Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA4541

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
05/720271-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BN6413, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft op 7 mei uitspraak gedaan in twee zaken van politieambtenaren van het korps Gelderland-Zuid. De rechtbank legt aanzienlijk hogere straffen op dan de eis van de officier van justitie.

Uitspraak

Een 45-jarige politieambtenaar is veroordeeld voor mishandeling, het doen van een valse aangifte en het opmaken van een meinedig proces-verbaal. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en veroordeelt hem tot een ontzegging van het recht tot het bekleden van ambten gedurende vijf jaar. Tegen hem was 12 maanden gevangenisstraf gevorderd, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en ontzegging van het recht om ambten te vervullen gedurende drie jaar.

Een 25-jarige politieambtenaar is veroordeeld voor het opmaken van een meinedig proces-verbaal. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk en veroordeelt de man tot een ontzetting van het recht tot het bekleden van ambten voor de duur van twee jaar en zes maanden. De rechtbank vindt dat oplegging van een werkstraf bij een ernstig feit als dit niet passend is. Tegen hem was door de officier van justitie een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk gevorderd en een werkstraf van 200 uur.

Motivering

Ingevolge het Wetboek van Strafrecht dient de ontzetting van het recht om ambten te bekleden minimaal twee jaar langer te duren dan de opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank heeft de ernst van deze feiten als volgt gemotiveerd:

Met name het op ambtseed in strijd met de waarheid opmaken van een proces-verbaal over gedragingen van een persoon en het doen van een valse aangifte tegen die persoon, zijn bijzondere ernstige feiten. Als gevolg daarvan had die persoon als verdachte kunnen worden aangemerkt en had kunnen worden vervolgd en veroordeeld op basis van dat proces-verbaal en die aangifte. Meineed door een opsporingsambtenaar raakt het hart van het politiewerk en het zet de wél integere politiecollega’s te kijk. Daarnaast tast deze handelwijze van verdachte het rechtssysteem in de kern aan en is een rechtschapen opsporingsambtenaar onwaardig.

Een opsporingsambtenaar die in een ambtsedig proces-verbaal onwaarheden vastlegt dient zich ervan bewust te zijn dat dit de rechtspraak tot op het bot raakt en op dit handelen past de bijkomende straf van ontzetting van het recht om ambten te vervullen.

Deze bijkomende straf dient niet alleen om verdachte te treffen voor zijn handelwijze, maar heeft ook als doel opsporingsambtenaren in het algemeen ervan te doordringen dat door het opnemen van onwaarheden in ambtsedige processen-verbaal voor hen geen plaats meer dient te zijn om een ambt als dat van opsporingsambtenaar te bekleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Verkort vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/720271-06

Datum zitting : 23 april 2007

Datum uitspraak : 7 mei 2007

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. G.J. Gerrits, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2006 te Nijmegen, althans in Nederland, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en/of daaraan rechtsgevolgen verbindt, opzettelijk schriftelijk persoonlijk, een valse verklaring heeft afgelegd door toen daar in een door hem, verdachte, schriftelijk op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 20 januari 2006, opzettelijk in strijd met de waarheid te vermelden: "Op een gegeven moment zag ik dat de man die op de trede van de VIP tribune lag een slaande beweging maakte richting [medeverdachte]. Ik zag dat hij met kracht, terwijl hij zich achter [medeverdachte] bevond, uit diens gezichtsveld, met gebalde vuist tegen het hoofd van [medeverdachte] sloeg";

art 207 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 23 april 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. G.J. Gerrits, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van tweehonderd (200) uren werkstraf subsidiair honderd (100) dagen hechtenis

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing betreffende het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Door de raadsman van verdachte is betoogd dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt niet opzettelijk een proces-verbaal van bevindingen in strijd met de waarheid heeft opgemaakt.

