Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA4510

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
05/090397-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geldboetes en celstraffen voor valsheid in geschrift, corruptie en heling

De rechtbank Arnhem heeft op 3 mei een ambtenaar van de Rijksgebouwendienst, een ingehuurde directievoerder, een aannemingsbedrijf en haar directeur veroordeeld tot gevangenisstraffen en geldboetes.

De ambtenaar van de Rijksgebouwendienst is veroordeeld voor jarenlange ambtelijke corruptie (o.a. door het zich laten fêteren door een aannemer), heling van een rijkseigendom en valsheid in geschrift tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan vijf voorwaardelijk.

De rechtbank heeft de door de Rijksgebouwendienst ingehuurde directievoerder veroordeeld wegens corruptie (o.a. door het zich laten fêteren door een aannemer), valsheid in geschrift en diefstal van rijkseigendommen tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan drie voorwaardelijk.

Het aannemingsbedrijf en de directeur zijn veroordeeld tot geldboetes van respectievelijk € 10.000,=, waarvan € 5.000,= voorwaardelijk en € 2.500,= wegens valsheid in geschrift (valse factuur voor niet-uitgevoerde werkzaamheden). De achtergrond van deze valsheid hield verband met het omkopen van de ambtenaar van de Rijksgebouwendienst en de door deze dienst ingehuurde directievoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Verkort vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/090397-04

Datum zitting : 11 mei 2006, 7 december 2006 en 19 april 2007

Datum uitspraak : 3 mei 2007

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

Raadsvrouw : mr. R. van de Beek, advocaat te Ede.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 april 1996 tot en met 1 januari 2000 te Barneveld en/of te Haarlem en/of elders in Nederland, als ambtenaar, te weten als bouwkundig ambtenaar en/of projectmanager van de Rijksgebouwendienst (RGD) (telkens) een gift en/of een belofte, te weten

- het (telkens) kosteloze gebruik van een personenauto (merk Mazda, gekentekend [nummer]) en/of

- het (vervolgens) aannemen, in of omstreeks december 1999, van eerdergenoemde

personenauto om niet dan wel tegen een (aanmerkelijk) lagere prijs dan de waarde in het vrije verkeer,

althans enige gift en/of belofte heeft aangenomen (van [betrokkene 1]), wetende dat deze hem (telkens) gedaan werd(en) teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, bestaande het doen of nalaten in strijd met zijn plicht (telkens) hierin dat hij, verdachte,

- [betrokkene 1] (op andere dan zakelijke gronden) een bevoorrechte positie zou gunnen bij het beoordelen van offertes en/of

- op andere dan zakelijke gronden opdrachten (van of namens de RGD en/of de Staat der Nederlanden) aan [betrokkene 1] zou gunnen en/of

- geen, althans onvoldoende, controle zou uitoefenen op de door [betrokkene 1] verrichte en in rekening gebrachte werkzaamheden en/of (bouw)materialen en/of arbeid(in uren);

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 1995 tot en met 30 december 1996 te Barneveld en/of Haarlem en/of Leusden en/of Amersfoort en/of elders in Nederland, (telkens) een geschrift, te weten:

- een prestatieverklaring van 16 oktober 1996 voor "het begeleiden van de herstelwerkzaamheden" (project/object Florijnenburg), genummerd ii5BLF046055 (dossierpagina 111794); en/of

- een prestatieverklaring van 5 december 1995 voor "het aanpassen van electrische voorzieningen" (project/object CBG Hilversum), genummerd ii5BBC045005 (dossierpagina 112833); en/of

- een prestatieverklaring van 4 juli 1996 voor "wanden/interieur etc." (project/object Douane Westpoint), genummerd ii6DOB026003 (dossierpagina 112864); en/of

- een prestatieverklaring van 4 december 1996 voor "advies en directievoering" (project belastingdienst Hoorn en/of Amersfoort), genummerd ii5BLF046063 (dossierpagina 112321)

zijnde (telkens) een geschrift bestemd om tot bewijs te dienen van het feit dat opgedragen werkzaamheden en/of begeleiding van werk (aan een in een opdracht genoemd gebouw/bouwproject van de Staat der Nederlanden) volledig en correct is verricht (en dat tot betaling van een terzake ingediende factuur kan worden overgegaan), althans om tot bewijs te dienen van enig feit, valselijk heeft opgemaakt, bestaande de valsheid hierin dat verdachte (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid op de prestatieverklaring(en) schriftelijk heeft vermeld/verklaard -zakelijk weergegeven- dat (inzake de in de prestatieverklaring genoemde opdracht) de werkzaamheden en/of goederen naar behoren geleverd waren (terwijl zulks niet het geval was) en/of (telkens) het betreffende geschrift heeft ondertekend als ware het overeenkomstig de waarheid ingevuld, een en ander (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl hij, verdachte, als ambtenaar, bij het begaan van het/de strafbare feit(en) (telkens) gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 1996 tot en met 31 december 1996 te Nieuwegein en/of Barneveld en/of Leusden en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk drie, althans een airconditioningappara(a)t(en) (van het merk Mizushi), geheel of ten dele toebehorende aan de RGD en/of de Staat der Nederlanden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, en welk(e) goed(eren)

- verdachte uit hoofde van een persoonlijke dienstbetrekking als projectmanager en/of bouwkundig ambtenaar en/of

- zijn, verdachtes, mededader uit hoofde van een persoonlijke dienstbetrekking als directievoerder (van de RGD),

in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend terwijl hij, verdachte, als ambtenaar bij het begaan van het strafbare feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt

geschonken;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 1996 tot en met 31 december 1996 te Nieuwegein en/of Barneveld en/of Leusden en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben weggenomen drie, althans een airconditioningappara(a)t(en) (van het merk Mizushi), geheel of ten dele

toebehorende aan de RGD en/of de Staat der Nederlanden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij, verdachte, als ambtenaar, bij het begaan van het strafbare feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken;

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 1996 tot en met 16 november 2004 te Barneveld en/of elders in Nederland, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad een airconditioningapparaat (van het merk Mizushi) terwijl hij ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van voormeld goed wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997 te Barneveld en/of te Huizen en/of te Laren en/of te Haarlem en/of elders in Nederland, als ambtenaar, te weten als bouwkundig ambtenaar en/of projectmanager van de RGD, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, middellijk of onmiddellijk, (telkens) een gift en/of een belofte, te weten:

- (een) betaling(en) van bordeelbezoek(en) en/of

- (een) betaling(en) van bezoek(en) aan (een) horecagelegenhe(i)d(en) en/of

- een (kosteloze) verbouwing en/of aanbouw in/aan het gebouw van de Schietvereniging De Eendracht te Barneveld, terwijl verdachte ten tijde van die verbouwing (bestuurs-) lid en/of bouwcoördinator was van die vereniging en/of

- (een) (kosteloze) verbouwing(en) aan zijn, verdachtes, mededader's woning(en) te Leusden en/of

- de (kosteloze) levering en/of plaatsing van (een) vensterbank(en) in zijn, verdachtes, woning te Barneveld,

althans enige gift en/of belofte heeft/hebben aangenomen van [medeverdachte] & Zonen BV en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], wetende dat deze gift(en) hem en/of zijn, verdachtes, mededader (telkens) gedaan werd(en) teneinde hem/hen te bewegen om, in strijd met zijn en/of zijn, verdachtes, mededader's plicht, in zijn/hun bediening iets te doen of na te laten, bestaande het doen of nalaten in strijd met zijn/hun plicht (telkens) hierin dat hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

