Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA3672

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
05/950185-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft een 34-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar waarvan zes maanden voorwaardelijk voor het verkrachten (met vinger binnendringen in de vagina) van een 68-jarige vrouw. Daarnaast is de man veroordeeld voor drie pogingen tot het plegen van ontuchtige handelingen met vrouwen in de leeftijd van 60 tot 80 jaar.

De officier van justitie had drie jaar gevangenisstraf geëist en TBS met bevel tot verpleging. De verdachte heeft echter geweigerd mee te werken aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum. Daarom konden deskundigen geen uitspraak doen over de relatie tussen een waarschijnlijke persoonlijkheidsstoornis en de tenlastegelegde feiten en ook niet over de mate van toerekeningsvatbaarheid, de kans op recidive (herhaling) en de mogelijkheid van behandeling. Onder die omstandigheden diende verdachte volgens de rechtbank niet ter beschikking te worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/950185-06

Datum zitting : 11 april 2007

Datum uitspraak : 25 april 2007

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Ir. Molsweg 5

Arnhem.

Raadsman : mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na door de rechtbank ter terechtzitting van 18 oktober 2006 en 10 januari 2007 toegewezen vorderingen wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 07 op 08 juli 2006 te Bennekom, gemeente Ede,

ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) N.A. [slachtoffer1] (geboren op 05 september 1935) en/of C.A. van

[slachtoffer2] (geboren op 03 juli 1926) en/of M.Chr. [slachtoffer3] (geboren op 03 oktober

1944) te dwingen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (mede)

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het

duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis en/of tong en/of hand/vinger(s) in

de vagina van die [slachtoffer1] en/of Van [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] en/of heeft getracht

binnen te dringen in de woning(en) van voornoemde [slachtoffer1] en/of Van [slachtoffer2]

en/of [slachtoffer3] en/of (daarbij) dwingend/dreigend (in de richting van die [slachtoffer1]

en/of Van [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3]) heeft geroepen/gezegd: "Kutje, kutje likken!",

althans woorden van gelijke dwingende/dreigende aard of strekking, terwijl

genoemd voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de nacht van 07 op 08 juli 2006 te Bennekom, gemeente Ede,

ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) N.A. [slachtoffer1] (geboren op 05 september 1935) en/of C.A. van

[slachtoffer2] (geboren op 03 juli 1926) en/of M.Chr. [slachtoffer3] (geboren op 03 oktober

1944) te dwingen tot het plegen en/of dulden van (een) ontuchtige

handeling(en), heeft getracht binnen te dringen in de woning(en) van

voornoemde [slachtoffer1] en/of Van [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] en/of (daarbij)

dwingend/dreigend (in de richting van die [slachtoffer1] en/of Van [slachtoffer2] en/of

[slachtoffer3]) heeft geroepen/gezegd: "Kutje, kutje likken!", althans woorden van

gelijke dwingende/dreigende aard of strekking, terwijl genoemd voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de nacht van 07 op 08 juli 2006 te Bennekom, gemeente Ede,

ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om wederrechtelijk binnen te

dringen in (een) woning(en) gelegen in/op het Ericapark en (respectievelijk)

in gebruik bij N.A. [slachtoffer1] (geboren op 05 september 1935) en/of C.A. van

[slachtoffer2] (geboren op 03 juli 1926) en/of M.Chr. [slachtoffer3] (geboren op 03 oktober

1944), althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, tegen een deur van

(een van) voornoemde woning(en) heeft getrapt en/of aan een raam van (een of

meer van) die woning(en) heeft getrokken en/of een raam heeft geopend, terwijl

genoemd voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de nacht van 07 op 08 juli 2006 te Bennekom, gemeente Ede,

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) A.L. [slachtoffer4] (geboren op 24 november 1937)

(telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (mede)

