Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA3969

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-02-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
06/2127
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij de ontbinding van de maatschap heeft eiseres een bedrag betaald aan de uittreder. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van goodwill (waarover afgeschreven mag worden) en niet van een uitkoopsom (die in het jaar van betaling volledig te laste van het resultaat mag worden gebracht).

Tevens is eiseres niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd dat per einde boekjaar de bedrijfswaarde van de goodwill lager is dan de boekwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/18.3
V-N 2007/41.15 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0840
NTFR 2007/928
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2127 VPB

Uitspraakdatum: 26 februari 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] BV, gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2002 een aanslag vennootschapsbelasting (aanslagnummer [1.V.26]) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 21.262.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 februari 2006 het bezwaar afgewezen.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 13 maart 2006, ontvangen bij de rechtbank op

14 maart 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007 te Arnhem.

Namens eiseres is daar verschenen [A], bijgestaan door [B], werkzaam bij [C] te [Q]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De rechtbank rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Eiseres oefent een notariële praktijk uit. [A] is directeur en (middellijk) enig aandeelhouder van eiseres.

Op 31 augustus 1999 heeft eiseres een maatschapovereenkomst gesloten met [D]. Voor de overdracht van 40% van de goodwill heeft eiseres in 1999 een bedrag van f 900.000 ineens ontvangen.

Tijdens een onderzoek van het Bureau Financieel Toezicht in mei 2001 is geconstateerd dat [D] in 1999 een betaling van f 900.000 aan goodwill heeft verricht, dat deze betaling volledig met een lening is gefinancierd en dat daarvan geen melding is gemaakt in het ondernemingsplan. Deze bevindingen zijn meegedeeld aan de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen (hierna: Kamer van Toezicht) en de Commissie van Deskundigen (notariaat).

Bij brief van 11 juli 2001 heeft de Commissie van Deskundigen (notariaat) gesteld dat op 13 december 1999 een positief advies is afgegeven aan [D] om zich als notaris te vestigen, en dat het positieve advies niet zou zijn afgegeven indien in het ondernemingsplan van [D] de goodwillbetaling en de financiering ervan zou zijn vermeld.

Bij overeenkomst van 5 september 2001 (hierna: de beëindigingsovereenkomst) is de maatschap per 1 september 2001 ontbonden. In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“BV betaalt aan [D] als overname van diens goodwill een bedrag van f 600.000 vermeerderd met het saldo van de negatieve kapitaalrekening van [D] in de maatschap per 1 september 2001.”

Per 1 september 2001 bedraagt het saldo van de negatieve kapitaalrekening van [D] f 73.240, hetgeen meebrengt dat eiseres in 2001 in totaal een bedrag van f 673.240

(€ 305.503) aan [D] heeft betaald.

Op 26 september 2001 heeft de Kamer van Toezicht de ambtshalve klacht jegens [D] gegrond verklaard, zonder een maatregel op te leggen.

Zowel in de jaarrekening als in de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2001 heeft eiseres een bedrag aan goodwill geactiveerd. Uitgaande van een afschrijvingstermijn van vijf jaren heeft eiseres in 2001 een bedrag van 4/12 deel van 20% van € 305.503 afgeschreven, ofwel een bedrag van € 20.366. De boekwaarde van de goodwill bedraagt per 1 januari 2002 dan ook € 285.366

Voor 2002 wenst eiseres, naast de afschrijving van 20% van € 305.503, ofwel € 61.100, ook de resterende goodwill ad € 224.037 af te waarderen. Verweerder bestrijdt deze afwaardering.

Ter zitting van de rechtbank heeft eiseres een verklaring van de heer [E] van [F] overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring in strijd met een goede procesorde eerst ter zitting naar voren is gebracht en dat deze daarom als tardief buiten beschouwing moet blijven.

3. Geschil

In geschil is of eiseres in 2002 de goodwill mag afwaarderen tot nihil.

Eiseres stelt primair dat de betaling van € 305.503 gezien moet worden als een uitkoopsom van [D]. Zij stelt subsidiair dat de betaling gezien moet worden als een terugkoop van de in 1999 verkochte zelfgekweekte goodwill. Meer subsidiair betoogt eiseres dat goed koopmansgebruik een afwaardering tot de lagere bedrijfswaarde van nihil rechtvaardigt.

Volgens verweerder dient de in 2001 gekochte goodwill te worden geactiveerd en in vijf jaarlijkse termijnen te worden afgeschreven.