- [medeverdachte] & Zonen BV op andere dan zakelijke gronden een bevoorrechte positie zou(den) gunnen bij het beoordelen van offertes en/of

- op andere dan zakelijke gronden opdrachten (van of namens de RGD en/of de Staat der Nederlanden) aan [medeverdachte] & Zonen BV en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] zou(den) gunnen en/of

- geen, althans onvoldoende, controle zou(den) uitoefenen op de door of namens [medeverdachte] & Zonen BV verrichte en in rekening gebrachte werkzaamheden en/of arbeid;

5.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 16 februari 1998 tot en met 31 januari 2001 te Barneveld en/of Zaltbommel en/of Utrecht en/of Haarlem en/of elders in Nederland, als ambtenaar, te weten als bouwkundig ambtenaar en/of projectmanager van de rijksgebouwendienst (RGD) (telkens) een gift en/of belofte, te weten

- (een) betaling(en) van bordeelbezoek(en) en/of

- (een) betaling(en) van bezoek(en) aan (een) horecagelegenhe(i)d(en),

althans enige gift en/of belofte heeft aangenomen van PPM BV en/of De Comme BV en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], wetende dat deze gift(en) en/of beloften hem (telkens) gedaan werd(en) teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten,bestaande het doen of nalaten in strijd met zijn plicht (telkens) hierin dat hij, verdachte,

- PPM BV en/of De Comme BV op andere dan zakelijke gronden een bevoorrechte positie zou gunnen bij het beoordelen van offertes en/of

- op andere dan zakelijke gronden opdrachten (van of namens de RGD en/of de Staat der Nederlanden) aan PPM BV en/of De Comme BV zou gunnen; en/of

- geen, althans onvoldoende, controle zou uitoefenen op de door of namens PPM BV en/of De Comme BV bij de RGD ingediende facturen voor verrichte werkzaamheden en/of diensten en/of arbeid (in uren)

6.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 februari 2001 tot en met 1 april 2003 te Barneveld en/of Zaltbommel en/of Utrecht en/of Haarlem en/of elders in Nederland, als ambtenaar, te weten als bouwkundig ambtenaar en/of projectmanager van de rijksgebouwendienst (RGD) (telkens) een gift en/of een belofte en/of een dienst, te weten

- (een) betaling(en) van bordeelbezoek(en) en/of

- (een) betaling(en) van bezoek(en) aan (een) horecagelegenhe(i)d(en),

althans enige gift en/of belofte en/of dienst heeft aangenomen van PPM BV en/of De Comme BV en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze gift(en) en/of belofte en/of dienst(en) hem (telkens) gedaan, verleend of aangeboden werd(en) teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, bestaande het doen of nalaten in strijd met zijn plicht (telkens) hierin dat hij, verdachte,

- PPM BV en/of De Comme BV op andere dan zakelijke gronden een bevoorrechte positie zou gunnen bij het beoordelen van offertes en/of

- op andere dan zakelijke gronden opdrachten (van of namens de RGD en/of de Staat der Nederlanden) aan PPM BV en/of De Comme BV zou gunnen en/of

- geen, althans onvoldoende, controle zou uitoefenen op de door of namens PPM BV en/of De Comme BV bij de RGD ingediende facturen voor verrichte

werkzaamheden en/of diensten en/of arbeid (in uren)

7.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2003 tot en met 15 april 2004 te Barneveld en/of Zaltbommel en/of Haarlem en/of elders in Nederland, als ambtenaar, te weten als bouwkundig ambtenaar en/of projectmanager van de Rijksgebouwendienst (RGD) (telkens) een gift en/of belofte en/of een dienst heeft gevraagd aan De Comme BV en/of [betrokkene 3], hierin bestaande dat hij, verdachte, (telkens) aan De Comme BV en/of [betrokkene 3] heeft gevraagd een (tijdelijk) dienstverband aan mevrouw [betrokkene 4] (met wie hij, verdachte, een -al dan niet vriendschappelijke- relatie onderhield) aan te bieden, althans heeft verdachte enige gift en/of belofte en/of dienst gevraagd, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, bestaande het doen of nalaten in strijd met zijn plicht (telkens) hierin dat hij, verdachte,

- aan De Comme en/of [betrokkene 3] opdrachten van of namens de RGD en/of de Staat der Nederlanden in het vooruitzicht heeft gesteld, indien/mits een dienstverband met mevrouw [betrokkene 4] tot stand zou komen en/of

- De Comme BV op andere dan zakelijke gronden een bevoorrechte positie zou gunnen bij het beoordelen van offertes en/of het verstrekken van opdrachten (van of namens de RGD en/of de Staat der Nederlanden), al dan niet met uitsluiting van andere (potentiële) aanbieders en/of

- aan De Comme BV opdrachten (van of namens de RGD en/of de Staat der Nederlanden) zou verstrekken terzake begeleidings- en/of inspectie- en/of directievoeringswerkzaamheden (uit te voeren door mevrouw [betrokkene 4]) terwijl

hij, verdachte, wist dat De Comme BV en/of mevrouw [betrokkene 4] in werkelijkheid persoonlijke assistentie (aan hem, verdachte) zou/zouden leveren; en/of

- facturen van De Comme BV (waarin verwezen zou worden naar verstrekte opdrachten tot directievoerings- en/of begeleidings- en/of inspectiewerkzaamheden) zou (doen) voorzien van een prestatieverklaring (strekkende tot de bevestiging dat gefactureerde werkzaamheden naar behoren zijn vervuld),

terwijl hij, verdachte, wist dat door of namens De Comme BV (telkens) niet of niet geheel de gefactureerde prestatie zou worden geleverd en/of terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat een lager gekwalificeerde dienst (persoonlijke assistentie) zou worden geleverd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 11 mei 2006, 7 december 2006 en 19 april 2007 ter terechtzitting onderzocht. Met uitzondering van de zitting op 11 mei 2006 is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R. van de Beek, advocaat te Ede.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het 1, 2, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a De geldigheid van de tenlastelegging

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouwe betoogd dat de dagvaarding gedeeltelijk nietig dient te worden verklaard. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.

Op grond van artikel 261 lid 1 Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling moet men voortdurend in het oog houden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. . Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn. In de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk.

Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig als daarin naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar bestaanbaar zijn. Een dagvaarding behoeft zich niet uit te laten over de voor de strafbaarheid irrelevant zijnde aard en omvang van nadere bijzonderheden waarvan de vermelding niet op straffe van nietigheid wordt verlangd.

Uit de jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding een aantal factoren dient te worden meegewogen. Eén van die factoren is de vraag of er bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Een andere factor die moet worden meegewogen is dat in de bewoordingen van de tenlastelegging besloten kan liggen wat het voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek vormt. Ook de inhoud van de door de verdediging overlegde pleitnota mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen, net als de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting.