Aan de juistheid van de verklaringen van zijn cliënt, op 23 mei 2006 en op 1 juni 2006 ten overstaan van de rijksrecherche afgelegd, moet volgens de raadsman worden getwijfeld. Volgens de raadsman zou zijn cliënt het proces-verbaal naar waarheid hebben opgemaakt. Wanneer de rechtbank toch van oordeel zou zijn dat het ambtsedige proces-verbaal in strijd met de waarheid is opgemaakt, dan heeft zijn cliënt nimmer de bedoeling gehad om valselijk een proces-verbaal van bevindingen op te maken. Zijn cliënt was op het moment van het opmaken van het proces-verbaal in de veronderstelling dat wat hij had verklaard ook echt de waarheid was.

Verdachte heeft in zijn verklaring van 23 mei 2006 onder meer het volgende verklaard:

“(….) [medeverdachte] vroeg mij of ik gezien had dat hij geslagen was. Ik heb tegen [medeverdachte] gezegd dat ik dat niet wist. Ik zei tegen hem dat ik het misschien wel gezien had maar dat ik het niet meer wist. [medeverdachte] heeft mij hierna gevraagd of ik naar de beelden van de Matrixxfeesten wilde komen kijken (….) Ik heb toen bij [medeverdachte] thuis naar de beelden gekeken. [medeverdachte] ging erbij staan en wees de vent aan die hem geslagen had. (….) Hij liet de beelden zien en zei tegen mij: “Kijk daar werd ik geslagen, zie je dat wel.” Ik zag wel veel op de beelden maar ik kon niet zien dat [medeverdachte] daar geslagen werd. Hij vertelde het wel, dus het zal wel zo geweest zijn. (….) Door de overtuigende wijze waarop [medeverdachte] hierover sprak en zijn manier van doen, geloofde ik dat het werkelijk gebeurd was. (….) [medeverdachte] zei mij nogmaals: “Dat heb je toch ook gezien.” Ik zei tegen hem dat ik het echt niet wist of ik dit wel gezien had. Nadat ik de beelden gezien had liet [medeverdachte] aan mij doorschemeren, dat het hem wel erg goed uit zou komen, als ik op papier zou zetten dat ik gezien had dat hij geslagen werd. (….) Ik weet dat ik het proces-verbaal niet conform de waarheid had opgemaakt. (….) Ik ging er (….) van uit dat het waar was wat ik op papier zette. [medeverdachte] had mij daar wel van overtuigd. Ik had het echter niet zelf gezien, maar ging er wel vanuit dat het de waarheid was.(….)”.

In zijn verklaring van 1 juni 2006 heeft verdachte verklaard dat zijn verklaring van 23 mei 2006 weergeeft zoals het is gebeurd, zij het dat hij wenste terug te komen op de laatste, hiervoor geciteerde zin uit deze verklaring. Deze zin had volgens hem moeten luiden: “Ik dácht op een bepaald moment door de analyse van [medeverdachte] en de herhalingen, dat ik het zelf had gezien. (….) Ik dacht dat [medeverdachte] de waarheid sprak.”

Op basis van deze verklaringen staat vast dat het door verdachte opgemaakte proces-verbaal, waarin hij heel expliciet aangeeft duidelijk te hebben gezien dat de man die op de trede van de VIP tribune lag, met gebalde vuist tegen het hoofd van [medeverdachte] sloeg, geen relaas betreft van eigen waarneming en bevinding van verdachte, terwijl hij dat wel zo heeft doen voorkomen en dat dit proces-verbaal daardoor niet naar waarheid is opgemaakt. Dat verdachte met zijn proces-verbaal op een ander incident dan dat met aangever [slachtoffer] heeft gedoeld, zoals door de raadsman geopperd, is in het licht van wat verdachte op dit punt heeft verklaard, niet aannemelijk geworden.

De rechtbank houdt verdachte aan zijn verklaring bij de rijksrecherche, inhoudende dat hij zijn proces-verbaal niet naar waarheid heeft opgemaakt.

Van de zijde van de verdediging is onder verwijzing naar een rapport van dr. M. Jilicic en drs. Van Bergen, beiden verbonden aan de universiteit van Maastricht, aangegeven dat sprake is van een valse bekentenis van verdachte.

De rechtbank gaat aan dit verweer evenwel voorbij, nu op basis van de verklaringen van de ter zitting gehoorde getuigen [getuige 1] en [getuige 2] over de wijze waarop deze verklaring van verdachte tot stand is gekomen, vaststaat dat van het uitoefenen van grote druk en/of intimidatie tijdens het verhoor geen sprake is geweest. Daarmee valt een belangrijke grondslag waarop het rapport is gebaseerd, weg.

