Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA4201

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/4960
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugkeer uit de BV onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/12.9
V-N 2007/41.24 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0886
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4960

Uitspraakdatum: 1 mei 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Autobedrijf [A] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Rivierenland, kantoor Nijmegen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij beschikking van 27 maart 2006 het verzoek om geruisloze terugkeer in de zin van artikel 14c Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 augustus 2006 de beschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2007 te Arnhem.

Eiseres is daar vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij [B] te [Q]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

[C], geboren 1 september 1936, houdt sinds 1974 93,33% van de aandelen in eiseres. De overige aandelen worden gehouden door zijn echtgenote.

[C] en zijn echtgenote zijn de bestuurders van eiseres.

Sinds 1996 participeert eiseres voor 50% in de vennootschap onder firma [D] (vof), waarin een garagebedrijf wordt geëxploiteerd. De andere participant in de vof is [E], de zoon van [C].

Blijkens de balans behoort tot het vermogen van eiseres een bedrijfsgebouw. Ter zitting is namens eiseres verklaard dat dit geactiveerde verbouwingskosten betreft. Verder is verklaard dat het bedrijfspand - met inbegrip van de grond - waarin het garagebedrijf van de vof wordt uitgeoefend, en de erboven gelegen etage die aan [E] is verhuurd, behoren tot het privé-vermogen van [C]. Het bedrijfspand wordt door [C] ter beschikking gesteld aan eiseres.

Eiseres heeft op 28 september 2005 aan verweerder verzocht om een geruisloze terugkeer ex artikel 14c Wet Vpb. In dat verzoek is vermeld dat [E] te zijner tijd de onderneming geheel voor eigen rekening, dan wel samen met zijn echtgenote, zal gaan uitoefenen. Daarbij wordt gedacht aan een tijdsbestek van enkele jaren.

Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat blijkens voornoemde mededeling de terugkeer onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming.

3. Geschil

In geschil is of verweerder terecht het verzoek om geruisloze terugkeer heeft afgewezen.

4. Beoordeling van het geschil

In artikel 14c Wet Vpb is onder meer bepaald dat een geruisloze terugkeer uit een besloten vennootschap mogelijk is indien de in de vennootschap gedreven onderneming door de aandeelhouder wordt voortgezet.

Uit het arrest HR 29 augustus 1997, BNB 1997/375, leidt de rechtbank af dat een geruisloze terugkeer in de zin van artikel 14c Wet Vpb buiten toepassing dient te blijven indien de terugkeer onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht of liquidatie van de onderneming.

Eiseres heeft aangevoerd dat het de bedoeling is om te zijner tijd het aandeel in de vof over te dragen aan de mede-vennoot [E], mits het bedrijf voldoende perspectief biedt en voldoende levensvatbaar is. In dit verband heeft zij gesteld dat na terugkeer de (subjectieve) ondernemingen - bestaande uit een participatie in de vof - nog minimaal drie jaar zullen worden voortgezet door [C] en zijn echtgenote alvorens deze worden overgedragen aan mede-vennoot [E]. Verder is aangevoerd dat de huidige juridische structuur vanuit fiscaal oogpunt niet optimaal is en dat een exploitatie in de vorm van een eenmanszaak in financieel en fiscaal opzicht aantrekkelijker is.

De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat de terugkeer onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming. Verweerder heeft daartoe gesteld dat uit het verzoek van 28 september 2005 blijkt dat na terugkeer de onderneming op enig moment zal worden overgedragen aan de mede-vennoot. Verder heeft verweerder gesteld dat met de terugkeer het belang van de aandeelhouder [C] is gediend, omdat na terugkeer de verrekenbare verliezen van eiseres kunnen worden verrekend met de in het bedrijfspand - dat door [C] aan eiseres ter beschikking is gesteld - aanwezige stille reserve.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de enkele verklaring dat te zijner tijd de participatie in de vof zal worden overgedragen aan [E] niet aannemelijk geworden dat de terugkeer is gericht op de overdracht van de onderneming. Bij dit oordeel laat de rechtbank meewegen dat diverse keren is verklaard dat [C] en zijn echtgenote nog ten miste drie jaar na terugkeer hun (subjectieve) onderneming zullen voortzetten. Dat zij de intentie hebben om nadien hun (subjectieve) onderneming een keer over te dragen, mits deze nog voldoende levensvatbaar is, brengt niet mee dat de terugkeer is gericht op de overdracht van de (subjectieve) ondernemingen.

Verweerder heeft zijn stelling dat met de terugkeer het (fiscale) belang van de aandeelhouder [C] is gediend, niet onderbouwd. Verweerder heeft namelijk niet onderzocht of in het door [C] ter beschikking gestelde bedrijfspand wel een stille reserve aanwezig is, en zo ja, of bij [C] de intentie bestaat om deze stille reserve te realiseren. Maar ook al zou verweerders stelling juist zijn, dan nog leidt dat niet tot het door hem gewenste gevolg. Het staat een belastingplichtige immers vrij om met toepassing van de faciliteit van de geruisloze terugkeer in samenhang met artikel 3.98 Wet IB, de belastingheffing over de realisatie van een stille reserve te beperken.

Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder het verzoek om de toepassing van de faciliteit van artikel 14c Wet Vpb op een onjuiste grond afgewezen. Gelet op verweerders discretionaire bevoegdheid tot het stellen van voorwaarden zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien maar verweerder opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Eiseres heeft ter zitting het verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 Awb ingetrokken.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De kosten die eiseres in bezwaar heeft moeten maken, worden niet vergoed nu het verzoek daartoe niet voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar is gedaan.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe uitspraak op bezwaar neemt met inachtneming

van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, en mrs. L.B.M. Klein Tank en M.C.G.J. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Vriezen, griffier, op 1 mei 2007. .

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.