De rechtbank verstaat het verweer over de nietigheid van de dagvaarding (voor wat betreft de feiten 1, 4, 5, 6 en 7) aldus dat de betwiste gedeelten van de tenlastelegging naar mening van de verdediging innerlijk tegenstrijdig, onbegrijpelijk, onvoldoende specifiek en onduidelijk zijn. De rechtbank is van oordeel dat gezien de inhoud van het complete dossier en het geheel van de tenlastegelegde feiten in onderlinge samenhang bezien, de verdachte in staat moeten worden geacht de tekst van de tenlastelegging te kunnen begrijpen. Daarnaast heeft verdachte tijdens zijn verhoren en tijdens het onderzoek ter terechtzitting blijk gegeven van hun begrip van de tenlastelegging. De raadsvrouwe heeft door de vragen die zij aan de getuigen bij de rechter-commissaris heeft gesteld en door haar pleitnotities ook blijk gegeven van begrip van de tenlastelegging.

De tenlastelegging behelst daarom naar het oordeel van de rechtbank een voldoende duidelijke opgave van de feiten nu de tekst van de tenlastelegging voldoende begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig is. De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 Sv voldoet en verwerpt daarom het nietigheidsverweer van de raadsvrouwe.

3. De beslissing inzake het bewijs

Aan de beoordeling van de verweren voorafgaande beschouwingen betreffende het tenlastegelegde strafbare feit van art. 363 Sr (oud en nieuw)

Alvorens gedetailleerd in te gaan op de door de raadsvrouwe gevoerde verweren ter zake de aan verdachte verweten ambtelijke corruptie van art. 363 Sr (oud en nieuw) zal de rechtbank eerst de vereisten bespreken die de strafbaarheid bepalen en oordelen hoe de betreffende wettelijke vereisten dienen te worden geïnterpreteerd in het licht van de tenlastelegging. Vervolgens zal de rechtbank met in achtneming van de door haar gegeven uitleg aan de wettelijke vereisten per feit de verweren bespreken.

De opzet (‘weten dat’)

Naar het oordeel van de rechtbank is voor wetenschap in de zin van art. 363 Sr (oud en nieuw) vereist dat het doel van de gift of belofte de ambtenaar duidelijk was. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat het op grond van de omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de ambtenaar heeft begrepen wat de achtergrond was van de giften.

Het causale verband tussen de gift en de tegenprestatie

Volgens art. 363 Sr. (oud en nieuw) is de ambtenaar slechts strafbaar als hij wist (of redelijkerwijs moest vermoeden) dat de gift hem werd gedaan ‘ten einde hem te bewegen’ om iets te doen of na te laten. Naar het oordeel van de rechtbank is niet vereist dat de ambtenaar daadwerkelijk door de gunst is bewogen tot het verrichten van de tegenprestatie. Dat wil zeggen dat niet pas sprake is van strafbaarheid, als na het aannemen van giften door de ambtenaar het met die giften beoogde handelen of nalaten ook daadwerkelijk is gevolgd. Voldoende is dat de ambtenaar weet dat de gift hem is gedaan om hem te bewegen in de toekomst iets te doen of na te laten.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat van een concrete tegenprestatie geen sprake hoeft te zijn. Art. 363 Sr. (oud en nieuw) ziet ook op het doen van giften aan een ambtenaar die ten doel hebben een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te verkrijgen.

In strijd met de ambtsplicht

Het in de delictsomschrijving opgenomen bestanddeel "in strijd met zijn plicht" beoogt tot uitdrukking te brengen dat wat van de ambtenaar (in ruil voor geld) wordt verlangd ongeoorloofd is.

Dat laatste betekent dat de ambtenaar in strijd met of in afwijking van de geldende regels of bevoegdheidsverdeling dan wel in strijd met of in afwijking van een anderszins voor hem geldende gedragslijn moet handelen om aan het verlangde te kunnen voldoen. Strijd met de geldende regels is dan aan de orde wanneer sprake is van strijd met de artikelen 50 en 64 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR). In art. 50, eerste lid, ARAR is immers bepaald dat de ambtenaar gehouden is de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt. Op basis hiervan is de ambtenaar verplicht zich naar buiten toe onafhankelijk en onpartijdig op te stellen. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat een ambtenaar die steekpenningen aanneemt in ruil voor het aanbesteden van werken in strijd met zijn plicht handelt. Tenslotte verbiedt artikel 64 ARAR expliciet het aannemen van giften en/of steekpenningen.

De rechtbank is overigens van oordeel dat de term “in strijd met zijn plicht” mede feitelijke betekenis heeft en geen uitwerking behoeft in de tenlastelegging.

De afzonderlijk tenlastegelegde strafbare feiten

Feit 1

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het tenlastegelegde strafbare feit onder 1. Verdachte stelt een discretionaire bevoegdheid te hebben gehad om opdrachten aan aannemers en onderaannemers te verstrekken en dat hij voor het gebruik van de auto van [betrokkene 1] een onkostenvergoeding aan [betrokkene 1] betaalde.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Strijd met de plicht van een ambtenaar is er niet indien het handelen van de ambtenaar binnen zijn discretionaire bevoegdheden is gebleven. Indien verdachte stelt op grond van zijn taakvervulling gebruik te hebben gemaakt van de auto van verdachte [betrokkene 1], dan zou het op zijn weg hebben gelegen daarvan melding te maken aan zijn superieuren. Voorts zou het dan gebruikelijk zijn geweest indien verdachte, zo hij stelt, de aan verdachte [betrokkene 1] betaalde onkostenvergoeding voor het gebruik van die auto had gedeclareerd binnen de organisatie van de Rijksgebouwendienst (hierna: RGD). Zou verdachte zo gehandeld hebben dan zou hij het gebruik van de auto inzichtelijk hebben gemaakt. Naast het gebruik van de auto door verdachte zelf is staat vast dat ook door de dochter van verdachte veelvuldig gebruik is gemaakt van deze auto.

Vastgesteld kan worden dat:

- Verdachte [betrokkene 1] hoofdklant was van de RGD en van door verdachte gegunde opdrachten;

- Verdachte [betrokkene 1] gedurende de periode dat hij geen gebruik maakte van de auto tot het moment dat hij de auto in eigendom overdeed aan verdachte voor in totaal f. 35.501,00 aan onkosten aan deze auto heeft betaald;

- Verdachte voornoemde onkosten ad f.35.501,00 niet heeft betaald aan verdachte [betrokkene 1];

- Verdachte de auto privé gebruikte en ook door zijn dochter werd gebruikt en

- Verdachte [betrokkene 1] de auto voor gebruik heeft aangeboden aan verdachte.

Ter terechtzitting d.d. 19 april 2007 heeft verdachte hieromtrent het volgende verklaard:

“Ik heb die auto in die jaren wel eens geleend. [betrokkene 1] bood mij het gebruik van zijn auto aan. De stilzwijgende afspraak was dat ik voor het gebruik zou betalen, een kilometervergoeding. Mijn dochter heeft de auto ook wel eens meegenomen. Het zou kunnen, zoals [betrokkene 1] verklaart, dat ik de auto in 1997 veelvuldig gebruikte. Ik meen dat ik [betrokkene 1] f. 0,10 of f.0,12 per kilometer betaalde.”