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het

(telkens) duwen/brengen van zijn, verdachtes, hand/vinger(s) in de vagina van

die [slachtoffer4], welk geweld of andere feitelijkhe(i)d(en) en/of welke bedreiging

met geweld of andere feitelijkhe(i)d(en) hierin heeft/hebben bestaan dat

verdachte de woning van voornoemde [slachtoffer4] is binnengeklommen en/of die [slachtoffer4]

(vervolgens) heeft vastgepakt en/of geduwd en/of die [slachtoffer4] dwingend/dreigend

de woorden heeft toegevoegd: "Neuken!" en/of "Kut, kutje likken!", althans

woorden van gelijke dwingende/dreigende aard of strekking, en/of (de)

nachtkleding van die [slachtoffer4] omhoog heeft getrokken en/of met zijn, verdachtes,

hand in de onderbroek van die [slachtoffer4] is gedrongen en/of die [slachtoffer4] (bij

voortduring) heeft vastgehouden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 11 april 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte ter terechtzitting verschenen en bijgestaan door mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

• M.C. [slachtoffer3] en

• N.A. [slachtoffer1].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en voorts tot de maatregel van tbs met dwangverpleging.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij N.A. [slachtoffer1] tot een bedrag van € 1072,20 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er ten aanzien van de vordering een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge¬legd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij M.C. [slachtoffer3] heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 1000,00 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er ten aanzien van de vordering een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge¬legd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

De raadsman van verdachte heeft het verweer gevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is die de tenlastegelegde feiten gepleegd heeft. De raadsman heeft hiertoe gesteld dat verdachte niet op heterdaad is aangehouden, verdachte in de buurt van de plaats delict woonde en wel vaker ’s nachts even naar buiten ging, alsmede dat uit het dossier niet opgemaakt kan worden dat verdachte ook de man is die verbalisanten [naam] en [naam] hebben zien wegrennen uit het park.

De rechtbank verwerpt dit verweer gelet op het volgende.

Aangeefster [slachtoffer4] heeft verklaard dat zij tijdens de verkrachting in de nacht van 7 op 8 juli 2006 op een gegeven moment met de dader in het grasveld naast haar woning terecht is gekomen, waarbij de dader half over haar heen lag. Aangeefster heeft verklaard dat er sprake was van een worsteling en dat zij onder meer heel hard heeft geroepen: ‘Help mij’.

Uit het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 8 juli 2006, blijkt dat verbalisanten na een melding van 02.08 uur zich naar het Ericapark begaven, alwaar zij een vrouw om hulp hoorden schreeuwen. De verbalisanten [naam] en [naam] zagen vervolgens een vrouw (naar later blijkt aangeefster [slachtoffer4]) op haar rug in het gras liggen met een man bovenop haar. De verbalisanten zagen dat de man en de vrouw in een worsteling verwikkeld waren. De man rende vervolgens weg en verbalisanten [naam] en [naam] zetten de achtervolging in. Op een gegeven moment gaf verbalisant [naam] zijn bevindingen door aan de hondengeleider die verdachte even later aan kon houden, zo blijkt uit het proces-verbaal van aanhouding, d.d. 8 juli 2006.

In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juli 2006, verklaart verbalisant [naam] dat de man die door de hondengeleider aangehouden is dezelfde is als de man die bovenop de vrouw zat en die hij tijdens de achtervolging gezien heeft.

Daarbij komt dat een sok met DNA van verdachte is aangetroffen op de plaats van het delict.

Gelet op het bovenstaande staat voor de rechtbank vast dat de persoon die aangeefster heeft verkracht, verdachte betreft.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair merkt de rechtbank het volgende op.

Uit de aangiftes van Van [slachtoffer2], [slachtoffer1] en [slachtoffer3] blijkt dat een man in diezelfde nacht, in hetzelfde tijdsbestek en in dezelfde buurt als waar het slachtoffer [slachtoffer4] (68 jaar) woonachtig is en is verkracht, getracht heeft bij hen (eveneens drie oudere vrouwen) het huis binnen te komen waarbij hij tegen twee van hen heeft gezegd: ‘Kutje likken’ en tegen één van hen ‘Vagina’. Derhalve komen de modus operandi ten aanzien van deze feiten overeen met de modus operandus ten aanzien van feit 2, nu aangeefster [slachtoffer4] heeft verklaard dat de dader haar woning binnengeklommen was en onder meer riep: “Kutje likken”.

