Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA4486

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
06/5795
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aangifte te laat ingediend, nu verweerder niet duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat het gevraagde uitstel ook daadwerkelijk is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0902

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5795

Uitspraakdatum: 25 april 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag (aanslagnummer [H.16]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.087, alsmede bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 158.

Eiser heeft bij brief van 31 augustus 2003, ontvangen door verweerder op 1 september 2003, bezwaar gemaakt tegen zowel de aanslag als de boetebeschikking.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 mei 2005 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.459. De boetebeschikking heeft verweerder gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de boetebeschikking bij brief van 20 juni 2005, ontvangen door de rechtbank Haarlem op 20 juni 2005, beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2005 te Haarlem, waarna de rechtbank op 6 februari 2006 uitspraak heeft gedaan. De rechtbank heeft daarbij het beroep van eiser gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking vernietigd en de boetebeschikking vernietigd.

Verweerder heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem bij brief van 1 maart 2006, ontvangen door het gerechtshof te Amsterdam op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 28 augustus 2006 te Amsterdam, waarna het gerechtshof op 4 september 2006 uitspraak heeft gedaan. Het gerechtshof heeft daarbij de uitspraak van de rechtbank Haarlem vernietigd aangezien de rechtbank Haarlem, gezien de woonplaats van eiser ([Z]), niet competent was. Het gerechtshof heeft de zaak vervolgens verwezen naar de bevoegde rechtbank te Arnhem.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2007 te Arnhem.

Eiser en verweerder zijn daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Aan eiser is in februari 2002 de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 (hierna: de aangifte) uitgereikt waarbij als valuta de euro is vermeld. Hierop staat vermeld dat het aangiftebiljet vóór 1 april 2002 moet zijn ingediend.

Eiser heeft op 26 maart 2002 verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte tot

1 mei 2002.

Verweerder heeft op 17 juli 2002 een aanmaning verzonden om de aangifte binnen tien werkdagen in te dienen. Eiser heeft hierop op 22 juli 2002 gereageerd en daarbij aangegeven dat hij voor zijn aangifte afhankelijk is van de jaarstukken van zijn partner, welke door een accountant worden opgesteld.

In de brief van verweerder van 16 september 2002 is een waarschuwing vervat om de aangifte vóór 30 september 2002 in te dienen. Eiser heeft hierop op 25 september 2002 gereageerd en verwezen naar zijn brief van 22 juli 2002.

Verweerder heeft op 11 oktober 2002 een waarschuwing aan eiser verzonden om de aangifte vóór 25 oktober 2002 in te dienen. In deze waarschuwing wordt verwezen naar de aanmaning van 17 juli 2002.

Eiser heeft bij brief van 28 november 2002 een verzoek gedaan het aangiftebiljet voor euro's te vervangen door een aangiftebiljet voor guldens.

Verweerder heeft naar aanleiding van een fax van eiser van 2 december 2002 bij fax van

8 december 2002 een O- en een P-aangiftebiljet toegezonden. Daarbij heeft verweerder tevens meegedeeld dat het niet mogelijk is deze aangiften in guldens te doen.

Eiser heeft bij brief van 29 december 2002 opnieuw het verzoek gedaan aangiftebiljetten voor guldens toe te zenden.

Eiser heeft op 29 december 2002 tevens verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte tot 1 maart 2003.

Verweerder heeft op 3 februari 2003 een aanmaning verzonden om de aangifte binnen tien werkdagen in te dienen.

Eiser heeft op 11 februari 2003 verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte tot 1 april 2003.

Verweerder heeft op 7 maart 2003 een waarschuwing aan eiser verzonden om de aangifte vóór 21 maart 2003 in te dienen. Eiser heeft op 19 maart 2003 gereageerd en verweerder verzocht om te reageren op zijn brieven van 29 december 2002 en 11 februari 2003.