Op 29 maart 2005 heeft verdachte [betrokkene 1] onder meer op de vraag verklaard:

U hebt op een gegeven moment een personenauto, merk Mazda type 323 F coupe, gekentekend [nummer] aangeschaft. Kunt u vertellen hoe dat gegaan is vanaf de aanschaf tot de uiteindelijke verkoop van deze Mazda? “Ik heb die auto nieuw gekocht bij garage Doornekamp te Leusden. (…..) Als u mij zegt dat uit de administratie van mijn bedrijf blijkt dat die auto voor f.35.100,- is gekocht dan zal dat zo zijn. (…..) Na de aankoop van de auto waar wij nu over spreken, de zwarte Mazda, heb k een Opel Calibra, kleur blauw gekocht. (…..) Ik was toen bezig met het ontwikkelen van mijn bedrijf. Ik had toen op project basis veel werk van de Rijksgebouwendienst, nader te noemen RGD, en hield de auto aan voor klanten. De auto werd inderdaad door derden gebruikt. Onder andere werd de auto gebruikt door [verdachte]. Ook familie van hem heeft de auto wel eens gebruikt blijkt nu achteraf. (…..) Achteraf is gebleken dat [verdachte] die auto veelvuldig gebruikte. Hij was namens de RGD wel een van mijn opdrachtgevers. Ik kreeg bij de RGD ook opdrachten van [betrokkene 2] en [betrokkene 5]. (…..) Betalingen voor verzekering en onderhoud voor die Mazda bleef ik via de zaak betalen. Ik denk dat ik die kosten tot 1999 of 2000 via mijn zaak betaald heb. (…..) [verdachte] is vanaf 1995 incidenteel in die zwarte Mazda 323 gaan rijden terwijl de kosten van die auto nog door mijn bedrijf betaald werden. In 1996 was die al meer en in 1997 gebruikte hij die auto volledig. (…..) Ik begrijp dat als ik de kosten voor die auto betaal dit een privé besparing is voor [verdachte]. [verdachte] heeft de facturen niet aan mij terugbetaald. (….) [verdachte] heeft gebruik gemaakt van die auto vanaf 1995. Ik had die auto zakelijk niet meer nodig en wilde hem laten gebruiken door derden. Ik heb u dit verklaard. Bij die auto waren twee sleutels. [verdachte] zal er een van gehad hebben. Ik wilde dat hij gebruik maakte van die auto. Dit terwijl hij dit niet wilde. Toen hij echter gewend was aan de auto was het hek van de dam zo fijn vond hij het.

Uit het ingestelde onderzoek is komen vast te staan dat de Mazda 323 met kenteken [nummer] vanaf 1 januari 1999 tot en met 30 november 2002 door verdachte is verzekerd bij Bovemij Verzekeringen en op 10 december 1999 een verzekering heeft afgesloten voor dezelfde personenauto bij AGIS Zorgverzekeringen. Bij de laatstgemeld verzekering werd een kopie van het kentekenbewijs overgelegd waaruit blijkt dat de auto op die datum ook is overgeschreven op naam van verdachte. Voorts is uit het ingestelde onderzoek komen vast te staan dat aan de dochter van verdachte, [betrokkene 6], geboren op [geboortedatum], onder nummer 40982313422983 een Esso tankpas is verstrekt.

Uit een overzicht van geregistreerde punten op deze tankpas komt naar voren dat deze gedurende de periode van november 1997 tot en met maart 1999 een puntenregistratie is gebruikt bij 50 vertankingen. Uit de lijsten is af te lezen dat daarbij meestal LPG werd getankt. Uit de verklaring van de getuige [getuige 1] d.d. 15 december 2994 blijkt dat toen de Mazda 323 coupe met kenteken [nummer] werd verkocht er een gasinstallatie werd ingebouwd.

Gelet op deze omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte heeft begrepen wat de achtergrond van deze gift van verdachte [betrokkene 1] aan hem is geweest namelijk dat het hier niet gaat om een legitieme, transparante verhouding maar om een troebele, voor de werkgever noch voor andere derden inzichtelijke, substantiële bevoordeling. Een dergelijke afspraak of verstandhouding kan niet anders bedoeld zijn dan gericht te zijn op een langdurige ongeoorloofde verstrengeling van zakelijke en privé-belangen. Dit is in strijd met de plicht van een ambtenaar omdat een dergelijke langdurige en substantiële verstrengeling van belangen wel moet leiden tot nadelige beïnvloeding van een zuivere zakelijke oordeelsvorming van de ambtenaar. De ambtenaar die zich aldus afhankelijk heeft gemaakt, staat zakelijk immers niet meer vrij in de relatie met de ander.

Feit 2

Meer in zijn algemeenheid heeft verdachte ter terechtzitting d.d. 19 april 2007 verklaard dat hij naar eer en geweten zijn werkzaamheden heeft verricht en dat hij soms niet anders heeft kunnen handelen dan hij gedaan heeft. Zo ook voor wat betreft de onder 2 tenlastegelegde gedraging, het ondertekenen van drie prestatieverklaringen. Door het ondertekenen van deze prestatieverklaringen bevestigt verdachte dat alle werkzaamheden conform de gegeven opdracht zijn verricht evenals dat de gelden welke waren gebudgetteerd voor deze werkzaamheden volledig en rechtmatig waren verbruikt voor de verstrekte opdracht. Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 19 april 2007 tevens verklaard dat hij de prestatieverklaringen heeft ondertekend evenals dat hij wetenschap had dat met budgetten werd geschoven. Daarmee staat vast dat verdachte telkens wist dat hij een prestatieverklaring voor juist tekende terwijl deze niet juist was. Deze waren ook misleidend aangezien voor derden, waaronder de RGD en ’s Rijks controleurs, niet meer transparant was wat er met het overheidsgeld gebeurde.

Feit 3

De primair onder 3 aan verdachte tenlastegelegde verduistering van drie airco’s, acht de rechtbank niet bewezen. Bij verdachte is één airco aangetroffen. Uit geen van de bewijsmiddelen blijkt dat hij opzet tot verduistering van de airco had op het moment dat de in het dossier bedoelde medeverdachte [betrokkene 1] de drie ‘overtollige’ airco’s voor zichzelf ging houden. Op het moment dat verdachte de bij hem aangetroffen airco van die medeverdachte [betrokkene 1] kreeg, was deze al onttrokken aan de beschikbaarheid voor de eigenaar althans rechthebbende, de RGD. Het door medeverdachte [betrokkene 1] gepleegde feit was toen al voltooid. Verdachte kan dus geen verduistering hebben gepleegd.

Om dezelfde reden kan verdachte evenmin diefstal hebben gepleegd, zoals hem subsidiair ten laste wordt gelegd.

De rechtbank acht de meer subsidiair tenlastegelegde opzetheling wel bewezen, met uitzondering van het in de tenlastelegging bedoelde merk van het aircoapparaat (daarover bestaat onduidelijkheid).

Het desbetreffende apparaat is bij verdachte thuis aangetroffen. Verdachte erkent dat hij wist dat dit van de RGD was. Eveneens wist hij dat medeverdachte [betrokkene 1] niet bevoegd was rechtmatig te beschikken over rijkseigendommen. Zodoende wist hij ook dat medeverdachte [betrokkene 1] het misdrijf van verduistering of diefstal had moeten begaan om in staat te zijn hem, verdachte, de airco te geven. Verdachte had overigens geen toestemming van zijn werkgever om dit apparaat in bezit, bewaring of gebruik te nemen.