Door de raadsman is tenslotte gewezen op een aantal telefoongesprekken die zijn cliënt met vrienden, familie en/of collega’s heeft gevoerd, welke gesprekken haaks zouden staan op de inhoud van de door hem op 23 mei 2006 afgelegde verklaring bij de rijksrecherche. Dit brengt de rechtbank evenwel niet tot een ander oordeel, nu verdachte nadien, in zijn verhoor op 1 juni 2006, bij zijn eerdere verklaring blijft en slecht op één onderdeel daarin een nuancering aanbrengt, welke zijn eerdere verklaring niet wezenlijk in een ander licht plaatst.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 20 januari 2006 te Nijmegen, in een geval waarin een wettelijk voorschrift daaraan rechtsgevolgen verbindt, opzettelijk schriftelijk persoonlijk, een valse verklaring heeft afgelegd door toen daar in een door hem, verdachte, schriftelijk op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 20 januari 2006, opzettelijk in strijd met de waarheid te vermelden: "Op een gegeven moment zag ik dat de man die op de trede van de VIP tribune lag een slaande beweging maakte richting [medeverdachte]. Ik zag dat hij met kracht, terwijl hij zich achter [medeverdachte] bevond, uit diens gezichtsveld, met gebalde vuist tegen het hoofd van [medeverdachte] sloeg";

Wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

“In de gevallen waarin een wettelijk voorschrift daaraan rechtsgevolgen verbindt, schriftelijk persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.”

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 9 maart 2007.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft opzettelijk een ambtsedig proces-verbaal in strijd met de waarheid opgemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een bijzonder ernstig feit. Meineed, gepleegd door een opsporingsambtenaar, een functionaris van wie de wet zegt dat als hij/ zij iets op ambtseed verklaart, dit extra zwaar weegt. Op uitsluitend een belastend proces-verbaal van een opsporingsambtenaar kan een burger worden veroordeeld door een rechter.

Op een opsporingsambtenaar rust de grote verantwoordelijkheid het algemeen belang te dienen. Verdachte heeft in deze zaak het belang van een collega boven dit algemene belang geplaatst. Hierdoor komt de rechtspleging in ernstige mate in het geding. Het vertrouwen dat een burger moet kunnen hebben in de politie is in ernstige mate geschaad. Meineed door een opsporingsambtenaar raakt het hart van het politiewerk, het zet de wél integere politiecollega’s te kijk. Een opsporingsambtenaar die in een ambtsedig proces-verbaal onwaarheden vastlegt dient zich ervan bewust te zijn dat dit de rechtspraak tot op het bot raakt.

Gelet op wat hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat met de straffen zoals door de officier van justitie geëist, onvoldoende de ernst van het feit tot uitdrukking wordt gebracht. Voor de afdoening van de onderhavige zaak komen geen andere straffen in aanmerking dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een ontzetting van het recht tot het bekleden van het ambt. Deze bijkomende straf dient niet alleen om verdachte te treffen voor zijn handelwijze, maar heeft ook als doel opsporingsambtenaren in het algemeen ervan te doordringen dat door het opnemen van onwaarheden in ambtsedige processen-verbaal voor hen geen plaats meer dient te zijn om een ambt als dat van opsporingsambtenaar te bekleden.

Deze straffen zijn lager dan die in de zaak tegen de medeverdachte, nu deze meer feiten heeft begaan en – anders dan van verdachte – gehandeld heeft uit eigen belang. Voorts is medebepalend het verschil in ervaring waardoor van de medeverdachte, meer nog dan van verdachte, had mogen worden verwacht dat deze doordrongen was van de gevolgen van zijn handelen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 28, 31 en 207 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

B. ontzetting van het recht tot het bekleden van ambten voor de duur van 2 (twee) jaren en 6 (zes) maanden.

Aldus gewezen door:

mr. B.F.M. Klappe, rechter als voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil, vicepresident,

mr. J.H.M. Delnooz-Engels, rechter,

in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2007.