Daarnaast geldt dat aangeefsters Van [slachtoffer2], [slachtoffer1] en [slachtoffer3] hebben verklaard dat de man die hun huis probeerde binnen te komen, een lichtgekleurde pet droeg. Deze verklaringen komen overeen met het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2006 waar verklaard wordt dat de man die achtervolgd werd een lichtgekleurde pet droeg.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de stelling van de raadsman dat een ander dan verdachte deze feiten zou hebben gepleegd volstrekt onaannemelijk. De rechtbank verwerpt derhalve ook dit verweer.

De rechtbank acht bewezen dat:

1.

hij in de nacht van 07 op 08 juli 2006 te Bennekom, gemeente Ede,

ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om door

feitelijkheden N.A. [slachtoffer1] (geboren op 05 september 1935) en C.A. van

[slachtoffer2] (geboren op 03 juli 1926) en M.Chr. [slachtoffer3] (geboren op 03 oktober

1944) te dwingen tot het dulden van (een) ontuchtige

handeling(en), heeft getracht binnen te dringen in de woning van

voornoemde [slachtoffer1] en Van [slachtoffer2] en [slachtoffer3] en (daarbij)

dwingend/dreigend (in de richting van die [slachtoffer1] en

[slachtoffer3]) heeft geroepen/gezegd: "Kutje, kutje likken!", terwijl genoemd voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de nacht van 07 op 08 juli 2006 te Bennekom, gemeente Ede,

door feitelijkheden A.L. [slachtoffer4] (geboren op 24 november 1937)

(telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die

Bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het

Telkens duwen/brengen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van

die [slachtoffer4], welke feitelijkheden hierin hebben bestaan dat

verdachte de woning van voornoemde [slachtoffer4] is binnengeklommen en die [slachtoffer4]

(vervolgens) heeft vastgepakt en die [slachtoffer4] dwingend/dreigend

de woorden heeft toegevoegd: "Neuken!" en "Kut, kutje likken!", en (de)

nachtkleding van die [slachtoffer4] omhoog heeft getrokken en met zijn, verdachtes,

hand in de onderbroek van die [slachtoffer4] is gedrongen en die [slachtoffer4] (bij

voortduring) heeft vastgehouden;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:

Verkrachting.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

C.M. van Deutekom, klinisch psycholoog en A.C. Bruijns, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (Psychiatrische Observatiekliniek) hebben op 29 maart 2007 omtrent verdachte een rapport uitge¬bracht.

In dit rapport wordt geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling, bestaande uit een fors gestoorde agressieregulatie die naar alle waarschijnlijkheid is ingebed in een ernstige persoonlijkheidsstoornis. De precieze aard van de eventuele persoonlijkheidsstoornis kan, als gevolg van het feit dat verdachte van meet af aan geweigerd heeft aan het onderzoek mee te werken, niet worden bepaald. Evenmin is het mogelijk om aan te tonen – of uit te sluiten – dat er andere oorzaken voor de gestoorde agressieregulatie zijn of dat er stoornissen in de – beleving – van de seksualteit zijn of dat er andere psychische stoornissen in het algemeen aanwezig zijn. De psycholoog en de psychiater kunnen niet bepalen of en op welke manier en in welke mate de stoornis of stoornissen doorwerken, dan wel tot uiting komen in de ten laste gelegde feiten. Derhalve zijn zij niet in staat een uitspraak te doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op het feit dat de rechtbank niet beschikt over andere rapportages over de persoon van verdachte, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat bij verdachte ook tijdens het begaan van de feiten een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond dat deze aan de toerekening van de feiten aan verdachte in de weg staan.