Feit 4

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 4 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat:

a. de kosten niet zijn weggeboekt bij projecten waarvoor verdachte opdrachten heeft verstrekt;

b. de verklaringen die de getuige [getuige 2] heeft afgelegd zo onbetrouwbaar zijn dat ze niet voor het bewijs mogen worden gebruikt;

c er geen causaal verband is tussen giften en tegenprestatie en

d. verdachte niet in strijd met zijn plicht heeft gehandeld

De rechtbank overweegt in dit verband onder verwijzing naar de algemene bewijsbeschouwing dat de verdediging in dit opzicht een bewijslast veronderstelt die geen steun vindt in het recht.

Zo is het voor een bewezenverklaring van artikel 363 Sr voldoende indien komt vast te staan dat giften worden gedaan om een relatie met een ambtenaar te doen ontstaan of deze te onderhouden; van concrete tegenprestaties (en dus van een direct causaal verband) behoeft geen sprake te zijn.

Medeverdachte [betrokkene 1] heeft, daartoe in staat gesteld door verdachte, blijkens het proces-verbaal via zijn eenmanszaak een groot aantal opdrachten aan het bedrijf [medeverdachte] en Zonen BV verschaft. Verdachte was, mede door het paraferen van facturen, op de hoogte dat de betreffende werkzaamheden door dit bedrijf werden verricht.

Voorts is gelet op diverse getuigenverklaringen komen vast te staan dat door en via dit bedrijf in dezelfde periode (1996-1998) werkzaamheden aan de schietbaan in Barneveld zijn verricht.

Dit betreft de verklaringen van de getuigen [getuige 3] , [getuige 4], [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] . Laatstgenoemde heeft uitdrukkelijk verklaard dat verdachte daarvoor de opdracht zou hebben verstrekt. Volgens oud-penningmeester [getuige 8] was medeverdachte [betrokkene 1] door de schietvereniging belast met het opvragen van offertes en werden facturen nadien via medeverdachte [betrokkene 1] in de bouwcommissie beoordeeld. Onder meer verdachte zou als lid van deze bouwcommissie facturen hebben geparafeerd . Diverse personen hebben verklaard dat zij verdachte en de medeverdachten [betrokkene 1] en de verdachte [medeverdachte 1] tijdens de werkzaamheden ter plaatse hebben gezien .

Mede gezien deze verklaringen acht de rechtbank de stelling van verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 1] dat zij niet op de hoogte waren van de werkzaamheden van [medeverdachte] & Zn BV. voor de schietvereniging niet geloofwaardig. Overigens is uit geen enkel stuk gebleken dat de schietvereniging [medeverdachte] & Zn BV. voor deze werkzaamheden heeft betaald.

Met betrekking tot de levering en plaatsing van vensterbanken in de woning van verdachte in Barneveld heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat dit door het bedrijf [medeverdachte] & Zn BV. is gebeurd . In de administratie van dit bedrijf is een factuur van Kriek VOF aangetroffen, die het materiaal heeft geleverd. Voorts zijn in die administratie werkbriefjes aangetroffen voor werkzaamheden in de woning van verdachte. De getuigen [getuige 9] en

[getuige 10] hebben die werkzaamheden uitgevoerd en daarover verklaard .

Verdachte heeft ontkend op de hoogte te zijn geweest van deze werkzaamheden door [medeverdachte] & Zn BV. De rechtbank acht dit gezien het voorafgaande ongeloofwaardig.

Omtrent het bezoeken door verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] van horecagelegenheden en bordelen op kosten van [medeverdachte] & Zn. BV. is verklaard door de getuigen [getuige 11] en [getuige 7] . Verdachte heeft op 4 mei 2005 erkend dat hij bordelen heeft bezocht op kosten van verdachte [medeverdachte 1] en de getuige [getuige 2]. Op 18 mei 2005 heeft hij deze verklaring gedeeltelijk herroepen. Daarbij heeft verdachte niet geheel ontkend op kosten van [medeverdachte] & Zn. BV. deze gelegenheden te hebben bezocht. Het zou volgens verdachte ongeveer vier tot vijf keer gebeurd zijn.

Uit boekhoudkundig onderzoek aan de hand van gebruikte projectnummers is gebleken dat de kosten die het bedrijf [medeverdachte] Zn BV. heeft gemaakt, zijn doorbelast bij een groot aantal projecten waarbij de RGD opdrachtgever was.

De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft begrepen wat de achtergrond was van de giften van [medeverdachte] & Zn BV., namelijk het bestendigen van de goede relatie van het bedrijf met verdachte als (middellijk) opdrachtgever van de RGD. Verdachte heeft in dit verband in strijd gehandeld met de artikelen 50 en 64 ARAR.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de getuige [getuige 2] op essentiële details worden bevestigd door schriftelijke stukken afkomstig uit de administratie van verdachte, het RGD-archief, de administratie van [medeverdachte] & Zn en door getuigenverklaringen. De rechtbank is daarom van oordeel dat van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van [getuige 2] niet is gebleken.

Feiten 5 en 6

Voor wat betreft het tenlastegelegde onder 5 en 6 stelt verdachte dat hij zich niet heeft laten omkopen. Ter terechtzitting d.d. 19 april 2007 erkent verdachte dat de bordeelbezoeken en bezoeken aan horecagelegenheden door PPM BV en/of De Comme BV werden betaald. Verdachte stelt dat hij zelf wilde betalen maar dat de vertegenwoordigers van voornoemde bedrijven niet wilden dat hij betaalde aangezien zij het van de belasting konden aftrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee al vast dat verdachte, gelet op zijn positie van ambtenaar en zijn zakelijke contacten met deze bedrijven, giften heeft aangenomen.

Door vertegenwoordigers van voornoemde bedrijven zijn omtrent deze bezoeken alsmede de achtergronden van het betalen daarvan de volgende verklaringen afgelegd.

Op 15 april 2005 verklaart [betrokkene 3]:

“Ik wil u antwoord geven op de vraag of ik zaken en/of diensten betaald heb voor [verdachte]. Ik heb een aantal keren de lunch voor hem betaald. Ik betaalde ook wel eens een avondetentje voor hem. Hij betaalde ook wel eens. Ik heb een aantal keren een hoerenbezoek betaald voor hem. Ik wist dat hij hier van gecharmeerd was door [betrokkene 2] en de historie waarmee ik binnen kwam bij de Comme. Ik bedoel hiermee dat [betrokkene 2] al hoerenbezoeken betaalde voor [verdachte] voordat ik überhaupt in dienst was bij De Comme. Ik ben daar in 1998 in dienst gekomen. (…) Ik kwam met [betrokkene 2] te spreken over [verdachte] als opdrachtgever van de Rijksgebouwendienst. (…..) Hij vertelde ook dat [verdachte] hoerenbezoek wel op prijs stelde. [betrokkene 2] verteld mij dat hij die bezoeken ook betaalde voor [verdachte] als een soort relatiebeheer, acquisitie. (…..) Die etentjes werden georganiseerd om bij te praten over het werk. Soms was het tijdens deze gesprekken wel duidelijk dat wij naar een hoerenkast zouden gaan. Dat kwam dan onder het motto: “Zo we gaan een deurtje verder.” Als dit gezegd werd dan wisten wij alle drie waar het over ging en dat wij naar de hoerenkast zouden gaan. Vanuit de historie was ook al duidelijk dat indien dit bezoek plaatsvond De Comme dit bezoek zou betalen. (…..) Op deze wijze zijn wij nog één of twee keer met zijn drieën naar deze hoerenkast geweest. Ik ben er daarna nog een aantal malen met [verdachte] samen naar toe geweest. (…..) Ik betaalde altijd met de creditcard van De Comme BV. Ik denk dat het eerste bezoek in 1999 is geweest en de laatste keer 2 of 3 jaar geleden. (…..) Ik had de indruk dat er een bepaalde afhankelijkheid bestond tussen [betrokkene 2] en [verdachte]. [betrokkene 2] was afhankelijk van [verdachte]. [verdachte] was namelijk een opdrachtgever vanuit de Rijksgebouwendienst en PPM een bedrijf dat opdrachten ontving van de Rijksgebouwendienst.

