- het betreffende geschrift heeft ondertekend en/of heeft doen ondertekenen als ware het overeenkomstig de waarheid ingevuld,

een en ander met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging;

Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 20 april 2007 betwist dat de in bovengenoemde factuur, gedateerd 3 december 1996 en genummerd 300001/96423 bedoelde werkzaamheden niet zouden zijn verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de op voornoemde factuur genoemde werkzaamheden niet zijn verricht en de factuur aldus valselijk is opgemaakt. Dit baseert de rechtbank op de navolgende stukken.

- Het relaas van verbalisanten (pagina 110054 van het Stamproces-verbaal), onder meer inhoudende: “In voornoemd proces-verbaal 1.1.1.73 is het nadere onderzoek in de administratie van [verdachte] en Zonen BV gerelateerd. Hieruit komt naar voren dat er geen vastleggingen van manuren zijn aangetroffen in de periode gelegen tussen 18 november 1996 (datum van opdracht ii6DOA026012) en 3 december 1996 (datum van factuur 96423) die duiden op werkzaamheden aan het kantoor Fultonbaan 10 te Nieuwegein. Uit de administratie van [verdachte] en Zonen BV is verder niet gebleken van het uitbesteden van werkzaamheden aan derden met betrekking tot de te verrichten werkzaamheden aan de Fultonbaan 10 te Nieuwegein.

Wel is uit de administratie van [verdachte] en Zonen BV naar voren gekomen dat factuur 96423 is betaald door de RGD.”

- De verklaring van [getuige 1] d.d. 3 maart 2005 (pagina 120094 van het stamproces-verbaal) destijds teamleider bij de Douane inhoudende: “U toont mij nu een begroting van [verdachte] & Zn. B.V. d.d. 23 oktober 1996, nummer 1096128 en ook een opdracht van de RGD met nummer ii6DOA026012 d.d. 18 november 1996 aan [verdachte] en Zn. B.V. te Huizen. Uit laatstgenoemd stuk blijkt mij dat de datum van oplevering van die bouwkundige werkzaamheden aan de Fultonbaan te Nieuwegein voor de aanneemsom van fl. 8.349,-- moet zijn 1 december 1996. Ten tijde van de periode gelegen tussen de datum van de begroting en de vermelde datum van oplevering was ik werkzaam als teamleider aan de Fultonbaan 10 te Nieuwegein en had dus moeten weten dat die werkzaamheden zijn uitgevoerd. Daarom weet ik dat die werkzaamheden in de tijd dat ik daar werkte niet zijn uitgevoerd.”

- De verklaring van [getuige 2] d.d. 10 maart 2005 (pagina 120094 van het stamproces-verbaal) destijds teamleider bij de Douane inhoudende: “U toont mij nu een begroting van [verdachte] & Zn. B.V. nummer 1096128 d.d. 23 oktober 1996, waarop een aantal werkzaamheden zijn omschreven. De naam van het bedrijf [verdachte] & Zn. B.V. uit Huizen zegt mij niets. De in de begroting genoemde werkzaamheden zeggen mij niets. Uit de begroting blijkt, dat er twee toiletten zijn weggehaald. Dat vind ik vreemd, omdat het een nieuw gebouw is; dat geldt ook voor de posten “nalopen van het bestaande hang- en sluitwerk, vervangen van diverse TL verlichting.” Deze werkzaamheden zijn niet uitgevoerd tijdens mijn aanwezigheid. Ook zijn de in de begroting genoemde werkzaamheden niet in deze orde van grootte ter sprake gekomen tijdens de tweede oplevering.”

- De verklaring van [getuige 3] met betrekking tot opdracht iiDOA026012 (pagina 120096/120097/120098), inhoudende: “In het kader van deze raming kan ik mij niet herinneren dat ik op de Fultonbaan ben geweest omdat ik de locatie van de Douane aan de Fultonbaan 10 goed ken. (…..) Het kan goed zo zijn geweest dat die werkzaamheden op een ander project van de douane hebben plaatsgevonden. Dit kan te maken hebben met budget (…..) Het stuk is onjuist opgemaakt.”

Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 20 april 2007 verklaard dat hij de betreffende factuur, genummerd 96423, voor akkoord heeft ondertekend, daarmee aangevende dat de in die factuur vermelde werkzaamheden zijn verricht. De stelling van verdachte dat voor elke factuur zoals door het bedrijf [verdachte] en Zonen B.V. verzonden werkzaamheden zijn verricht, is niet aannemelijk geworden en wordt overigens tegengesproken door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen.

Voorts overweegt de rechtbank nog het volgende.

Van feitelijk leiding geven conform art. 51, lid 2 onder 2e Sr kan onder omstandigheden sprake zijn indien de verdachte - hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden - maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze zich zullen voordoen.

Gelet op de kleine omvang van het bedrijf, de actieve betrokkenheid van verdachte bij de bedrijfsvoering alsmede de omstandigheid dat verdachte, zoals hij verklaart, als enige verantwoordelijk was voor de uitvoering van aangenomen projecten, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte als directeur bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen te nemen ter voorkoming van de bewezen verklaarde verboden gedraging van [verdachte] & Zn. B.V., dat hij dit heeft nagelaten en bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen, en dat hij daardoor opzettelijk deze gedragingen heeft bevorderd.

De raadsman van verdachte is ter terechtzitting uitvoerig ingegaan op de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen. Naar het oordeel van de raadsman zijn de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen volstrekt onbetrouwbaar. Nu de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring geen gebruik maakt van enige door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen, behoeft hier de betrouwbaarheid van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen geen verdere bespreking.

Wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 29 maart 2007.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

In casu is sprake van het opmaken van één valse factuur. Daarbij is niet zozeer de hoogte van die factuur van belang maar wel de benadeling op zich, omdat dit heeft plaatsgevonden in het kader van ambtelijke corruptie met als doel de overheid te laten opdraaien voor uitgaven welke zijn gedaan om ambtenaren om te kopen. Dit gegeven op zich rechtvaardigt het opleggen van een hogere straf dan gebruikelijk.

Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank enerzijds rekening gehouden met de ouderdom van het feit, en anderzijds met de lange duur die verstreken is alvorens vonnis wordt gewezen. Op 5 april 2005 is verdachte in verzekering gesteld en de rechtbank doet op 3 mei 2007 uitspraak. Dit is een periode van 2 jaar en 1 maand. De rechtbank is van mening dat, gelet op de omvang van het onderzoek, de complexiteit daarvan alsmede de diverse door de verdediging gedane verzoeken voldoende redenen zijn om deze lange duur te rechtvaardigen.

Gelet op dit alles komt de rechtbank wel tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie geëist.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 27, 51, 225 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een betaling van een geldboete van € 2.500,-- (tweeduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 50 dagen hechtenis.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 Sr dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht, waarbij de rechtbank elke dag waardeert op € 50,--.

Aldus gewezen door:

Mr. M. Jurgens, als voorzitter,

Mr. P.A.H. Lemaire, rechter,

Mr. E.M. Vermeulen, rechter,

in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2007.