Nadat de rechtbank ter zitting een voorlopig oordeel heeft gegeven omtrent het subsidiaire standpunt van eiseres, heeft eiseres dit standpunt ingetrokken.

4. Beoordeling van het geschil

In het arrest van 11 mei 1955, BNB 1955/229, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien een vennoot door zijn medevennoot wordt bewogen tot uittreden tegen schadeloosstelling en hij aldus wordt “uitgekocht” onderscheid moet worden gemaakt tussen

i. het geval dat voor de medevennoot als beweegreden tot de uitkoop heeft gegolden de vergroting van zijn winstaandeel in de vennootschap, en

ii. het geval dat de afkoop heeft plaatsgevonden omdat naar het oordeel van de medevennoot het bedrijfsbelang de handhaving van de uitgekochte vennoot in een leidende functie niet gedoogde omdat hem een zodanige functie niet langer kon worden toevertrouwd.

In het eerste geval is de met de uitkoop gemoeide uitgave niet in het bedrijfsbelang geboden, maar strekt zij slechts ertoe om ten gunste van de overblijvende vennoot in de bestaande winstverdeling een wijziging te brengen. Die uitgave vormt dan ook geen bedrijfslast die ineens ten laste van de winst kan worden gebracht.

In het tweede geval is de met de uitkoop gemoeide uitgave noodzakelijk geweest om het door de vennootschap gevoerde bedrijf te vrijwaren tegen verliezen die bij handhaving van de uitgekochte vennoot in de toekomst worden gevreesd. Deze uitgave mag tot de aftrekbare bedrijfslasten worden gerekend.

Gelet op voornoemd arrest ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de door eiseres verrichte betaling van € 305.503 aan [D] noodzakelijk was vanwege het bedrijfsbelang. Bij een positieve beantwoording zou deze uitgave ineens ten laste van de winst kunnen worden gebracht.

Ter zitting heeft [A] hieromtrent verklaard dat [D] een andere werkwijze erop nahield, dat daardoor de voortgang in de dossierafhandeling vertraagd werd, en dat mede deze bevindingen tot ontbinding van de maatschap hebben geleid.

De rechtbank acht op grond van deze verklaring noch op basis van de beslissing van de Kamer van Toezicht aannemelijk dat eiseres en [D] in het aangaan van de beëindigingsovereenkomst een bedrijfsbelang hebben gezien. Uit deze verklaring en beslissing valt immers niet af te leiden dat de reden voor ontbinding is gelegen in de ongeschiktheid van [D] voor de functie van notaris of in een andere omstandigheid die een vrees voor toekomstige verliezen zou kunnen rechtvaardigen. Dit oordeel van de rechtbank vindt zijn bevestiging in het door verweerder ter zitting ingebrachte overzicht van de door eiseres en de maatschap in de jaren 1999 tot en met 2006 behaalde omzetten. Daaruit blijkt dat de omzet in de jaren 1999 tot en met 2001 aanzienlijk hoger was dan in de jaren nadien, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat het uittreden van [D] niet was ingegeven door het bedrijfsbelang. De betaling aan [D] kan derhalve niet ineens ten laste van de winst worden gebracht.

Nu de uitkoopsom als goodwill moet worden aangemerkt, kan de uitkoopsom – hetgeen tussen partijen niet in geschil is – in vijf jaren worden afgeschreven. Dat in de uitkoopsom tevens een betaling voor onderhanden werk ligt opgesloten, is met name gelet op het feit dat in de beëindigingsovereenkomst, de jaarrekening en de aangifte uitsluitend wordt gesproken over goodwill, niet aannemelijk geworden.

Verder is eiseres van mening dat gelet op de geleden verliezen de goodwill ultimo 2002 op nihil moet worden gewaardeerd. De rechtbank kan ook dit standpunt van eiseres niet onderschrijven. Blijkens de tussen eiseres en [D] overeengekomen prijs bedraagt de waarde van de goodwill per 1 september 2001 € 305.503. Na afschrijving is de boekwaarde van de goodwill per 31 december 2002 € 224.037. Eiseres is niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd dat ultimo 2002 de bedrijfswaarde van de goodwill lager is dan deze boekwaarde. De enkele stelling dat gedurende enige jaren verliezen zijn geleden is daartoe onvoldoende, omdat zulks niet uitsluit dat de organisatie, de marktpositie en relaties van de onderneming de mogelijkheid tot het behalen van overwinst blijven bieden (vgl. HR 9 november 2001, BNB 2002/67).

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, en mrs. V.M. van Daalen-Mannaerts en M.C.G.J. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Gudden, griffier, op 26 februari 2007

.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.