Op 16 april 2005 verklaart [betrokkene 3]:

“Ik betaalde de hoeren als opdrachtnemer, dat is te doen gebruikelijk in het kader van relatiebeheer. Op het moment dat die hoerenbezoeken plaatsvonden had ik [verdachte] als opdrachtgever voor die opdrachten op Schiphol in relatie tot [betrokkene 4]. Ik wilde op die manier, het betalen van hoeren voor [verdachte], mijn zakelijke relatie met hem onderhouden.”

Op 27 april 2005 verklaart [betrokkene 3]:

“Ik betaalde in het kader van een stuk relatie beheer. Ik wist van het begin af aan dat De Comme zou betalen. Dat had ik al van [betrokkene 2] gehoord. [verdachte] wist in ieder geval niet van mij wie er betaalde. Hij wist dus niet als er betaald werd of het van de rekening van De Comme ging of van de rekening van PPM.

Op 27 april 2005 verklaart [betrokkene 7]:

“Ik heb op enig moment thuis wat onenigheid gehad en ben in die periode wel eens in die seksinrichting in Utrecht geweest. Ik ging daar wel naar toe met mensen uit de bouwwereld. Eerst gingen we wat eten en daarna maakte wij het af met bij Pelma BV. Ik ben daar geweest met [betrokkene 2]. Ik ben daar 2 of 3 keer met hem geweest. Bij het bezoeken van die gelegenheid is ook [verdachte] aanwezig geweest. Ik wist dat [verdachte] op het moment dat hij met [betrokkene 2] en mij meeging ambtenaar was bij de RGD te Haarlem. (…) Bij een van die besprekingen had [betrokkene 2] [verdachte] bij zich. (…) De RGD was een klant van De Comme BV. Om werk te houden van de RGD moet je zorgen dat de sfeer en de relatie goed blijft. Of [verdachte] zelf opdrachten voor werk kon geven weet ik niet maar hij kon natuurlijk wel zorgen dat De Comme in beeld bleef bij de RGD. Het uiteindelijke doel van de betalingen voor [verdachte] hadden ten doel om op termijn werk te genereren voor De Comme. Ik zie het als acquisitiekosten.”

Op 12 oktober 2006 verklaart [betrokkene 7] ten overstaan van de rechter-commissaris:

“In grote lijnen weet ik nog wat ik heb verklaard bij de politie. Daar is naar waarheid verklaard. Mijn BV was de Comme BV. [betrokkene 2] vroeg of hij niet met een aantal mensen iets voor ons kon doen. Hij heeft zich toen ingekocht in de Comme BV. Via hem ben ik in contact gekomen met de RGD. (…) Ik vind het dan normaal dat als er iemand mee is dat je daar dan voor betaalt. Dat valt volgens mij onder normaal relatiebeheer.

Op 11 mei 2005 verklaart [betrokkene 2]:

“[betrokkene 7] wilde contacten aanhalen met de Rijksgebouwendienst via mij. Toen is een afspraak gemaakt met [verdachte]. (…) Ik kreeg de indruk dat [betrokkene 7] [verdachte] zo snel mogelijk wilde inpakken. (…) Na het eerste gesprek al had [betrokkene 7] ook door dat [verdachte] van vrouwen houd. (….) [betrokkene 7] is toen met [verdachte] en met mij naar sexclub La Cloche gereden op aanwijzing van [verdachte]. (….) Later is er afgerekend door [betrokkene 7] of door mij. Ik zou afgerekend kunnen hebben met de creditcard omdat ik tenslotte de acquisitie deed. (…..) Voor [betrokkene 7] was het bezoeken van hoeren met een potentiële opdrachtgever, in dit geval met [verdachte], een vorm van acquisitie die ten doel had om de relatie goed te houden en op die manier opdrachten en werk te verkrijgen.”

Op 23 mei 2005 verklaart [betrokkene 2]:

“[verdachte] hield van bezoek aan sexclubs. [verdachte] heeft ons er ook heen gebracht. U vraagt mij wat het zou betekenen als ik zou weigeren met hem naar een sexclub te gaan. Het zou volgens mij niet betekenen dat ik geen opdrachten meer van hem zou krijgen. Ik voelde mij opdat moment voor het blok gezet. Er waren drie partijen, De Comme BV., [verdachte] en ik. Ik zorgde voor de acquisitie voor De Comme BV.. Nu achteraf zou ik er beter aan gedaan hebben om hierin niet mee te gaan. Voor [verdachte] was duidelijk dat de acquisitie betrekking had op De Comme BV. en niet op mij. (…..) Ik ben eigenlijk alleen meegegaan omdat ik de acquisitie pleegde voor De Comme BV. (…..) De Comme had op dat moment opdrachten nodig.”

Uit deze verklaringen blijkt dat er sprake is van het aannemen van giften in ruil voor opdrachten en/of een goede relatie, wat in strijd is met zijn plicht als ambtenaar.

Feit 7

Met betrekking tot het onder 7 tenlastegelegde strafbare feit heeft verdachte ter terechtzitting d.d. 19 april 2007 verklaard dat hij er voor gezorgd heeft dat mevrouw [betrokkene 4] door De Comme BV. in tijdelijke dienst werd genomen. Verdachte stelt dat hij haar nodig had bij de uitvoering van zijn werkzaamheden en zij vanuit de Rijksgebouwendienst niet meer beschikbaar was.

Op 27 september 2004 verklaart [betrokkene 8], hoofd projectmanagement afdeling Schiedam van de RGD, directie projecten:

“mevr. [betrokkene 4] heeft in de beginjaren 2000 voor de RGD gewerkt. Zij is in 2002 weggegaan. Dit was nog onder het regime van [betrokkene 9]. Zij vonden dat mevrouw [betrokkene 4] na ongeveer 3 jaar arbeidservaring opgedaan te hebben bij de RGD het op de vrije markt moest kunnen verdienen. Toen zij wegging is er heel expliciet aan [verdachte] aangegeven dat [betrokkene 4] niet meer ingehuurd mocht worden vanuit de RGD. [verdachte] wilde haar namelijk voor een bepaald project inhuren. [betrokkene 9] heeft dit nadrukkelijk aangegeven. Wij hadden namelijk vanuit de RGD eigen capaciteit voor projectondersteuning. Mocht er om één of andere reden geen projectondersteuning beschikbaar zijn dan zou de RGD dit zelf inhuren. Een projectmanager zoals [verdachte] kon dat niet zelfstandig doen”

Gelet op het voorgaande, waaruit blijkt dat verdachte mevrouw [betrokkene 4] niet zelfstandig als projectondersteuning in mocht huren, heeft verdachte De Comme BV. beloftes gedaan dat, wanneer zij mevrouw [betrokkene 4] in tijdelijke dienst zouden nemen, opdrachten verstrekt zou krijgen. In de tussen De Comme BV. en mevrouw [betrokkene 4] opgestelde arbeidsovereenkomsten is in artikel 11 onder meer opgenomen dat zij slechts op voorwaarde dat er vanuit de RGD opdrachten zouden worden verstrekt aan De Comme BV. in tijdelijke dienst zou worden genomen.