Derhalve is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 24 maart 2007;

• een briefrapport van de FPD Arnhem, gedateerd 26 juli 2006, betreffende verdachte;

• een briefrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 5 september 2006, betreffende verdachte en

• een rapportage van het Pieter Baan Centrum opgemaakt door C.M. van Deutekom, klinisch psycholoog en A.C. Bruijns, psychiater, betreffende verdachte, gedateerd 29 maart 2007.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte is 's nachts de woning van een 68-jarige vrouw binnengeklommen en heeft de vrouw daar verkracht door met zijn vingers in haar vagina binnen te dringen. Tevens heeft verdachte in diezelfde nacht getracht ontucht te plegen met drie andere vrouwen op leeftijd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten.

Niet alleen hebben alle slachtoffers het handelen van verdachte als zeer beangstigend en bedreigend ervaren, verdachte heeft ook op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer dat hij verkracht heeft. Bovendien hebben de door verdachte gepleegde feiten de in de samenleving bestaande gevoelens van onrust en onveiligheid versterkt.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en voorts tot de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Weliswaar luidt de conclusie van de gedragsdeskundigen dat er sprake is van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling, bestaande uit een fors gestoorde agressieregulatie die naar alle waarschijnlijkheid is ingebed in een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Maar de deskundigen hebben niet kunnen bepalen of en op welke manier en in welke mate de stoornis of stoornissen doorwerken, dan wel tot uiting komen in de ten laste gelegde feiten (indien bewezen). Derhalve zijn zij niet in staat een uitspraak te doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Ook zijn zij niet in staat de vragen naar de kans op recidive te beantwoorden noch om aanbevelingen te doen voor interventies.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank derhalve van oordeel dat onder die omstandigheden verdachte niet op last van de rechtbank ter beschikking dient te worden gesteld.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ten aanzien van de pogingen ontucht rekening gehouden met het feit dat deze beperkt bleven tot het proberen de huizen van de slachtoffers binnen te dringen en het uiten van obscene bewoordingen.

Derhalve legt de rechtbank verdachte een lagere, namelijk deels voorwaardelijke, gevangenisstraf op dan door de officier van justitie is geëist.

De voorwaardelijke gevangenisstraf dient als waarschuwing voor verdachte om zich voortaan van het plegen van delicten te onthouden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een, deels voorwaardelijke, gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de

gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De rechtbank zal de civiele vordering van N.A. [slachtoffer1] tot een bedrag van € 72,20 aan materiële schade toewij¬zen, nu het tenlastegelegde bewezen is verklaard en de vordering voor dit deel voldoende is onderbouwd.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat N.A. [slachtoffer1] door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is, nu niet duidelijk is welk deel van de immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 500,00 aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voorzover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat M.C. [slachtoffer3] door hetgeen haar is aangedaan immateriële schade heeft geleden en dat zij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade juist is. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 500,00 aan schadevergoeding op zijn plaats is zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan het slachtoffer. De vordering is voorzover zij strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade niet van eenvoudige aard zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Voor de toewijsbare delen van de vorderingen geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partijen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 45, 57, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij N.A. [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan N.A. [slachtoffer1], wonende te [adres], te betalen € 572,20 (zegge vijfhonderdtweeënzeventig euro en twintig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad € 572,20, subsidiair 11 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer N.A. [slachtoffer1], wonende te [adres], te betalen € 572,20, (zegge vijfhonderdtweeënzeventig euro en twintig eurocent), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer N.A. [slachtoffer1], de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij M.C. [slachtoffer3].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan M.C. [slachtoffer3], wonende te [adres], te betalen € 500,00 (zegge vijfhonderd euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer M.C. [slachtoffer3], wonende te [adres], te betalen € 500,00, (zegge vijfhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer M.C. [slachtoffer3], de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. E.G. Smedema, als voorzitter,

mr. G. Perrick, rechter,

mr. J.H.M. Delnooz-Engels, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 april 2007.