De aangifte is door belanghebbende op 28 maart 2003 ondertekend. Uit gegevens van verweerder blijkt dat het aangiftebiljet op 4 april 2003 door verweerder is ontvangen.

Bij het opleggen van de boetebeschikking heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een vierde verzuim in de zin van paragraaf 21 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998.

3. Geschil

In geschil is of de boete terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser zijn aangifte tijdig heeft ingediend.

Eiser heeft gesteld dat de boetebeschikking dient te worden vernietigd, aangezien hij zijn aangifte tijdig heeft ingediend. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij zijn aangifte op 31 maart 2003 heeft ingediend, terwijl hij om uitstel had verzocht tot 1 april 2003.

Verweerder is van mening dat de boetebeschikking dient te worden gehandhaafd, nu de aangifte te laat is ingediend. Verweerder voert daartoe aan dat eiser weliswaar op 11 februari 2003 om uitstel heeft verzocht tot 1 april 2003, maar dat verweerder op dit verzoek niet heeft gereageerd noch het verzoek heeft gehonoreerd. Nu eiser de aangifte na 21 maart 2003 heeft ondertekend en ingediend, stelt verweerder zich op het standpunt dat de aangifte te laat is ingediend.

4. Beoordeling van het geschil

Aangifte tijdig ingediend?

Artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt dat eiser de aangifte moet doen binnen een door verweerder gestelde termijn van ten minste één maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de AWR kan verweerder de door hem gestelde termijn verlengen.

Op grond van artikel 9, derde lid, van de AWR kan verweerder niet eerder dan na het verloop van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde termijn eiser aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen.

Van verleend uitstel is slechts sprake indien het verlenen van uitstel en de periode waarvoor uitstel is verleend, aan eiser duidelijk kenbaar is gemaakt. De enkele omstandigheid dat eiser uit de gedragingen van verweerder heeft kunnen opmaken dat het gevraagde uitstel (stilzwijgend) is verleend, is daartoe onvoldoende (Hoge Raad 29 januari 1997, nr. 31 872, BNB 1997/159).

Uit de stukken die de rechtbank ter beschikking staan, blijkt niet dat verweerder aan eiser duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat uitstel is verleend tot 1 april 2003. Weliswaar heeft eiser om uitstel tot 1 april 2003 verzocht, maar eiser heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat verweerder hem ook daadwerkelijk uitstel heeft verleend tot 1 april 2003.

Nu verweerder op 7 maart 2003 een waarschuwing aan eiser heeft verzonden om de aangifte vóór 21 maart 2003 in te dienen, eiser de aangifte op 28 maart 2003 heeft ondertekend en de aangifte op 4 april 2003 door verweerder is ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn aangifte te laat heeft ingediend.

Boete

Indien eiser de aangifte niet dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, van de AWR gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit op grond van artikel 67a, eerste lid, van de AWR een verzuim ter zake waarvan verweerder hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste € 1.134 (ƒ 2.500) kan opleggen.

Het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998) bevat beleidsregels voor het opleggen van boeten bij de heffing van rijksbelastingen waarop de AWR van toepassing is, waaronder de inkomstenbelasting.

Op grond van § 21, eerste lid, van het BBBB 1998 wordt bij het opleggen van een verzuimboete onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, vierde en vijfde verzuim. Wordt de aanslag op nihil of op een negatief bedrag vastgesteld dan legt de inspecteur een boete op van respectievelijk € 22, € 68, € 113, € 158 of € 226.

Er wordt geen boete opgelegd wanneer er sprake is afwezigheid van alle schuld. Het is aan eiser om daartoe feiten en omstandigheden aan te voeren (Hoge Raad, 11 oktober 1989, nr. 24 582, BNB 1990/87).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de boete van € 158 in overeenstemming met het BBBB 1998 opgelegd. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser het aantal verzuimen noch de hoogte van de boete heeft betwist. Ook heeft eiser niet gesteld dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 april 2007

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.M. Bijker - Veen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.H. Gudden, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.