Hier geldt dat verdachte op een onzakelijke grond opdracht verstrekt heeft, waarbij in dit geval een derde werd begunstigd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 meer subsidiair, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op in de periode 1 april 1996 tot en met 1 januari 2000 in Nederland, als ambtenaar, te weten als bouwkundig ambtenaar en/of projectmanager van de Rijksgebouwendienst (RGD) telkens een gift te weten

- het telkens kosteloze gebruik van een personenauto (merk Mazda, gekentekend [nummer])

heeft aangenomen van [betrokkene 1], wetende dat deze hem telkens gedaan werd teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten,

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 1995 tot en met 30 december 1996 in Nederland, telkens een geschrift, te weten:

- een prestatieverklaring van 5 december 1995 voor "het aanpassen van electrische voorzieningen" (project/object CBG Hilversum), genummerd ii5BBC045005 (dossierpagina 112833); en

- een prestatieverklaring van 4 juli 1996 voor "wanden/interieur etc." (project/object Douane Westpoint), genummerd ii6DOB026003 (dossierpagina 112864); en

- een prestatieverklaring van 4 december 1996 voor "advies en directievoering" (project belastingdienst Hoorn en/of Amersfoort), genummerd ii5BLF046063 (dossierpagina 112321)

zijnde telkens een geschrift bestemd om tot bewijs te dienen van het feit dat opgedragen werkzaamheden en/of begeleiding van werk aan een in een opdracht genoemd gebouw/bouwproject van de Staat der Nederlanden volledig en correct is verricht en dat tot betaling van een terzake ingediende factuur kan worden overgegaan, valselijk heeft opgemaakt, bestaande de valsheid hierin dat verdachte telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op de prestatieverklaring schriftelijk heeft vermeld/verklaard -zakelijk weergegeven- dat inzake de in de prestatieverklaring genoemde opdracht de werkzaamheden en/of goederen naar behoren geleverd waren terwijl zulks niet het geval was en telkens het betreffende geschrift heeft ondertekend als ware het overeenkomstig de waarheid ingevuld, een en ander telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl hij, verdachte, als ambtenaar, bij het begaan van de strafbare feiten telkens gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken;

3 (meer subsidiair)

hij in de periode van 1 juni 1996 tot en met 16 november 2004 te Barneveld heeft verworven en voorhanden heeft gehad een airconditioningapparaat terwijl hij ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen van voormeld goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op tijdstippen in de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1997 in Nederland, als ambtenaar, te weten als bouwkundig ambtenaar en/of projectmanager van de RGD, tezamen en in vereniging met een ander middellijk of onmiddellijk, telkens een gift te weten:

- betalingen van bordeelbezoeken en/of

- betalingen van bezoeken aan horecagelegenheden en/of

- een kosteloze verbouwing en/of aanbouw in/aan het gebouw van de Schietvereniging De Eendracht te Barneveld, terwijl verdachte ten tijde van die verbouwing (bestuurs-) lid en/of bouwcoördinator was van die vereniging en/of

- kosteloze verbouwingen aan zijn, verdachtes, mededader's woningen te Leusden en/of

- de kosteloze levering en plaatsing van vensterbanken in zijn, verdachtes, woning te Barneveld,

heeft aangenomen van [medeverdachte] & Zonen BV en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], wetende dat deze giften hem en/of zijn, verdachtes, mededader telkens gedaan werden teneinde hen te bewegen om, in strijd met zijn en/of zijn, verdachtes, mededader's plicht, in hun bediening iets te doen of na te laten;

5.

hij op tijdstippen in de periode 16 februari 1998 tot en met 31 januari 2001 in Nederland, als ambtenaar, te weten als bouwkundig ambtenaar en/of projectmanager van de rijksgebouwendienst (RGD) telkens een gift te weten

- betalingen van bordeelbezoeken en/of

- betalingen van bezoeken aan horecagelegenheden,

heeft aangenomen van PPM BV en/of De Comme BV en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], wetende dat deze giften hem telkens gedaan werden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

6.

hij op tijdstippen in de periode 1 februari 2001 tot en met 1 april 2003 in Nederland, als ambtenaar, te weten als bouwkundig ambtenaar en/of projectmanager van de rijksgebouwendienst (RGD) telkens een gift te weten

- betalingen van bordeelbezoeken en/of

- betalingen van bezoeken aan horecagelegenheden,

heeft aangenomen van PPM BV en/of De Comme BV en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze giften hem telkens gedaan, verleend of aangeboden werd(en) teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

7.

hij op tijdstippen in de periode 1 maart 2003 tot en met 15 april 2004 in Nederland, als ambtenaar, te weten als bouwkundig ambtenaar en/of projectmanager van de Rijksgebouwendienst (RGD) telkens een dienst heeft gevraagd aan De Comme BV en/of [betrokkene 3], hierin bestaande dat hij, verdachte, telkens aan De Comme BV en/of [betrokkene 3] heeft gevraagd een tijdelijk dienstverband aan mevrouw [betrokkene 4] met wie hij, verdachte, een -al dan niet vriendschappelijke- relatie onderhield aan te bieden, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

Wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1, 5 en 6 telkens:

Als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht in zijn bediening, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Het medeplegen van valsheid in geschrift, terwijl hij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middelen hem door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Het medeplegen van als ambtenaar een gift aannemen wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3 meer subsidiair:

Opzetheling.

Ten aanzien van feit 7:

Als ambtenaar een dienst vragen teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 15 april 2006.

Bij de bepaling van de strafmaat neemt de rechtbank het volgende in overweging.

Met betrekking tot de werking van het inkoopproces wordt in het rapport AO&IC Rijksgebouwendienst Directie Noord-West door de VROM-inspectie geconcludeerd dat:

- een zodanige toedeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden aan de projectverantwoordelijke had plaatsgevonden waardoor feitelijk een vermenging van functies optrad en ten aanzien van het inkoopproces niet langer sprake was van een toereikende controletechnische functiescheiding;

- binnen de organisatie onvoldoende compenserende maatregelen voorhanden waren die de risico’s verbonden aan een functievermenging in het inkoopproces effectief konden mitigeren;

- de inhoudelijke controle door de afdeling verificatie beperkt bleef tot het vaststellen van consistenties van de gegevens op verschillende aan hen voorgelegde documenten. Er vonden geen adequate controles plaats naar plausibiliteit en geoorloofdheid van de verstrekte inkoopopdrachten. Daarnaast werd vanwege tijdgebrek en het ontbreken van de benodigde deskundigheid geen inhoudelijke controle uitgevoerd naar de feitelijke uitvoering van de opgedragen werkzaamheden in relatie tot de hen ter verificatie voorgelegde facturen van adviseurs / leveranciers;

- de door de afdeling verificatie uitgevoerde controles hadden dientengevolge een voorspelbaar karakter waardoor het mogelijk was hierop te anticiperen;

- de projectmanager een blind vertrouwen had in de betrokken adviseurs / leveranciers en hierdoor nauwelijks inhoudelijke controle uitvoerde op de door de adviseur / leverancier in rekening gebrachte kosten in relatie tot de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden, waardoor onvolkomenheden in de facturering ten aanzien van die feitelijke uitvoering niet werden opgemerkt;

- de prestatieverklaring door de projectmanager werd ondertekend zonder dat door hem inhoudelijke controle op de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden had plaatsgevonden;

- hij de vereiste bepalende invloed had om adviseurs / leveranciers te selecteren, inkoopopdrachten te genereren, inkoopopdrachten te (laten) verstrekken, inkoopfacturen voor wat betreft de gefactureerde prestatie goed te keuren en daardoor uit te laten betalen;

- hij beschikte over de kennis met betrekking tot het inkoopproces en de daaraan gekoppelde procedure en controleactiviteiten;

- hij beschikte over de benodigde (sociale) contacten met adviseurs / leveranciers om de fraude gestalte te geven;

- er was sprake van een beperkt toezicht op de medewerkers, vanwege het feit dat:

• de projectverantwoordelijken hun werkzaamheden vaak elders dan op kantoor, thuis of op locatie, verrichtten;

• de projectverantwoordelijken binnen het kantoor werkzaam waren vanuit zogenaamde flexwerkplekken en derhalve niet over een vaste werkplek beschikten. Hierdoor ontstond een verminderde sociale binding en derhalve ook een verminderde sociale controle.

In hetzelfde rapport wordt door de direct leidinggevende van verdachte het volgende over verdachte verklaard:

Vanaf het begin heeft [verdachte] aangegeven dat hij bijzondere projecten behandelt en dat hij het ook op prijs stelde als hij deze werkzaamheden kon blijven doen. In dit geval zijn dit grotere projecten die vaak snel gerealiseerd moeten worden. Een voorbeeld daarvan is de bouw van een cellencomplex op Schiphol, onder politieke tijdsdruk. [verdachte] bleek een persoon te zijn die erg veel buiten het kantoor in Haarlem werkzaam is. Hij werd hoofdzakelijk van thuis uit. Op zich is die gezien zijn functie en zijn woonplaats in die situatie wel begrijpelijk. Bij [verdachte] valt het echter wel op dat hij echt weinig op kantoor komt. Zo werkt hij bijvoorbeeld ook op een eigen computer van huis uit. Hij heeft mij gevraagd om niet aangesloten te hoeven zijn op het netwerk van de RGD, omdat daar teveel voor hem niet belangrijke e-mail binnen zou komen. Ik heb daarin toegestemd en zorg ervoor dat e-mailberichten, die ik voor hem van belang acht aan hem worden doorgezonden. Door dit geheel bekleedt [verdachte] eigenlijk een bijzondere positie binnen de afdeling. Gezien de bijzonderheid van de projecten waarvoor hij verantwoordelijk is, vond ik dit ook wel begrijpelijk. Op enig moment heb ik in een functioneringsgesprek afspraken gemaakt met [verdachte] dat hij onder andere meer moest terugkoppelen met mij en dat hij er voor moest zorgdragen dat gegevens van projecten die hij alleen thuis had, ook in Haarlem moesten zijn. Het projectdossier. Ik vond het belangrijk om als leidinggevende zicht te hebben op de projecten. Door de werkwijze van [verdachte] had ik dit onvoldoende. Gaandeweg bleek echter dat [verdachte] hier kennelijk moeite mee had. Afspraken voor werkoverleg worden vaak door hem afgezegd c.q. verschoven. Ook een groot deel van de dossierstukken houdt hij nog steeds thuis en niet in Haarlem op kantoor. [verdachte] is duidelijk iemand die moeite heeft met regels en bureaucratie. [verdachte] werkt bijvoorbeeld veel mondeling. Legt weinig vast. Werkoverleggen of vastgestelde werkwijzen beschouwt hij vaak als ballast. Hij doet de dingen liefst op zijn eigen manier. Daardoor is er onvoldoende zicht op hoe hij werkt en hoe hij dingen bereikt. [verdachte] is wel heel gedreven en werkt heel resultaat gericht. Hij is ook heel klantgericht en doet graag bijzondere opdrachten. Hij voelt zichzelf wel bijzonder en wil daarom ook bijzondere dingen doen.”

Ter terechtzitting d.d. 19 april 2007 beaamt verdachte de door zijn leidinggevende gemaakte opmerkingen zoals hiervoor weergegeven. Verdachte heeft daarbij aangevoerd dat hij zich vanwege doelmatigheidsredenen gedwongen voelde te schuiven met budgetten en “creatief” om te gaan met facturen. De rechtbank ziet hierin geen strafverminderende omstandigheid. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank doelbewust misbruik gemaakt van de slechte organisatie bij zijn eigen dienst en de omstandigheid dat hij daarbij volledig zelfstandig kon handelen. Juist in een situatie waar een ambtenaar, zoals verdachte, zich bewust is van een situatie waarin de gelegenheid wordt geboden niet integer en zelfs strafbaar te handelen kan en moet worden verwacht dat in een dergelijke situatie daar geen misbruik van wordt gemaakt en dat laatste heeft verdachte nu juist wel gedaan. Door de handelwijze van verdachte was voor de RGD en/of controleurs van de overheid het geheel volstrekt ondoorzichtelijk en wist men niet wat er gebeurde. Verdachte heeft zich jaren door bouwondernemingen ([medeverdachte] & Zonen BV., De Comme BV. en PPM BV.) laten fêteren op horecabezoeken en bordeelbezoeken. Hij heeft jaren (vrijwel) kosteloos gebruik gemaakt van een personenauto welke hem door [betrokkene 1] ter beschikking was gesteld. De bewezenverklaarde feiten hebben zich gedurende een lange periode, van 1995 tot en met 2004, afgespeeld waarbij verdachte op schaamteloze wijze gedurende 9 jaar misbruik van zijn positie heeft gemaakt. De rechtbank rekent de verdachte in het bijzonder aan dat hij ook nu nog niet wenst in te zien dat zijn handelen, gelet op zijn positie als ambtenaar, volstrekt ontoelaatbaar is geweest.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist, passend en geboden is.

Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf, heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de duur die verstreken is alvorens vonnis wordt gewezen. Verdachte is op 5 april 2005 aangehouden en het vonnis van de rechtbank is op 3 mei 2007 uitgesproken. Dit is een termijn van 2 jaar en één maand. De rechtbank is van mening dat, gelet op de omvang van het onderzoek, de complexiteit daarvan evenals de diverse door de verdediging gedane verzoeken, voldoende redenen zijn om deze duur te rechtvaardigen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 44, 47, 57, 225, 363 (oud en nieuw), 417 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat verdachte onder 3 primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 5 (vijf) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 Sr dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

Mr. M. Jurgens, als voorzitter,

Mr. P.A.H. Lemaire, rechter,

Mr. E.M. Vermeulen, rechter,

in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2007.